| |
(Ga met de muis op een onderstreept woord of tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En er was een man van , uit het gebergte van , en zijn naam was , zoon van , zoon van , zoon van , zoon van , een Efratiet.
2 En hij had twee vrouwen. De naam van de een was , en de naam van de ander was . En het gebeurt dat kinderen heeft, maar voor zijn er geen kinderen.
3 En deze man ging van tijd tot tijd op uit zijn stad om te aanbidden en om te offeren aan Jahweh van menigten, in . En de namen van twee zonen van zijn en , priesters van Jahweh.
4 En de dag komt dat offert; en hij geeft aan , zijn vrouw, en aan al haar zonen en haar dochters, toegewezen delen.
5 En aan geeft hij een dubbel toegewezen deel, want hij hield van . En Jahweh sloot haar baarmoeder.
6 En haar rivaal plaagde haar ook met kwelling om haar te ontmoedigen, omdat Jahweh haar baarmoeder toesloot.
7 En zo doet hij jaar na jaar. Zo vaak als zij opging naar het huis van Jahweh, zo plaagt zij haar. En zij huilt en zij eet niet.
8 En , haar man, zegt tot haar: ", waarom huil je en waarom eet je niet? En waarom voelt jouw hart zich slecht? Ben ik voor jou niet beter dan tien zonen?"
9 En staat op na in te hebben gegeten en na te drinken. En , de priester, zit op de bedekte zetel bij de deurpost van de tempel van Jahweh.
10 En zij is bitter van ziel en zij bidt tot Jahweh en zij huilt veel.
11 En zij belooft een belofte en zij zegt: "Jahweh van menigten, indien U zeker kijkt naar de vernedering van Uw dienares en U herinnert mij en U vergeet Uw dienares niet, geef dan Uw dienares zaad van stervelingen. Dan geef ik hem aan Jahweh, alle dagen van zijn leven, en een schaar zal niet op zijn hoofd komen." [Num. 6:5]
12 En het gebeurt dat zij toenam met te bidden voor het aangezicht van Jahweh. En neemt haar mond waar.
13 En , zij spreekt met haar hart, maar alleen haar lippen bewegen en haar stem wordt niet gehoord. En houdt haar voor dronken.
14 En zegt tot haar: "Tot wanneer zal jij dronken zijn? Doe jouw wijn weg van jou!"
15 En antwoordt en zij zegt: "Nee, mijn heer. Ik ben een vrouw met een zware geest; wijn en sterke dronk ik niet en ik stort mijn ziel uit voor het aangezicht van Jahweh.
16 Het moet niet zo zijn dat u uw dienares houdt voor een dochter van waardeloosheid, want ik heb tot hier gesproken van de veelheid van mijn meditatie en van mijn kwelling."
17 En antwoordt en hij zegt: "Ga in vrede en de Elohim van Israel zal jou je verzoek geven dat je van Hem vroeg."
18 En zij zegt: "Uw dienares zal gunst vinden in uw ogen." En de vrouw gaat haar weg, en zij eet en haar gezicht was niet langer tegen haar.
19 En zij staan vroeg in de morgen op en zij aanbidden voor het aangezicht van Jahweh. En zij keren terug naar hun huis in de buurt van . En kent , zijn vrouw, en Jahweh herinnert haar.
20 En het gebeurt bij de omwenteling van de dagen, dat zwanger wordt. En zij baart een zoon en zij noemt zijn naam , want (zo zei ze) ik vroeg hem van Jahweh.
21 En de man, , gaat op met heel zijn huishouding, om aan Jahweh het offer van de dagen te offeren, en zijn belofte.
22 En ging niet op, want ze zei tot haar man: "Totdat de jongen gespeend is, dan breng ik hem en verschijnt hij voor het aangezicht van Jahweh en verblijft hij daar tot de aion."
23 En , haar man, zegt tot haar: "Doe jij het goede in jouw ogen; zit tot jij hem speent. Ja, Jahweh zal zijn woord bevestigen." En de vrouw zit en zij zoogt haar zoon totdat zij hem speent.
24 En zij brengt hem met haar op toen zij hem gespeend had, met drie jonge stieren en een efa meel en een kruik wijn. En zij brengt hem in het huis van Jahweh in . En de jongen is zeer jong.
25 En zij slachten de jonge stier en zij brengen de jongen bij .
26 En zij zegt: "O, mijn heer, uw ziel leeft! Mijn heer, ik ben de vrouw die met u stond in deze plaats om te bidden tot Jahweh.
27 Voor deze jongen bad ik. En Jahweh geeft aan mij mijn verzoek dat ik van Hem vroeg.
28 En bovendien geef ik hem als een lening aan Jahweh, alle dagen die hij wordt; hij is voor Jahweh gevraagd." En hij buigt zich daar neer voor Jahweh.
Terug naar de indexpagina
Naar 1Samuël 2
|
|