| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En ziet dat er in levensmiddelen zijn. En zegt tot zijn zonen: "Waarom zien jullie naar jezelf?"
2 En hij zegt: "Zie! Ik hoorde dat er in levensmiddelen zijn. Gaat daar heen en koopt voor ons van daar, en wij zullen leven en wij zullen niet sterven." [Hand. 7:12]
3 En tien broers van dalen af om graan uit te kopen.
4 En Benjamin, broer van , zendt niet met zijn broers, want hij zei: "Anders zal ook hem een ongeval overkomen."
5 En de zonen van komen om te kopen te midden van hen die komen, want de hongersnood kwam in het land van .
6 En had het gezag over het land. Hij is de verkoper aan al het volk van het land. En de broers van komen en zij buigen zich neer voor hem, neusgaten naar het land.
7 En ziet zijn broers en hij herkent hen. En hij maakt zich vreemd voor hen en hij spreekt koppig met hen. En hij zegt tot hen: "Van waar komen jullie?" En zij zeggen: "Uit het land van , om voedsel te kopen."
8 En herkent zijn broers, maar zijn broers herkenden hem niet.
9 En herinnert zich de droom die hij over hen droomde. En hij zegt tot hen: "Jullie zijn spionnen! Jullie kwamen om de naaktheid van het land te zien!" [Gen. 37:5-10]
10 En zij zeggen tot hem: "Nee, mijn heer! Maar uw dienaren kwamen om voedsel te kopen.
11 Wij allen zijn zoon van één man. Wij zijn inwoners.*1) Uw dienaren zijn geen spionnen.
12 En hij zegt tot hen: "Nee, want jullie kwamen om de naaktheid van het land te zien!"
13 En zij zeggen: "Uw dienaren waren twaalf broers, zonen van één man, in het land van . En zie! De kleine is vandaag bij onze vader en één is er niet."
14 En zegt tot hen: "Het is zoals ik tot jullie sprak, zeggend: 'Jullie zijn spionnen!'
15 Hiermee zullen jullie getest worden: Bij het leven van ! Jullie zullen niet weggaan van hier, alleen wanneer de kleine broer van jullie tot hier komt!
16 Zendt één van jullie en hij zal jullie broer nemen. En jullie zullen gebonden zijn. En jullie woorden zullen getest worden of de waarheid met jullie is. En indien niet, bij het leven van !, dan zijn jullie spionnen!"
17 En hij verzamelt hen bij de bewaking, drie dagen.
18 En zegt tot hen in de derde dag: "Doet dit en leeft! Ik vrees de Elohim.
19 Indien jullie inwoners zijn, zal één van jullie broers in het huis van jullie bewaring gebonden zijn. En jullie? Gaat! Brengt de voedingsmiddelen voor de hongersnood van jullie huishouding.
20 En jullie zullen jullie broer, de kleine, bij mij brengen. Dan zullen jullie woorden trouw zijn en zullen jullie niet sterven." En zo doen zij.
21 En zij zeggen, de man tot zijn broer: "Echt, wij zijn schuldig aan onze broer, van wie wij de benauwdheid van zijn ziel zagen, die ons smeekte. En wij luisterden niet. Daarom komt nu deze benauwdheid over ons."
22 En antwoordt hen, zeggend: "Zei ik niet tot jullie, zeggend: 'Jullie moeten niet zondigen tegen deze jongen!' En jullie luisterden niet! En zie! Bovendien wordt zijn bloed opgeëist!" [Gen. 37:21,22]
23 En zij wisten niet dat toehoorde, want de vertaler was tussen hen.
24 En hij keert zich van hen af, en hij huilt. En hij keert zich tot hen en hij spreekt tot hen. En hij nam van hen en hij bindt hem voor hun ogen.
25 En gebiedt dat bij het vullen van hun zakken met graan, zij hun zilver teruggeven van elke man in zijn zak. En zij geven hen proviand voor onderweg. En zo deed men hen.
26 En zij tillen hun levensmiddelen op hun ezels en zij vertrekken van daar.
27 En de ene opent zijn zak om zijn ezel eten te geven in de herberg, en hij ziet zijn zilver. En zie! Het is in de mond van zijn zak.
28 En hij zegt tot zijn broers: "Mijn zilver is teruggegeven, en zie ook!, het is in mijn zak." En hun hart verliet hen en zij beven, de man zeggend tot zijn broer: "Wat is dit dat Elohim aan ons doet?"
29 En zij komen bij , hun vader, in het land van , en zij vertellen hem al wat hen overkomen was, zeggend:
30 "De man, de heer van het land, sprak koppig met ons, en hij hield ons voor die het land bespioneren.
31 En wij zeggen tot hem: "Wij zijn inwoners! Wij zijn geen spionnen.
32 Wij zijn twaalf broers, zonen van onze vader. Één is er niet en de kleine is vandaag bij onze vader, in het land van .
33 En hij, de heer van het land, zegt tot ons: 'Hierdoor zal ik weten dat jullie inwoners zijn. Laat jullie broer, de ene, bij mij achter, en neemt voor de hongersnood van jullie huishouding en gaat!
34 En brengt jullie broer, de kleine, bij mij. Dan zal ik weten dat jullie geen spionnen zijn en dat jullie inwoners zijn. Jullie broer zal ik aan jullie geven en in het land zullen jullie kooplieden zijn.'"
35 En het gebeurt als zij hun zakken leeg maken, zie!, de buidel zilver van ieder man is in zijn zak. En zij zien hun zilverbuidels, zij en hun vader. En zij zijn bang.
36 En , hun vader, zegt tot hen: "Jullie beroven mij! is er niet en is er niet, en jullie zullen nemen! Al deze dingen komen over mij!"
37 En spreekt tot zijn vader, zeggend: "Twee van mijn zonen zult u ter dood brengen indien ik hem niet bij u breng! Geef hem op mijn hand en ik zal hem bij u terugbrengen!"
38 En hij zegt: "Mijn zoon zal niet afdalen met jullie, want zijn broer is dood en alleen hij blijft over. En als hem een ongeluk overkomt op de weg die jullie zullen gaan, dan zullen jullie mijn grijze haren in droefenis naar het ongeziene brengen."
1) - Inwoners. was in die tijd onderdeel van .
Terug naar de indexpagina
Naar Genesis 43
|
|