| |
(Ga met de muis op een onderstreept woord of tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En de Filistijnen brengen hun kampen bijeen voor de strijd, en zij worden bijeen gebracht bij , dat is bij , en zij slaan hun kamp op tussen en tussen , in .
2 En en de mannen van werden bijeen gebracht en zij slaan hun kamp op in de vallei van , en zij stellen zich op voor de strijd, om de Filistijnen te ontmoeten.
3 En de Filistijnen staan op de berg aan deze zijde, en staat op de berg aan de andere zijde, en het ravijn is tussen hen.
4 En er gaat een man uit in het niemandsland, uit de kampen van de Filistijnen. En zijn naam is , uit . Zijn gestalte was zes ellen en een handbreedte.
5 En een helm van koper is op zijn hoofd en hij is gekleed in een geschubde maliënkolder, en het gewicht van zijn maliënkolder is vijfduizend shekels koper.
6 En er zijn koperen laarzen aan zijn voeten en een koperen pijl tussen zijn schouders.
7 En het hout van zijn speer is als een weversboom en de punt van zijn speer was zeshonderd shekels ijzer, en de drager van het schild ging voor hem uit.
8 En hij staat en hij roept naar de stellingen van en hij zegt tot hen: "Waarom komen jullie uit om je op te stellen voor de strijd? Ben ik niet de Filistijn en zijn jullie de dienaren van ? Kiest voor jullie een man, en hij zal naar mij afkomen.
9 Indien hij zegeviert in het gevecht met mij en hij mij slaat, dan worden wij voor jullie tot dienaren. Maar indien ik zegevier over hem en ik hem sla, dan worden jullie voor ons tot dienaren en dienen jullie ons."
10 En de Filistijn zegt: "Ik, ik veracht deze dag de rangen van . Geeft aan mij een man en wij zullen samen vechten."
11 En en heel horen deze woorden van de Filistijn en ze worden ontmoedigd en ze vrezen buitengewoon.
12 En is zoon van deze Efratiet uit B in en zijn naam is . En hij heeft acht zonen, en de man was in de dagen van oud geworden onder de stervelingen.
13 En de drie oudste zonen van gaan; zij gingen achter naar de oorlog. En de namen van zijn drie zonen die naar de oorlog gingen zijn , de eerstgeborene, en de tweede is en de derde is .
14 En is de jongste. En de drie oudsten gingen achter .
15 En gaat en keert terug van om de schaapskudde van zijn vader te laten grazen in Beth-Lehem.
16 En de Filistijn komt naderbij, vroeg en als het avond wordt, en hij plaatst zichzelf veertig dagen.
17 En zegt tot , zijn zoon: "Neem, alstublieft, voor jouw broeders een efa van dit geroosterde graan en deze tien broden, en ren naar het kamp van jouw broeders.
18 En tien van deze melkkazen zal jij naar de leider van de duizend brengen, en jouw broeders zal jij controleren op hun welzijn en hun zekerheid zal jij nemen."
19 En en zij, en alle mannen van in de vallei van , vechten met de Filistijnen.
20 En staat vroeg in de morgen op en hij laat de schaapskudde over aan een herder en hij gaat zoals hem opdroeg. En hij komt in de omheining. En het leger gaat uit naar de stelling en zij schreeuwden om de oorlog.
21 En en de Filistijnen stellen zich op, om stelling tegen stelling te ontmoeten.
22 En laat zijn artikelen achter in de hand van een bewaarder van de artikelen en hij rent naar de stelling. En hij komt en hij vraagt naar het welzijn van zijn broeders.
23 En hij spreekt met hen en zie!, een man komt op in het niemandsland; de Filistijn is zijn naam, uit , uit de stellingen van de Filistijnen. En hij spreekt zoals deze woorden en hoort het.
24 En alle mannen van , bij het zien van de man, vluchten van voor zijn aangezicht. En zij zijn buitengewoon bang.
25 En de mannen van zeggen: "Zien jullie deze man die opkomt? Want hij komt op om te verachten. En het gebeurt dat de man die hem slaat door de koning zeer rijk gemaakt zal worden. Hij zal hem zijn dochter geven en het huis van zijn vader zal hij vrij maken in ."
26 En spreekt tot de stervelingen die bij hem staan, zeggend: "Wat zal gedaan worden voor de man die deze Filistijn slaat en de verachting van wegneemt? Want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van de levende Elohim veracht?"
27 En het volk spreekt tot hem naar dit woord, zeggend: "Zo zal voor de man gedaan worden die hem zal slaan."
28 En , zijn oudste broeder, hoort zijn spreken tot de stervelingen en de boosheid van is heet tegen en hij zegt: "Waarom kwam jij af en bij wie liet jij die weinigen van de schaapskudde achter in de wildernis? Ik, ik ken jouw hoogmoedigheid en het kwaad van jouw hart, want jij bent afgekomen om de strijd te zien."
29 En zegt: "Wat deed ik nu? Is er geen bericht?"
30 En hij keert weg van naast hen naar voor een ander en hij zegt naar dit woord en het volk antwoordt hem naar het eerste woord.
