| |
(Ga met de muis op een onderstreepte naam of tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En het gebeurt bij de komst van en zijn stervelingen in , in de derde dag, dat de Amalekieten geplunderd hebben tot aan de en tot aan , en zij slaan en zij branden het met vuur.
2 En zij nemen de vrouwen die er in zijn gevangen. Van de kleine tot aan de grote brachten zij niet iedereen ter dood, maar zij voeren ze weg en zijn gaan huns weegs.
3 En en zijn stervelingen komen naar de stad en zie!, hij is verbrand met vuur, en hun vrouwen en hun zoons en hun dochters waren gevangen genomen.
4 En en het volk dat met hem is verheffen hun stem en zij weeklagen, tot er in hen geen kracht meer is om te weeklagen.
5 En de twee vrouwen van werden gevangen genomen, , de Jezreëlitische, en , de vrouw van , de Carmelitische. [1Sam. 25:42,43]
6 En het benauwt zeer, want het volk zei hem te stenigen, want de ziel van heel het volk was bitter, elk vanwege zijn zonen en vanwege zijn dochters. En bemoedigt zichzelf in Jahweh, zijn Elohim.
7 En zegt tot , de priester, zoon van : "Breng, alstublieft, de efod naderbij!" En brengt de efod dichtbij . [1Sam. 22:20-23]
8 En vraagt aan Jahweh, zeggend: "Zal ik achter deze overvalsbende aan gaan? Zal ik ze overwinnen?" En Hij zegt tot hem: "Achtervolg, want jij zal zeker inhalen en jij zal zeker redden."
9 En gaat, hij en zeshonderd mannen die met hem zijn, en zij komen tot aan de waterloop van , en die achter gelaten werden, zij bleven.
10 En achtervolgt, hij en vierhonderd mannen, maar tweehonderd mannen blijven, die te zwak waren*1) om de waterloop van over te steken.
11 En zij vinden een man, een Egyptenaar, in het veld, en zij nemen hem mee naar . En zij geven hem brood en hij eet. En zij geven hem water te drinken.
12 En zij geven hem een plak geperste, gedroogde vijgenkoek en twee brokken rozijnen. En hij eet en zijn geest keert in hem terug, want hij at geen brood en hij dronk geen water, drie dagen en drie nachten.
13 En zegt tot hem: "Van wie ben jij en van waar ben jij?" En de Egyptische jongeman zegt: "Ik ben dienaar van een man van de Amalekieten, en mijn heer verliet mij, want ik was drie dagen ziek.
14 Wij plunderden het zuiden van de Keretiet en dat wat van is en tegen het zuiden van , en verbrandden wij met vuur.
15 En zegt tot hem: "Zal jij mij naar deze overvalsbende brengen?" En hij zegt: "Zweer tot mij bij Elohim dat u mij niet ter dood zal brengen en dat u mij niet overlevert in de hand van mijn heer. Dan zal ik u naar deze overvalsbende brengen."
16 En hij brengt hem en zie!, zij zijn verspreid over de oppervlakte van heel het land, etend, drinkend en feest vierend, met heel de grote buit die zij namen uit het land van de Filistijnen en uit het land van .
17 En slaat hen vanaf de schemering en tot aan de avond van de volgende dag; en er ontsnapte van hen geen man, behalve vierhonderd jonge mannen die op kamelen reden, want zij vluchten.
18 En redt allen die nam. En redde zijn twee vrouwen.
19 En er ontbrak van hen niemand, van de kleine tot aan de grote, en tot aan zonen en dochters, en van de buit en van al wat zij voor zich namen. bracht alles terug.
20 En neemt heel de schaapskudde en het grootvee. Ze dreven ze weg voor het aangezicht van dit vee. En men zegt: "Dit is de buit van ."
21 En komt bij de tweehonderd stervelingen die te zwak waren om achter aan te gaan, die hij deed zitten aan de waterloop . En zij komen uit om te ontmoeten en om het volk te ontmoeten dat bij hem is. En komt dichtbij het volk en hij vraagt hen naar hun welzijn.
22 En iedere boze en verdorven man onder de stervelingen die met mee gingen, reageert en zij zeggen: "Omdat zij niet met ons meegingen, zullen wij hen niet van de buit geven die wij redden, uitgezonderd ieder zijn vrouw en zijn zonen. En zij zullen voorgaan en zij zullen weggaan."
23 En zegt: "Zo zullen jullie niet doen, mijn broeders, met wat Jahweh aan ons gaf. Want Hij bewaakt ons en Hij geeft de overvalsbende, die tegen ons komt, in onze hand.
24 En wie zal naar jullie luisteren over deze zaak? Want zoals het deel van die meeging in de strijd en zoals het deel van die zit bij de uitrusting, gelijk zullen zij delen."
25 En het gebeurt vanaf die dag en verder, dat hij het als een inzetting en als gewoonte voor Israel vaststelt, tot aan deze dag.
26 En komt naar en hij zendt van de buit naar de ouden van , naar zijn naaste, zeggend: "Zie!, voor jullie, een zegen uit de buit van de vijanden van Jahweh,"
27 voor hen die in zijn en voor hen die in zijn en voor hen die in zijn,
28 en voor hen die in zijn en voor hen die in zijn en voor hen die in zijn,
29 en voor hen die in zijn en voor hen die in de steden van de Jerahmeëliet zijn en voor hen die in de steden van de Keniet zijn,
30 en voor hen die in zijn en voor hen die in zijn en voor hen die in zijn,
31 en voor hen die in zijn, en voor allen van de plaatsen waar wandelde, hij en zijn stervelingen.
*1) - "die te zwak waren"; letterlijk staat hier: "die als lijken waren"
Terug naar de indexpagina
Naar 1Samuël 31
|
|