| |
(Ga met de muis op een onderstreept woord of tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En sterft en men brengt heel Israel bijeen en zij rouwen over hem en zij begraven hem in zijn huis in Ramah. En staat op en hij gaat af naar de wildernis van .
2 En er is een man in en zijn werk is op de . En de man is zeer groot en hij heeft een schaapskudde van drieduizend, en duizend geiten. En het gebeurt dat hij zijn kudde scheert op de .
3 En de naam van de man is en de naam van zijn vrouw is . En de vrouw is goed van verstand en liefelijk van gestalte; en de man is koppig en kwaad in zijn daden en hij was naar zijn hart een Calebiet.
4 En hoort in de wildernis dat zijn kudde scheert.
5 En zendt tien jongemannen en zegt tot de jongemannen: "Gaat op naar de en komt bij en vraagt hem in mijn naam om vrede,
6 en zegt aldus: Voor de levenden en u, vrede! En uw huis, vrede! En al wat van u is: vrede!
7 En nu, ik hoorde dat u scheerders heeft. Nu, de herders die bij u zijn, waren bij ons. Wij beschaamden hen niet. En er werd door hen niets vermist, alle dagen dat zij op de zijn.
8 Vraag uw jongemannen en zij zullen het u vertellen. En de jongemannen zullen gunst vinden in uw ogen, want wij kwamen op een goede dag. Geef, alstublieft, wat uw hand vindt voor uw dienaren, en voor uw zoon, voor ."
9 En de jongemannen van komen en zij spreken tot naar al deze woorden, in de naam van . En zij rusten.
10 En antwoordt de dienaren van en hij zegt: "Wie is en wie is de zoon van Jesse? Vandaag zijn er vele dienaren die wegbreken, elk van voor het aangezicht van hun heer.
11 En ik neem mijn brood en mijn water en mijn geslacht vlees dat ik slachtte voor mijn scheerders, en ik geef het aan stervelingen van wie ik niet weet van waar zij komen?"
12 En de jongemannen van keren terug op hun weg en zij gaan terug. En zij komen en zij vertellen hem naar al deze woorden.
13 En zegt tot zijn stervelingen: "Omgordt je, elk met zijn zwaard." En een ieder omgordt zijn zwaard en ook omgordt zijn zwaard. En zij gaan op, achter , ongeveer vierhonderd man, en tweehonderd zaten op de uitrusting.
14 En aan , vrouw van , vertelde een jongeman, een van de jongemannen, zeggend: "Zie!, zond boodschappers uit de wildernis om onze heer te zegenen, maar hij valt op hen aan.
15 En de stervelingen zijn zeer goed voor ons en wij werden niet beschaamd en wij vermisten niets, alle dagen dat wij met hen wandelden, toen wij in het veld waren.
16 Een muur waren zij voor ons, ook 's nachts, ook overdag, alle dagen dat wij bij hen waren, de kudde doen grazend.
17 En nu, weet en zie wat u zal doen. Want het kwaad is besloten tegen onze heer en tegen heel zijn huishouding. En hij is teveel een zoon van waardeloosheid dat men tot hem spreekt."
18 En haast zich en zij neemt tweehonderd broden en twee zakken wijn en vijf schaapjes, die bereid waren, en vijf maten geroosterd graan en honderd rozijnbrokken en tweehonderd geperste, gedroogde vijgenkoeken, en zij plaatst ze op de ezels.
19 En zij zegt tot haar jongemannen: "Gaat voor mijn aangezicht langs, zie!, ik kom na jullie!" Maar aan haar man, , vertelde zij het niet.
20 En het gebeurt dat zij op de ezel rijdt en in het verborgene afdaalt van de berg. En zie!, en zijn stervelingen dalen af om haar te ontmoeten; en zij komt hen tegen.
21 En zei: "Ja, ten onrechte bewaakte ik al wat van deze is in de wildernis en er werd niets vermist van al wat van hem is. En hij vergeldt mij met kwaad in plaats van goedheid.
22 Zo zal Elohim doen met de vijanden van en zo zal Hij toevoegen, indien ik tot de morgen over laat van al die van hem zijn, die urineert tegen de zijmuur."
23 En ziet en zij haast zich en zij komt van de ezel af en zij valt voor de neusvleugels van , op haar gezicht, en zij buigt zich naar het land.