31 En de woorden die sprak worden gehoord en zij vertellen het voor het aangezicht van ; en hij neemt hem bij zich.
32 En zegt tot : "Het moet niet zo zijn dat het hart van een mens op hem valt. Uw dienaar zal gaan en hij vecht met deze Filistijn."
33 En zegt tot : "Jij bent niet in staat om naar deze Filistijn te gaan, om met hem te vechten. Jij bent een jongen en hij is een man van oorlog vanaf zijn jeugd."
34 En zegt tot : "Uw dienaar werd herder voor zijn vader bij de schaapskudde; en de leeuw kwam - en de beer - en nam een lammetje weg van de kudde.
35 En ik ging uit, achter hem aan, en ik sloeg hem en redde uit zijn mond. En hij staat op tegen mij en ik hield zijn baard vast en ik sloeg hem en ik bracht hem ter dood.
36 Uw dienaar sloeg zowel de leeuw als de beer, en deze onbesneden Filistijn wordt als een van hen, want hij verachtte de slagorden van de levende Elohim."
37 En zegt: "Jahweh, Die mij redde van de klauw van de leeuw en van de klauw van de beer, Hij, Hij zal mij redden uit de hand van deze Filistijn." En zegt tot : "Ga, en Jahweh zal met jouw zijn."
38 En kleedt met zijn jassen en hij gaf een koperen helm op zijn hoofd en hij trekt hem een maliënkolder aan.
39 En gordt zijn zwaard om op zijn jassen. En hij is geneigd om te gaan, want hij had het nooit geprobeerd. En zegt tot : "Ik ben niet in staat om in deze te gaan, want ik probeerde het niet." En legt ze van zich af.
40 En hij neemt zijn stok in zijn hand en hij kiest voor zich vijf gladde stenen uit de waterloop en hij doet ze in zijn herderstas die bij hem is en in zijn zak. En zijn slinger was in zijn hand. En hij komt dichtbij de Filistijn.
41 En de Filistijn gaat door, gaande en naderend tot , en de man draagt het schild voor zijn aangezicht.
42 En de Filistijn kijkt en hij ziet en hij veracht hem, want hij was een jongeman en roodachtig, met een liefelijk voorkomen.
43 En de Filistijn zegt tot : "Ben ik een hond dat jij tot mij komt met stokken?" En de Filistijn kleineert door zijn elohims.
44 En de Filistijn zegt tot : "Kom naar mij toe, dan zal ik jouw vlees geven aan de vogel van de hemelen en aan de beesten van het veld."
45 En zegt tot de Filistijn: "Jij komt naar mij toe met een zwaard en met een speer en met een pijl, maar ik kom naar jou toe in de naam van Jahweh der menigten, Elohim van de slagorden van , die jij verachtte.
46 Deze dag zal Jahweh jou overgeven in mijn hand en ik sla jou en ik neem jouw hoofd van jou weg, en ik geef het lijk van het kamp van de Filistijnen vandaag aan de vogel van de hemelen en het dier van het land. En heel het land zal weten dat er een Elohim voor is.
47 En heel deze vergadering zal weten dat Jahweh niet door het zwaard en de speer zal redden, want de strijd is voor Jahweh en Hij geeft jullie in onze hand." [Hebr. 11:32,33]
48 En het gebeurt dat de Filistijn opstond en hij gaat. En hij komt naderbij om te ontmoeten. En haast zich en hij rent naar de stelling om de Filistijn te ontmoeten.
49 En doet zijn hand in zijn tas en hij neemt daaruit een steen. En hij slingert en hij slaat de Filistijn tegen zijn voorhoofd. En de steen zinkt in zijn voorhoofd. En hij valt op zijn aangezicht op het land.
50 En is sterker dan de Filistijn, met een slinger en met de steen, en hij slaat de Filistijn en hij brengt hem ter dood. En er is geen zwaard in de hand van .
51 En rent en hij staat voor de Filistijn. En hij neemt zijn zwaard en trekt die uit zijn schede en hij brengt hem ter dood. Hij hakt zijn hoofd er mee af. En de Filistijnen zien dat hij dood is, hun machtige man, en zij vluchten.
52 En de stervelingen van en staan op en zij juichen. En zij achtervolgen de Filistijnen tot zo ver als men komt tot het ravijn en tot zo ver als de poorten van . En de gewonden van de Filistijnen vallen op de weg naar en tot aan en tot aan .
53 En de zonen van keren terug van het voortstormen achter de Filistijnen en zij beroven hun kampen.
54 En David neemt het hoofd van de Filistijn en hij brengt het naar , en zijn uitrusting plaatste hij in zijn tent.
55 En toen David uit zag gaan om de Filistijn te ontmoeten, zei hij tot , de leider van de menigte: "Wiens zoon is deze jongeman, ?" En zegt: "Het leven van uw ziel, koning, als ik het weet."
56 En de koning zegt: "Vraag jij wiens zoon deze jongeling is."
57 En bij het terugkeren van van het slaan van de Filistijn, vraagt hem en hij brengt hem voor het aangezicht van , en het hoofd van de Filistijn is in zijn hand.
58 En zegt tot hem: "Wiens zoon ben jij, jongeman?" En zegt: "Een zoon van uw dienaar, , de Bethlehemiet."
Terug naar de indexpagina
Naar 1Samuël 18
|
|