| |
1 En de hongersnood is zwaar in het land.
2 En het gebeurt toen zij klaar waren met het opeten van de voedingsmiddelen die zij uit gebracht hadden, dat hun vader tot hen zegt: "Gaat terug! Koopt voor ons een weinig voedsel."
3 En spreekt tot hem, zeggend: "De man getuigde, ja getuigde tegen ons, zeggend: 'Jullie zullen mijn gezicht niet zien, tenzij jullie broer bij jullie is'.
4 Indien u onze broer met ons zendt zullen we afreizen en we zullen voor u voedsel kopen.
5 En indien u niet zendt, zullen wij niet afreizen, want de man zei tot ons: 'Jullie zullen mijn gezicht niet zien, tenzij jullie broer bij jullie is'."
6 En zegt: "Waarom doen jullie mij dit kwaad aan, door de man te vertellen dat jullie nog een broer hebben?"
7 En zij zeggen: "Bij zijn vragen vroeg de man naar ons en naar onze familie, zeggend: 'Leeft jullie vader nog? Hebben jullie een broer?' En wij vertelden het hem in verband met deze gebiedende zaken. Hoe konden wij weten dat hij zeggen zou: 'Brengt jullie broer!'"
8 En zegt tot , zijn vader: "Zendt de jongen met mij en we zullen opstaan en we zullen gaan en we zullen leven en we zullen niet sterven, zowel wij, als u, als onze peuters.
9 Ik, ik zal zijn zekerheid zijn. Uit mijn hand zult u hem opeisen. Indien ik hem niet bij u breng en ik hem voor uw aangezicht stel, dan zondig ik tegen u, alle dagen.
10 Want als wij niet treuzelden, waren we nu al twee keer terug gekeerd."
11 En , hun vader, zegt tot hen: "Indien jullie dat zo doen, doet dan dit: Neemt van het gesnoeide van het land in jullie vaten en neemt mee naar de man als geschenk, een weinig balsem en een weinig honing, parfum en mirregom, pistachionoten en amandelen.
12 En neemt dubbel zilver mee in jullie hand. En het zilver dat werd teruggegeven in de mond van jullie zakken, zullen jullie door jullie hand herstellen. Misschien vergiste hij zich.
13 En neemt jullie broer en staat op! Keert terug naar de man.
14 En El, Die Afdoende is, zal jullie mededogen geven voor het aangezicht van de man, zodat hij jullie andere broer en met jullie zal laten gaan. En ik, omdat ik beroofd ben, ben ik beroofd!"
15 En de stervelingen nemen dit geschenk. En het dubbele zilver namen zij in hun hand en . En zij staan op en zij reizen af naar . En zij staan voor het aangezicht van .
16 En ziet bij hen en hij zegt tot wie over zijn huishouding is: "Breng de stervelingen naar het huis en slacht een slachtdier en bereidt het. Want de stervelingen zullen tussen de middag met mij eten."
17 En de man doet zoals zei. En de man brengt de stervelingen naar het huis van .
18 En de stervelingen zijn bang omdat ze naar het huis van gebracht waren. En zij zeggen: "Het is vanwege het zilver dat bij het begin teruggegeven werd in onze zakken, dat wij gebracht worden, zodat hij de gelegenheid heeft om op ons te vallen en ons, en onze ezels, tot slaven te nemen."
19 En zij benaderen de man die over de huishouding van gesteld was en zij spreken tot hem in de deur van het huis.
20 En zij zeggen: "O mijn heer! In het begin kwamen wij af om voedsel te kopen.
21 En het gebeurt dat wij bij de herberg komen en wij onze zakken openen, en zie!, het zilver van ieder was in de mond van zijn zak, naar zijn gewicht. En wij brengen het terug in onze hand.
22 En wij brachten ander zilver mee in onze hand om voedsel te kopen. Wij weten niet wie ons zilver in onze zakken plaatste."
23 En hij zegt: "Vrede zij met jullie! Jullie moeten niet bang zijn! Jullie Elohim en de Elohim van jullie vader gaf jullie begraven schatten in jullie zakken. Jullie zilver kwam tot mij." En hij brengt bij hen.
24 En de man bracht de stervelingen naar het huis van . En hij geeft hen water en zij wassen hun voeten. En hij geeft voedsel aan hun ezels.
25 En zij maken het geschenk klaar tot komt in de middag, want zij hoorden dat zij daar brood zullen eten.
26 En komt naar huis en zij brengen hem het geschenk, dat in hun hand was, in het huis. En zij buigen zich voor hem neer, naar het land.
27 En hij vraagt hen naar hun welzijn en hij zegt: "Hoe gaat het met jullie vader, de oude man, van wie jullie spreken? Leeft hij nog?"
28 En zij zeggen: "Uw dienaren gaat het goed. Onze vader leeft nog." En zij buigen het hoofd en hij buigt het hoofd. En zij buigen zich neer.
29 En hij slaat zijn ogen op en hij ziet , zijn broer, zoon van zijn moeder, en hij zegt: "Is dit jullie broer, de kleine, over wie jullie tot mij spraken?" En hij zegt: "Elohim zal jou genadig zijn, mijn zoon!"
30 En haast zich, want er waren hevige gevoelens voor zijn broer. En hij probeert het af te vegen. En hij gaat naar de kamer en huilt daar.
31 En hij wast zijn gezicht en hij komt naar buiten. En hij onderzoekt zichzelf en hij zegt: "Plaats het brood!"
32 En zij plaatsen voor hem alleen, en voor hen alleen, en voor de naren die met hen eten, voor hen alleen, want de naren zijn niet in staat brood te eten met Hebreeërs, want dat is voor naren een gruwel.
33 En zij zitten voor zijn aangezicht, de eerstgeborene naar zijn geboorterecht en de minste naar zijn minste staat. En de stervelingen zijn verbaasd, ieder man met zijn verwant.
34 En hij deelt aan hen porties uit van voor zijn aangezicht. En de portie van is groter dan de porties van hen allen, vijf handen vol. En zij drinken en zij worden met hem voldaan.
Terug naar de indexpagina
Naar Genesis 44
|
|