| |
(Ga met de muis op een onderstreept woord staan, dan ziet u de tekst)
1 En het gebeurt in de dagen dat de richters richten, dat er hongersnood kwam in het land en een man gaat van in Juda om bij te wonen in de velden van , hij en zijn vrouw en zijn twee zonen.
2 En de naam van de man is en de naam van zijn vrouw is en de namen van zijn twee zonen zijn en , Efratieten uit in . En zij komen in de velden van Moab en zij bleven daar.
3 En , de man van Naomi, sterft, en zijn blijft achter, zij en haar twee zonen.
4 En zij nemen voor zich Moabitische vrouwen. De naam van de ene was en de naam van de tweede is . En zij verbleven daar ongeveer tien jaren.
5 En ook en sterven beide en de vrouw blijft achter zonder haar twee jongens en zonder haar man.
6 En zij staat op met haar schoondochters en zij keert terug uit de velden van Moab, want zij hoorde in het veld van dat Jahweh Zijn volk bezocht om aan hen brood te geven.
7 En zij gaat uit van de plaats waar zij was geweest. En haar twee schoondochters waren met haar en zij gaan op weg om terug te keren naar het land van .
8 En zegt tot haar twee schoondochters: "Gaat, keert terug, elk naar het huis van haar moeder. Jahweh zal met jullie vriendelijk handelen, zoals jullie deden met die dood zijn en met mij.
9 Jahweh zal aan jullie geven dat jullie elk een rustplaats vinden in het huis van haar echtgenoot." En zij kust ze en zij verheffen hun stem en zij huilen.
10 En zij zeggen tot haar: "Wij zullen zeker met u terugkeren naar uw volk."
11 En Naomi zegt: "Keert terug, mijn dochters. Waarom zouden jullie met mij mee gaan? Heb ik nog zonen in mijn buik en worden die voor jullie tot stervelingen?
12 Keert terug, mijn dochters. Gaat, want ik ben te oud om voor een man te worden. Wanneer ik al zeg: Er is voor mij verwachting, zelfs als ik vannacht tot een man behoorde, zelfs als ik zonen baarde,
13 tenzij jij vooruit kijkt tot wanneer ze opgroeien, tenzij jullie afzien zodat jullie niet van een man worden? Het moet niet zo zijn, mijn dochters, want het is voor mij buitengewoon bitter, want de hand van Jahweh ging uit, tegen mij."
14 En zij verheffen hun stemmen en zij huilen opnieuw. En kust de moeder van haar echtgenoot, maar klemde zich aan haar vast.
15 En zij zegt: "Zie!, jouw schoonzus keerde terug naar haar volk en naar haar elohim. Keer jij terug, achter jouw schoonzus aan."
16 En zegt: "Het moet niet zo zijn dat u tussenbeide komt tegen mij, om u te verlaten, om weg te keren van achter u, want waarheen u gaat zal ik gaan, en waar u overnacht zal ik overnachten. Uw volk is mijn volk en uw Elohim is mijn Elohim.
17 Waar u sterft zal ik sterven, en daar zal ik begraven worden. Zo zal Jahweh met mij doen en zo zal Hij toevoegen wanneer de dood scheiding zal brengen tussen u en tussen mij."
18 En zij begrijpt dat zij vastbesloten is om met haar mee te gaan en zij houdt op met tegen haar te spreken.
19 En zij gaan, de twee, tot zij komen bij . En het gebeurt als zij in komen, dat heel de stad over hen in beroering raakt. En zij zeggen: "Is dit ?"
20 En zij zegt tot hen: "Het moet niet zo zijn dat jullie mij Naomi noemen, noemt mij , want Hij Die Volstaat*1) bracht intense bitterheid over mij.
21 Ik was vol toen ik ging en Jahweh deed mij leeg terugkeren. Waarom zullen jullie mij Naomi noemen, wanneer Jahweh mij vernederde en Hij Die Volstaat mij kwaad deed?"
22 En keert terug, en , haar Moabitische schoondochter, is bij haar, die uit de velden van terug kwam. En zij, zij kwamen in in het begin van de gersteoogst.
*1) Hij Die Volstaat: El Shaddai.
Terug naar de indexpagina
Naar Ruth 2
|
|