Geworteld en gegrondvest in liefde
studies in Efeziërs

deel 27
Enkele redeneringen ontmaskerd.
door A.E.Knoch.

De heerlijke waarheid van het "geheim" wordt uiteen gezet in Paulus' brief aan de Efeziërs. Deze brief is een ordelijke bespreking van de nieuwe onthulling en haar relatie met eerder onthulde waarheid. De enig veilige manier om kennis van de huidige waarheid te verwerven is het bewijs te volgen en te berusten in wat er uit voortkomt. Maar dit is niet de gebruikelijke methode. Het schijnt ons beter te passen om zelf te gaan redeneren. Zo vinden we dat de meeste uiteenzettingen over deze geheime bediening een serie van beweringen is die gebaseerd zijn op het wazige idee dat het geheim een absoluut nieuwe leer is, zonder enige band met wat er aan vooraf ging. Het derde item van het geheim (Efe. 3:6) stelt beslist dat Paulus' eerdere evangelie er bij betrokken is. Maar de gebruikelijke gevolgtrekking uit het woord "geheim" is dat heel het verleden vrijwel uitgewist wordt.

"De grens van de bedeling."

De periode van Handelingen was een overgangsperiode. Op hetzelfde moment liepen twee bewegingen met elkaar op. Niet alleen hebben we het verslag in Handeling, dat de verwerping van het Koninkrijk noteert, maar we hebben, tijdens de tweede helft, ook Paulus' brieven, die voorbereiden op de huidige genade. Indien iemand een "bedelingsgrens" wenst, zal hij die vinden in Paulus' eerdere brieven en aangepast zien worden in zijn latere brieven. God begon Zich niet naar de heiden te keren nadat Paulus in Rome was aangekomen. Hij was, door Paulus, al lang tevoren met hen bezig. Deze vroege brieven zijn niet slechts aanvullingen op Handelingen, ze gaan vrijwel exclusief over waarheid die buiten het bereik valt van Handelingen. Zij geven ons Paulus' evangelie, dat de Efeziërs inlijft in het geheim.

Plaatsen van woorden.

Op dit moment willen wij ons absoluut gebrek aan vertrouwen vastleggen in een methode van Bijbelstudie waar men vaak een beroep op doet bij het vergelijken van Paulus' brieven met die van de Besnijdenis en ook bij het tegenstellen van zijn laatste brieven met de voorbereidende brieven. Ons wordt gevraagd te geloven dat Paulus' vroege brieven "Joods" zijn, omdat Abrahams naam negentien maal in hen voorkomt en nooit in Efeziërs, Filippenzen en Kolossenzen. Zo'n bewering is buitengewoon onredelijk. Het bewijst ook dat geen van de Besnijdenisbrieven Joods zijn, behalve Hebreeën, Jacobus en Twee Petrus, want in deze ontbreekt ook de naam!

Trouwens, Abraham was geen Jood! Hij was geen Israeliet. Het veelvuldig voorkomen van zijn naam in de vroege Paulinische brieven is grotendeels te danken aan het feit dat zegenen niet Joods is, maar terug gaat naar het geloof van Abraham, voordat hij besneden werd, en geheel buiten zijn vleselijke zaad om. Hoe irrationeel is de redenering die uit de aanwezigheid er van in deze brieven een totaal tegengestelde conclusie afleidt dan die waarvoor ze werd geïntroduceerd! In plaats van te leren dat de heidenen op Joodse gronden gezegend worden, bewijst het dat de Joden terug moeten gaan naar heidense gronden

Verwerp alle beweringen die gebaseerd zijn op aanwezigheid of afwezigheid van woorden. Paulus gebruikt het woord "wet" meer dan honderd maal. Petrus en Johannes noemen het in hun brieven nooit. Zullen we dan concluderen dat Paulus en de natiën (inclusief de Efeziërs en de Filippenzen) onder de wet waren, en dat de Besnijdenisapostelen dat niet waren? Hoe verkeerd zou dat zijn! Gezond redeneren zou doen denken dat Petrus en Johannes zo grondig onder de wet waren dat zij het zelfs niet nodig achten dit feit te melden, terwijl Paulus het nodig vindt zijn vrijheid van wettelijke banden te benadrukken.

We roepen allen die proberen diep in Gods woord en de waarheid voor vandaag te graven, nederig maar dringend op dit misleidende middel te verwerpen. Het is totaal onnodig. Het verduistert raadgeving. Indien iemand volhardt in zulk een bewering, laat hem dan in zijn gevolgtrekkingen alle andere geschriften insluiten die dezelfde kenmerken hebben. In vrijwel ieder geval zal hun resultaat gereduceerd worden tot een absurditeit. Er zijn voorvallen waar de aanwezigheid of afwezigheid van een woord of naam suggestief is, zoals bijvoorbeeld de afwezigheid van Yahweh in het boek Ester en haar aanwezigheid in een de vorm van een naamdicht. In andere gevallen is het altijd noodzakelijk te weten waarom een woord voorkomt, voordat we in desastreuze gevolgtrekkingen vervallen.

De verbonden.

