| |
(Ga met de muis op een onderstreept woord of tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En het gebeurde toen terugkeerde van achter de Filistijnen, dat men hem vertelt: "Zie!, is in de wildernis van !"
2 En neemt drieduizend mannen mee, gekozen uit heel , en hij gaat om en zijn stervelingen te zoeken op het oppervlak van de steenbokken.
3 En hij komt bij de stenen muren van de schaapskudde, aan de weg, en daar is een grot. En gaat binnen om zijn voeten schaduw te geven. En en zijn stervelingen zitten in de inhammen van de grot. [Psalm 57:1]
4 En de stervelingen van zeggen tot hem: "Zie!, de dag waarvan Jahweh tot u zei: Zie!, ik geef jouw vijand in jouw hand en jij doet met hem wat goed is in jouw ogen." En staat op en hij snijdt in het verborgene de zoom van de mantel van af.
5 En het gebeurt daarna dat het hart van hem slaat, omdat hij de zoom afsneed die van was.
6 En hij zegt tot zijn stervelingen: "Het is verre van mij, van Jahweh, indien ik dit ding met mijn heer doe, tot de gezalfde van Jahweh, om mijn hand tegen hem uit te strekken, want hij is de gezalfde van Jahweh."
7 En scheidt zijn stervelingen door woorden en hij stond hen niet toe op te staan tegen . En stond op uit de grot en hij ging op weg.
8 En staat daarna op en hij komt uit de grot, en hij roept achterna, zeggend: "Mijn heer, de koning!" En kijkt achter hem en buigt zijn hoofd, neusvleugels naar het land, en hij werpt zich op de grond.
9 En zegt tot : "Waarom luistert u naar de woorden van een mens, die zegt: Zie!, zoekt uw kwaad?
10 Zie!, deze dag zagen uw ogen dat Jahweh u vandaag in mijn hand gaf, in de grot. En men zei: Doodt hem. Maar mijn hand heeft medelijden met u. En ik zeg: Ik zal mijn hand niet uitstrekken tegen mijn heer, want hij is de gezalfde van Jahweh.
11 En, mijn vader, zie, ja zie, de zoom van uw mantel in mijn hand, want bij het afsnijden van de zoom van uw mantel heb ik u niet gedood. Weet en zie dat er in mijn hand geen kwaad en overtreding is. En ik zondigde niet tegen u. Maar u jaagt op mijn ziel, om die te nemen.
12 Jahweh zal oordelen tussen mij en tussen u, en Jahweh wreekt mij aan u; en mijn hand zal niet tegen u zijn.
13 Zoals het spreekwoord van de ouden zegt: Van bozen gaat boosaardigheid uit, en mijn hand zal niet tegen u zijn.
14 Achter wie ging de koning van uit? Achter wie achtervolgt u? Achter een dode hond! Achter een vlo!
15 En Jahweh wordt tot Rechter en Hij oordeelt tussen mij en tussen u. En Hij zal zien en Hij zal mijn strijd strijden en Hij zal mij oordelen uit uw hand."
16 En het gebeurt als ophoudt deze woorden tot te spreken, dat zegt: "Is dit jouw stem, mijn zoon ?" En verheft zijn stem en hij huilt.
17 En hij zegt tot : "Jij bent rechtvaardiger dan ik, want jij vergold mij met het goede en ik vergold jou met het kwade.
18 En jij vertelde vandaag dat jij goed met mij deed, dat Jahweh mij overleverde in jou hand en jij mij niet doodde.
19 En wanneer iemand zijn vijand vindt en hij zendt hem weg op een goede manier, dan zal Jahweh jou uitbetalen met goedheid, voor deze dag waarop jij goed met mij deed.
20 En nu, zie!, ik weet dat jij zeker koning zal zijn en het koninkrijk van komt op in jouw hand.
21 En nu, zweer tot mij bij Jahweh: jij zal mijn zaad niet achter mij afsnijden en het zou niet zo moeten zijn dat jij mijn naam uitroeit uit het huis van mijn vader."
22 En zweert tot , en gaat naar zijn huis. En en zijn stervelingen gingen op naar de vesting.
Terug naar de indexpagina
Naar 1Samuël 25
|
|