| |
1 En draagt op aan hem die over zijn huishouding is, zeggend: "Vul de zakken van de stervelingen met voedsel, zoveel als zij in staat zijn op te tillen en plaats het zilver van ieder in de mond van zijn zak.
2 En mijn beker, de beker van zilver, zul jij in de mond van de zak van de kleine plaatsen, met het zilver voor zijn levensmiddelen." En hij doet naar het woord dat spreekt.
3 De morgen brak aan en de stervelingen werden weggezonden met hun ezels.
4 En zij gingen weg van de stad, niet ver. En zei tot wie over zijn huishouding was: "Sta op! Ga de stervelingen achterna en haal hen in! En zeg tot hen: "Waarom betaalden jullie terug met kwaad en in plaats van goed?
5 Is deze niet waaruit mijn heer drinkt? En wanneer hij wichelt, wichelt hij in deze. Jullie deden kwaad door wat jullie deden!"
6 En hij haalt hen in en hij spreekt tot hen deze woorden.
7 En zij zeggen tot hem: "Waarom spreekt mijn heer deze woorden? Het zij verre van uw dienaren om zoiets te doen!
8 Zie! Het zilver dat wij vonden in de mond van onze zakken brachten wij aan u terug vanuit . En waarom zouden wij zilver en goud stelen uit het huis van uw heer?
9 Bij wie van uw dienaren hij gevonden zal worden, hij sterft en wij ook. Wij zullen tot dienaren worden van mijn heer."
10 En hij zegt: "Nu dan, naar jullie woorden, zo is het. Bij wie hij gevonden wordt, wordt mij tot dienaar en jullie, jullie zullen onschuldig zijn."
11 En zij haasten zich en ieder man laat zijn zak naar beneden, naar het land. En ieder opent zijn zak.
12 En hij zoekt. Hij begon bij de grote en hij eindigde bij de kleine. En de beker wordt gevonden in de zak van .
13 En zij scheuren hun kleding. En hij laadt elk op zijn ezel en zij keren terug naar de stad.
14 En en zijn broers komen bij het huis van . En hij is nog daar. En zij vallen op hun gezichten, naar het land.
15 En zegt tot hen: "Wat is deze daad die jullie deden? Weten jullie niet dat een man zoals ik wichel om waar te nemen?"
16 En zegt: "Wat zullen wij tot mijn heer zeggen? Wat zullen wij spreken? En hoe zullen wij onszelf rechtvaardigen? De Elohim vond verdorvenheid in uw dienaren. Zie ons, dienaren van mijn heer, zowel wij als hij bij wie de beker in zijn hand werd gevonden."
17 En hij zegt: "Het is verre van mij dit te doen! De man bij wie de beker in zijn hand werd gevonden, zal mij tot dienaar worden. En jullie? Gaat heen in vrede, naar jullie vader."
18 En komt dichtbij hem en hij zegt: "O mijn heer, alstublieft, uw dienaar zal een woord spreken in de oren van mijn heer en hij moet niet heet zijn in uw boosheid tegen uw dienaar, want u bent als .
19 Mijn heer vroeg zijn dienaren, zeggend: 'Is er bij jullie een vader of broer?'
20 En wij zeggen tot mijn heer: 'Er is bij ons een oude vader en een jongen van zijn oude dag, de kleine. En zijn broer is dood. En hij is alleen van zijn moeder overgebleven. En zijn vader houdt van hem.'
21 En u zegt tot uw dienaren: 'Breng hem naar mij toe, opdat ik mijn ogen op hem zal plaatsen.'
22 En wij zeggen tot mijn heer: "De jongen kan zijn vader niet verlaten. Als hij zijn vader verlaat, sterft hij.'
23 En u zegt tot uw dienaren: "Indien jullie broer, de kleine, niet met jullie komt, zullen jullie mijn gezicht niet meer zien.'
24 En het gebeurt dat wij opgingen naar uw dienaar, mijn vader, en wij hem de woorden van mijn heer vertellen.
25 En onze vader zegt: 'Keert terug, koopt voor ons een weinig voedsel.'
26 En wij zeggen: 'Wij kunnen niet afdalen als onze broer, de kleine, niet bij ons is. En als we afdalen zullen wij niet in staat zijn het gezicht van de man te zien, als onze broer, de kleine, niet bij ons is.'
27 En uw dienaar, mijn vader, zegt tot ons: 'Jullie, jullie weten dat mijn vrouw twee baarde voor mij.
28 En de ene ging van mij weg. En ik zeg: 'Ja, hij is in stukken gescheurd! En ik zag hem sindsdien niet meer.'
29 En jullie nemen bovendien deze van voor mijn aangezicht. En hem overkomt een ongeluk, dan zullen jullie mijn grijze haren door kwaad naar het ongezien brengen.'
30 En nu, als ik tot uw dienaar, mijn vader, kom, en de jongen is niet bij ons, en zijn ziel is gebonden aan zijn ziel,
31 en het gebeurt als hij ziet dat de jongen er niet is, dat hij sterft, en uw dienaren de grijze haren van uw dienaar, onze vader, in droefheid naar het ongeziene dragen.
32 Want uw dienaar is zekerheid bij mijn vader voor de jongen, zeggend: 'Indien ik hem niet bij u breng, dan zondig ik voor mijn vader, alle dagen.'
33 En nu zal, alstublieft, uw dienaar blijven in plaats van de jongen, als dienaar van mijn heer, en de jongen zal optrekken met zijn broers.
34 Want hoe zal ik opgaan naar mijn vader als er geen jongen bij mij is? Anders zal ik het kwaad zien dat mijn vader zal vinden."
Terug naar de indexpagina
Naar Genesis 45
|
|