Het is van belang op te merken dat God een nieuw verbond met Israel zal maken (Jer. 31:31). Hij maakt het niet met de andere natiën. Het is niet minder van belang op te merken dat de zegeningen van het nieuwe verbond niet tot hen beperkt zullen zijn. Zelfs het land zal niet van vreemden verschoond zijn. Het zal door het lot ook onder de vreemden verdeeld worden die onder hen zullen verblijven, die voor hen zullen zijn als waren zij in het land geboren. Zij zullen een lotdeel hebben met de stammen van Israel (Eze. 47:22). Tijdens de overgangsperiode van het boek Handelingen hadden zij uit de natiën die geloofden, een soortgelijke positie als deze. Zij waren gasten van de verbondsbeloften (Efe. 2.12). Zij die het geheim ontvangen hadden, waren nauw met de verbonden van Israel verbonden geweest.

Laten we niet losjes beweren dat, omdat de verbonden met Israel gesloten waren en niet deel uitmaakten van "het geheim," zij die het geheim ontvingen daarom nooit enige band met hen gehad kunnen hebben. Deze veronderstellingen zijn halve waarheden. Zij leiden ons naar een rechtstreeks conflict met de duidelijke uitspraken van de Schrift. Efeziërs, dat ons de meest volledige onthulling van deze geheime bediening geeft, staat er absoluut op dat haar lezers, die de eersten waren om het geheim te horen en aanvaarden, gasten waren van de verbonden. Dit wordt bevestigd door de voorbereidende brieven. Paulus verbindt de Korinthiërs met het nieuwe verbond in zijn speciale presentatie van de maaltijd van de Heer (1Kor. 11:25). Hij zegt niet dat het met hen werd gemaakt. Hij stelt eenvoudig dat het bloed dat het bekrachtigt, voor hen was vergoten.

Laten we opmerken dat deze verwijzing naar het nieuwe verbond nauw verbonden is met de leer over de "gemeente die Zijn lichaam is." Het een is in het elfde en het ander in het twaalfde hoofdstuk van 1 Korinthiërs. Er kan geen twijfel over bestaan dat deze gelovigen, tegelijkertijd, gasten van Israels verbond waren én leden van Christus' lichaam. De waarheid van het lichaam is aangepast geworden door de latere onthullingen. Nu is het een gezamenlijk lichaam. Toen deze heiligen de Efeze-onthulling ontvingen, verbraken zijn hun band met de verbonden, en nu komt zegen rechtstreeks naar ons. Zij waren niet langer gast (Efe. 2.19). Maar laten we niet vergeten dat zijn dat wel geweest waren!

Er is in Korinthiërs niets om aan te tonen dat zij een verbond gesloten hadden. Zij werden eenvoudig met Israel gezegend, wat tijdens de aionen de normale plaats is van heidenen in het vlees. De zinsnede "bloed van het nieuwe verbond" is zeer kenmerkend voor hun zegen. Israel had het nieuwe verbond niet ontvangen, maar de heidenen waren al bezig de voordelen er van te oogsten. En we moeten ons bewust zijn dat ditzelfde bloed de basis is van al onze zegen, ook al komt het tot ons zonder de tussenkomst van een verbond. Laten we nauwkeurig noteren wat er precies in Efeziërs wordt gezegd over onze band met Israels verbonden. Dit is beter dan een rits van losse beweringen op te zetten die ons er toe leiden te verwerpen wat we in de voorbereidende brieven vinden, in plaats van het aan te passen om overeen te stemmen met de latere onthullingen.

Bewust als men is dat zeer veel in Paulus' voorbereidende brieven de basis vormt voor de gevangenisbrieven, is er wel verondersteld dat zijn leer en evangelie wel behouden moeten worden, maar de "bedelings"kenmerken moeten worden afgewezen. Dit is een menselijke regel, uitgedrukt in menselijke woorden, die zo onbepaald zijn dat zij de hele zaak over laten aan onze vooroordelen. Wat is volgens de bedeling? Wat niet? Wat er echt bedoeld wordt is dat er speciale kenmerken van de bediening zijn die vooraf gingen aan het heden en niet waar zijn voor vandaag. "Eerst de Jood" (Rom. 1:16; 2:9,10), "de heidenen deelnemen aan hun geestelijke goederen" (Rom. 15:27;SW), etc, zijn tegengesteld aan het derde item van het geheim, dat de natiën nu gezamenlijk deelnemers zijn, en moeten daarom worden aangepast.

De onthulling van het "geheim" bracht de Onbesnedenheid op een gelijk niveau met de Besnijdenis. Paulus staat niet toe dat zij aan wie hij had geschreven deelnamen aan het falen van het Koninkrijk. Al dezen, de Thessalonicenzen, de Romeinen, de Korinthiërs en de Galaten, ontvangen deze toegevoegde genade. Een kleine aanpassing (Efe. 4:12) in eerdere leer is nodig er mee overeen te stemmen. Dit kan alleen gedaan worden door een nauwkeurige overweging van de volledige bespreking van het geheim zoals dat in Efeziërs wordt ontvouwd. Ons punt is dat we niet langer gasten van Israels verbonden zijn. Opdat wij niet ten onrechte redeneren dat de uitdrukking "bloed van het nieuwe verbond" de herinnering (1Kor. 11:25) krachteloos maakt, heeft de Geest van God zorgvuldig het punt bewaakt door daar achter te schrijven "totdat Hij komt".




Naar deel 28

Terug naar de indexpagina van Studies in Efeziëers

Dit artikel werd hier geplaatst met toestemming van
©Concordant Publishing Concern
en mag niet zonder toestemming van deze worden overgenomen
in druk of op het internet.

©Concordant Publishing Concern