| |
(Ga met de muis op een onderstreept woord of tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En de stervelingen van komen en zij nemen de kist van Jahweh op en zij brengen die naar het huis van , op de heuvel. En zij zonderden , zijn zoon, af om de kist van Jahweh te bewaken. [1Kron. 13:5-7]
2 En het gebeurt vanaf de dag van het neerzetten van de kist in , dat er vele dagen zijn, en zij worden twintig jaren; en heel het huis van Israel klaagt achter Jahweh aan.
3 En spreekt tot heel het huis van Israel, zeggend: "Indien jullie met heel jullie hart terugkeren naar Jahweh, neemt dan de elohims van de vreemdeling uit jullie midden weg, en de , en bereidt jullie je hart voor Jahweh en dient alleen Hem! Dan zal Hij jullie redden uit de hand van de Filistijnen."
4 En de zonen van Israel nemen de Baäls weg en de , en zij dienen alleen Jahweh.
5 En zegt: "Brengt heel Israel bijeen in de buurt van , dan zal ik voor jullie bidden tot Jahweh."
6 En zij worden bijeen gebracht in de buurt van ; en zij putten water en zij gieten het uit voor het aangezicht van Jahweh. En zij vasten die dag. En zij zeggen daar: "Wij zondigden tegen Jahweh." En richt de zonen van Israel in .
7 En de Filistijnen horen dat de zonen van Israel in de buurt van bijeen gebracht zijn en de leiders van de Filistijnen komen op tegen Israel. En de zonen van Israel horen het en zij vrezen voor de aangezichten van de Filistijnen.
8 En de zonen van Israel zeggen tot : "Het moet niet zo zijn dat jij stil bent voor ons en het niet uitschreeuwt tot Jahweh, onze Elohim, en Hij zal ons redden uit de hand van de Filistijnen."
9 En neemt een melklam en hij offert het, een opstijgoffer, geheel aan Jahweh. En schreeuwt het uit tot Jahweh over Israel. En Jahweh antwoordt hem.
10 En het gebeurt dat een opstijgoffer offert. En de Filistijnen trekken dichtbij voor de slag tegen Israel. En Jahweh dondert in die dag met een luid geluid tegen de Filistijnen en Hij onthutst hen en zij worden neergeslagen voor het aangezicht van Israel.
11 En de stervelingen van Israel gaan uit van en zij achtervolgen de Filistijnen. En zij slaan hen tot zo ver als onder .
12 En neemt een steen en hij plaatst hem tussen en tussen en hij noemt haar naam , en hij zegt: "Tot hiertoe hielp Jahweh ons."
13 En de Filistijnen worden onderschikt en zij voegden niet verder toe aan hun komen in het grensgebied van Israel. En de hand van Jahweh was op de Filistijnen, alle dagen van . [Hebr. 11:32,33]
14 En de steden die de Filistijnen van Israel namen keren terug aan Israel, van tot aan ; en hun grensgebied redde Israel uit de hand van de Filistijnen. En er was vrede tussen Israel en tussen de Amorieten.
15 En richt Israel alle dagen van zijn leven.
16 En hij ging van jaar tot jaar, en hij ging rond en en . En hij richtte Israel in al deze plaatsen.
17 En hij keert terug naar , want daar is zijn huis en daar richtte hij Israel. En hij bouwt daar een altaar voor Jahweh.
Terug naar de indexpagina
Naar 1Samuël 8
|
|