| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En valt op het gezicht van zijn vader en hij huilt over hem en hij kust hem.
2 En draagt zijn dienaren op, zij die genezen, zijn vader te balsemen. En de genezers balsemen .
3 En zij vervullen voor hem veertig dagen, want zo vullen zij de dagen van het balsemen. En de naren beklagen hem zeventig dagen.
4 En de dagen van zijn beklagen gaan voorbij en spreekt tot de huishouding van , zeggend: "Alstublieft! Indien ik in uw ogen genade vond, spreekt alstublieft in de oren van , zeggend:
5 'Mijn vader deed mij zweren, zeggend: 'Zie! Ik sterf! In mijn tombe, die ik voor mijzelf uitgroef in het land van , daar zul jij mij begraven.' En nu zal ik opgaan en, alstublieft, en ik zal mijn vader begraven en ik zal terugkeren." [Gen. 47:29-31]
6 En zegt tot : "Ga op en begraaf jouw vader zoals hij jou deed zweren."
7 En gaat op om zijn vader te begraven. En zij gaan met hem op, alle dienaren van , de oudsten van zijn huishouding en alle oudsten van het land van ,
8 en heel de huishouding van en zijn broers en de huishouding van zijn vader, behalve hun kleuter. En hun schaapskudde en hun grootvee lieten zij in het land van .
9 En met hem gaan ook strijdwagens op en ook ruiters. En het kamp was buitengewoon groot.
10 En zij komen bij de dorsplaats van de , die aan de andere zijde van de is. En zij rouwklagen daar, een grote en buitengewoon zware rouwklacht. En hij maakt voor zijn vader een rouw van zeven dagen.
11 En die woont in het land van , ziet de rouwenden op de dorsplaats van de . En zij zeggen: "Dit is een zware rouw voor naren." Daarom noemt hij de naam , wat is voorbij de .
12 En zijn zonen doen voor hem zoals hij hen opdroeg.
13 En zijn zonen dragen hem naar het land van , en zij begraven hem in de grot in het veld van , het veld dat kocht, tot bezit van de tombe, van , de Hittiet, tegenover . [Hand. 7:16]
14 En keert, na het begraven van zijn vader, terug naar , hij en zijn broers en allen die met hem gingen om zijn vader te begraven.
15 En de broers van zien dat hun vader dood was, en zij zeggen: "Stel dat een wrok tegen ons heeft, dan zal hij het ons zeker vergelden, al het kwaad dat wij hem bezorgd hebben."
16 En zij dragen aan op, zeggend: "Jouw vader gaf jou instructies vóór zijn dood, zeggend:
17 'Zo zullen jullie zeggen tot ! O, alstublieft! Verdraag de overtreding van jouw broers en hun zonde, want zij hebben jou kwaad bezorgd.' En nu verdraag alstublieft de overtreding van de dienaren van de Elohim van jouw vader." En huilt als hij tot hen spreekt.
18 En ook gaan zijn broers en zij vallen op hun gezichten en zij zeggen: "Zie ons! Wij zijn jouw dienaren!"
19 En zegt tot hen: "Jullie moeten niet bang zijn, want ben ik in de plaats van God?
20 En jullie, jullie beraamden kwaad tegen mij. Elohim beraamde het ten goede, zodat op deze dag veel volk in leven gehouden zou worden.
21 En nu moeten jullie niet bang zijn. Ik, ik zal jullie onderhouden en jullie kleuter." En hij bemoedigt hen en hij spreekt tot hun hart.
22 En verblijft in , hij en de huishouding van zijn vader. En leeft honderdentien jaren.
23 En ziet de zonen van tot de derde generatie. Ook de zonen van , zoon van , werden op de knieën van geboren.
24 En zegt tot zijn broers: "Ik ben stervend. En Elohim zal jullie zeker bezoeken en Hij brengt jullie van dit land naar het land dat Hij aan , en aan heeft gezworen.
25 En doet de zonen van zweren, zeggend: "Elohim zal jullie zeker bezoeken, en jullie zullen mijn beenderen van hier meenemen." [Hebr. 11:22]
26 En sterft, een zoon van honderdentien jaren. En zij balsemen hem en hij wordt in een kist geplaatst in .
Terug naar de indexpagina
|
|