| |
(Ga met de muis op een onderstreepte naam of op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En was niet in staat zichzelf in bedwang te houden voor allen die bij hem stonden. En hij roept: "Gaat van mij weg, iedereen!" En er stond geen man bij hem toen zich aan zijn broers bekend maakte. [Hand. 7:13]
2 En hij geeft zijn stem over aan klagen en de Egyptenaren horen het en de huishouding van hoort het.
3 En zegt tot zijn broers: "Ik ben ! Leeft mijn vader nog?" En zijn broers waren niet in staat hem te antwoorden, want zijn waren in verwarring gebracht voor zijn aangezicht.
4 En zegt tot zijn broers: "Komt alstublieft dicht bij mij!" En zij komen dichtbij en hij zegt: "Ik ben , jullie broer, die jullie verkochten naar .
5 En nu moeten jullie niet bedroefd zijn en het moet niet heet zijn in jullie ogen dat jullie mij naar hier verkochten, want om leven te bewaren zond Elohim mij voor jullie aangezichten.
6 Want deze twee jaren is de hongersnood in het land en er komen nog vijf jaren waarin er geen ploegen of oogsten is.
7 En Elohim zendt mij voor jullie aangezichten om een plaats voor jullie te maken, een overblijfsel in het land en jullie levend te bewaren, tot een grote verlossing.
8 En nu: niet jullie zonden mij tot hier, maar de Elohim. En Hij plaatst mij tot vader over en tot heer over heel zijn huishouding en als iemand die heerst in heel het land van .
9 Haast je, gaat op naar mijn vader en zegt tot hem als volgt: 'Zo zegt uw zoon : Elohim plaatste mij als heer over . Daal naar mij af. U moet daar niet blijven.[Hand. 7:14]
10 Verblijf in het land en kom dicht bij mij, u en uw zonen en de zonen van uw zonen en uw schaapskudde en uw grootvee en al wat van u is.
11 En ik ondersteun u daar, want de hongersnood duurt nog vijf jaren, zodat u niet behoeftig wordt, u en uw huishouding en al wat van u is.'
12 En zie!, jullie ogen, en de ogen van mijn broer , zien dat het mijn mond is die tot jullie spreekt.
13 En vertelt mijn vader over al mijn heerlijkheid in en al wat jullie zagen. Haast je en brengt mijn vader hierheen."
14 En hij kust al zijn broers en hij huilt op hen. En daarna spraken zijn broers met hem.
15 En de stem werd gehoord in het huis van , zeggend: "Broers van kwamen." En het is goed in de ogen van en in de ogen van zijn dienaren.
16 En zegt tot : "Zeg tot jouw broers: 'Doet dit, spoort jullie dieren aan en gaat. Komt naar het land , [Hand. 7:13]
17 en neemt jullie vader en jullie huishoudens en komt naar mij toe en ik zal jullie het goede van het land geven. En eet het vette van het land.
18 En jullie wordt opgedragen dit te doen. Neemt voor jullie van het land van karren voor jullie kleuters en voor jullie vrouwen, en draagt jullie vader en komt.
19 En jullie ogen moeten niet klagen over jullie huisraad, want het goede van heel het land van is voor jullie.'"
20 En zo doen de zonen van . En geeft hen karren, naar bevel van , en hij geeft hen mondvoorraad mee voor onderweg.
21 Aan hen allen gaf hij per man wisselkledingstukken en aan Benjamin gaf hij driehonderd zilverstukken en vijf wisselkledingstukken.
22 En voor zijn vader zendt hij dit: tien ezels die goederen van dragen en tien ezelinnen die graan en brood dragen en onderhoud voor zijn vader, voor als die onderweg is.
23 En hij zendt zijn broers en zij gaan. En hij zegt tot hen: "Jullie moeten onderweg niet verontrust zijn."
24 En zij gaan op van en zij komen in het land van , bij hun vader .
25 En zij vertellen hem, zeggend: " leeft nog," en dat hij de heerser is in heel het land . En zijn hart raakt in een staat van verdoving, want hij geloofde hen niet.
26 En zij spreken tot hem alle woorden van , die hij tot hen sprak. En hij ziet de karren die zond om hem te dragen. En de geest van hun vader leeft.
27 En zegt: "Veel! , mijn zoon, leeft nog! Ik zal gaan en ik zal hem zien, voordat ik sterf!"
Terug naar de indexpagina
Naar Genesis 46
|
|