24 En zij valt aan zijn voet en zij zegt: "In mij, mijn heer, is verdorvenheid, maar uw dienares zal, alstublieft, spreken in uw oren. En hoor de woorden van uw dienares!
25 Alstublieft, het moet niet zo zijn dat mijn heer zijn hart plaatst op deze man van waardeloosheid, op . Want zoals zijn naam, zo is hij. is zijn naam en er is waardeloosheid bij hem, en ik, uw dienares, zag geen van de jongemannen van mijn heer, die u zond.
26 En nu, mijn heer, Jahweh leeft en uw ziel leeft; het is Jahweh Die u er van weerhield te komen met bloed en uw hand voor u te redden. En nu, uw vijanden zullen worden als en die tegen mijn heer kwaad zoeken.
27 En nu, deze is de zegen die uw dienares aan uw heer bracht en zij wordt gegeven aan de jongemannen die wandelen in de voetstappen van mijn heer.
28 Verdraag, alstublieft, de overtreding van uw dienares, want Jahweh zal zeker een veilig huis maken voor mijn heer; want mijn heer vecht de veldslagen van Jahweh, en kwaad wordt niet in u gevonden van uw dagen af.
29 En een mens staat op om u te achtervolgen en om uw ziel te zoeken; en de ziel van mijn heer wordt gevonden in de buidel van die leven met Jahweh, uw Elohim. En de ziel van uw vijanden zal Hij slingeren vanuit het midden van de houder van de slinger.
30 En het gebeurt dat Jahweh voor mijn heer al het goede doet dat Hij over u sprak. En Hij draagt u op heerser over te zijn.
31 En dit zal voor u niet tot beving zijn en niet tot een steen des aanstoots voor het hart van mijn heer, of om niet bloed te vergieten, maar om mijn heer te redden van zichzelf. En Jahweh doet goed voor mijn heer. En u herinnert u uw dienares."
32 En zegt tot : "Wees gezegend, Jahweh, Elohim van Israel, Die u op deze dag zendt om mij te ontmoeten.
33 En gezegend is uw discretie en gezegend bent u die mij deze dag weerhield om te komen met bloed en om mijn hand voor mij te redden.
34 En toch, (Jahweh, Elohim van , leeft, Die mij er van weerhield u kwaad te doen) als u zich niet had gehaast en komt om mij te ontmoeten, was er voor niemand over gebleven tot het licht van de morgen van hen die urineren tegen de zijmuur.
35 En neemt uit haar hand wat zij voor hem bracht en hij zei tot haar: "Ga op, in vrede, naar uw huis; zie!, ik luisterde naar uw stem en ik hef uw aangezicht op."
36 En komt bij en zie!, er is voor hem een feest in zijn huis, zoals een feest van de koning. En het hart van is goed voor hem en hij is buiten mate dronken. En zij vertelde hem geen ding, groot of klein, tot het licht van de morgen.
37 En het gebeurt in de morgen, toen de wijn uit ging, dat zijn vrouw aan hem deze dingen vertelt en zijn hart sterft binnenin hem en hij werd als steen.
38 En het gebeurt na ongeveer tien dagen, dat Jahweh slaat en hij sterft.
39 En hoort dat stierf en hij zegt: "Gezegend is Jahweh Die mijn strijd van verachting uit de hand van streed en Zijn dienaar weerhield Hij van het kwade. En het kwaad van deed Hij terugkeren op zijn hoofd." En zendt en hij spreekt tot om haar voor zich tot vrouw te nemen.
40 En de dienaren van komen bij , bij de , en zij spreken tot haar, zeggend: " zond ons tot u om u voor hem tot vrouw te nemen."
41 En zij staat op en zij buigt zich neer, neusvleugels naar het land, en zij zegt: "Uw dienares is een meid voor het wassen van de voeten van de dienaren van mijn heer."
42 En haast zich en zij staat op en zij rijdt op de ezel, en vijf van haar meiden gaan te voet. En zij gaat achter de boodschappers van aan en zij wordt voor hem tot vrouw.
43 En nam uit en ook zij beiden worden voor hen tot vrouwen,
44 want gaf , zijn dochter, vrouw van , aan , zoon van , die van is.
Terug naar de indexpagina
Naar 1Samuël 26
|
|