| |
1 En , dochter van , die zij baarde voor , ging weg om de dochters van het land te zien.
2 En , zoon van de Hittiet, prins van het land, ziet haar en hij neemt haar. En Hij ligt bij haar en hij vernedert haar.
3 En zijn ziel houdt vast aan , dochter van , en hij houdt van het meisje en hij spreekt tot het hart van het meisje.
4 En spreekt tot , zijn vader, zeggend: "Neem voor mij dit meisje als vrouw."
5 En hoorde dat hij , zijn dochter, had bezoedeld. En zijn zonen waren bij zijn vee in het veld. En was stil tot zij kwamen.
6 En , de vader van , ging uit naar , om met hem te spreken.
7 En de zonen van kwamen van het veld toen zij het hoorden. En de stervelingen zijn vernederd en hun boosheid is buitengewoon, vanwege de dwaasheid die hij deed in door te liggen bij de dochter van , want zoiets doet men niet.
8 En spreekt met hen, zeggend: "De ziel van , mijn zoon, is verbonden met jullie dochter. Geeft haar alstublieft aan hem als vrouw,
9 en trouwt met ons. Jullie zullen jullie dochters aan ons geven, en jullie zullen voor jezelf onze dochters nemen.
10 En jullie zullen bij ons verblijven. En het land is voor jullie aangezicht. Verblijft er en weest haar kooplieden en hebt bezittingen in haar."
11 En zegt tot haar vader en tot haar broers: "Ik zal genade vinden in jullie ogen en wat jullie tot mij zeggen zullen, zal ik geven.
12 Doe over mij buitengewoon een bruidschat en geschenk toenemen, en ik zal geven wat jullie zullen zeggen. Maar geef het meisje aan mij tot vrouw."
13 En de zonen van antwoorden en , zijn vader, met bedrog. En zij spreken er over dat hij , hun zus, had vernederd.
14 En zij zeggen tot hen: "Wij zijn niet in staat dit ding te doen, om onze zus te geven aan een man die een voorhuid heeft. Dat is voor ons een schande.
15 Ja, wij zullen aan jullie toestemming geven indien jullie worden zoals wij, door iedere man van jullie te besnijden.
16 Dan geven wij onze dochters aan jullie en zullen wij voor ons jullie dochters nemen. En wij verblijven bij jullie en wij worden tot één volk.
17 En indien jullie niet naar ons luisteren om besneden te worden, zullen wij onze dochter nemen en weggaan."
18 En de woorden zijn goed in de ogen van en in de ogen van , zoon van .
19 En de jongen stelde niet uit het ding te doen, want hij schiep behagen in de dochter van , hij de meest heerlijke van heel de huishouding van zijn vader.
20 En en , zijn zoon, komen naar de poort van hun stad en zij spreken tot de stervelingen van hun stad, zeggend:
21 "Deze vreedzame stervelingen zijn bij ons en zij zullen in het land verblijven en zij zullen haar kooplieden zijn. En het land, zie!, is wijd als handen voor hun aangezicht. Hun dochters zullen wij tot ons nemen als vrouwen en onze dochters zullen wij aan hen geven.
22 Ja, hierin stemmen de stervelingen toe, om bij ons te verblijven en tot één volk te worden doordat wij elke mannelijke besnijden zoals zij besneden zijn.
23 Hun vee en hun bezittingen en al hun beesten, zullen zij niet de onze zijn? Ja, wij zullen met hen instemmen en zij zullen bij ons verblijven."
24 En zij luisteren naar en , zijn zoon, allen die uit gaan uit de poort van zijn stad. En zij worden besneden, elke mannelijke, allen die uit gaan uit de poort van zijn stad.
25 En het gebeurt op de derde dag dat ze pijn krijgen. En twee van de zonen van , en , broers van , nemen ieder hun zwaard en zij gaan naar de stad die hen vertrouwt en zij doden iedere man.
26 En en , zijn zoon, doodden zij met de kant van het zwaard. En zij nemen uit het huis van en zij gaan weg.
27 De zonen van kwamen bij de gewonden en zij plunderen de stad die hun zus vernederd had.
28 Hun schaapskudden en hun grootvee en hun ezels en wat in de stad was en wat in het veld was, namen zij.
29 En al hun vermogen en al hun kleine kinderen en hun vrouwen namen zij gevangen en zij plunderden al wat in het huis was.
30 En zegt tot en tot : "Jullie veroorzaakten mij moeite en jullie maken mij tot een stank onder die verblijven in het land van de Kanaäniet en van de Fereziet. En ik ben ten dode gedoemd, in aantal overtroffen. En zij verzamelen zich tegenover mij en zij slaan mij en ik en mijn huishouding zullen uitgeroeid worden."
31 En zij zeggen: "Zal hij met onze zus doen als met een prostituee?"
Terug naar de indexpagina
Naar Genesis 35
|
|