| |
(Ga met de muis op een onderstreept woord of tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 Een zoon van een jaar is in zijn koning zijn, en in zijn tweede jaar heerste hij over .
2 En kiest voor zich drieduizend mannen uit ; en zij waren met , tweeduizend in en in het gebergte van Beth-El, en duizend waren er met in van . En de rest van het volk zond hij weg, een ieder naar zijn tenten.
3 En slaat een garizoen van de Filistijnen dat in is. En de Filistijnen horen het. En blies in de trompet in heel het land, zeggend: "De Hebreeën zullen horen."
4 En heel hoorde, zeggend: " sloeg een garizoen van de Filistijnen," en ook " is een slechte geur onder de Filistijnen." En het volk wordt opgeroepen achter , naar .
5 En de Filistijnen werden samengebracht om te vechten tegen ; dertigduizend strijdwagens en zesduizend ruiters en volk in een menigte die is als het zand dat is aan kust van de zee. En zij komen op en zij slaan het kamp op in , ten oosten van .
6 En de mannen van zagen dat er voor hen benauwdheid was, want het volk stond onder zware druk. En het volk verbergt zich in de grotten en in de distels en in de kloven en in de kelders en in de putten.
7 En Hebreeën staken de over naar het land van en . En is nog in en heel het volk beefde achter hem.
8 En hij wacht zeven dagen, tot de afgesproken tijd die zei. En kwam niet naar . En het volk wordt van hem verstrooid. [1Sam. 10:8]
9 En zegt: "Breng het opstijgoffer naar mij toe en de vredeaanbiedingen." En hij offert het opstijgoffer.
10 En het gebeurt als hij klaar is met het offeren van het opstijgoffer, dat zie!, komt! En gaat uit om hem te ontmoeten, om hem te zegenen.
11 En zegt: "Wat deed je?" En zegt: "Omdat ik zag dat het volk van mij verstrooid werd en u niet kwam op de afgesproken tijd van de dagen, en de Filistijnen zijn bijeen gebracht bij ,
12 zeg ik: Nu zullen de Filistijnen naar mij afdalen naar en ik heb het aangezicht van Jahweh niet gesmeekt. En ik controleer mijzelf en ik offer het opstijgoffer."
13 En zegt tot : "Jij was dwaas! Jij nam de opdracht van Jahweh, jouw Elohim, niet waar, die Hij jou opdroeg, want nu vestigde Jahweh jouw koninkrijk over tot de aion.
14 Maar nu zal jouw koninkrijk niet bevestigd worden. Jahweh zocht voor zich een man naar Zijn hart en Jahweh zal hem opdragen als heerser over Zijn volk, omdat jij niet waarnam wat Jahweh jou opdroeg." [Hand. 13:22]
15 En staat op en hij gaat op van naar van . En monstert het volk dat met hem gevonden wordt, ongeveer zeshonderd mannen.
16 En en , zijn zoon, en het volk dat met hen gevonden wordt, zitten in van . En de Filistijnen sloeg hun kamp op in .
17 En de vernieler gaat op uit het kamp van de Filistijnen, drie hoofden. Één hoofd keert zich naar de weg van , naar het land van .
18 En één hoofd keert zich naar de weg van en het andere hoofd keert zich naar de weg van het grensgebied dat uitkijkt over het ravijn van de , in de richting van de wildernis.
19 En een handwerksman wordt in heel het land van niet gevonden, want de Filistijnen zeiden: "Anders gaan de Hebreeën zwaard of speer maken."
20 En heel gaat naar de Filistijnen om ieders ploeg te smeden en zijn houweel en zijn bijl en zijn ploeg.
21 En er was een vijl voor de ploegen en voor de hak en voor de drietandige vork en voor de bijlen en om de sporen aan te zetten.
22 En het gebeurt in de dag van de strijd, dat er geen zwaard en speer in de hand werd gevonden van het volk dat met en was. Maar het werd gevonden bij en bij , zijn zoon.
23 En de legerplaats van de Filistijnen gaat uit naar de pas van .
Terug naar de indexpagina
Naar 1Samuël 14
|
|