| |
1 En tilt zijn voeten op en gaat naar het land van de zonen van het oosten.
2 En hij kijkt, en zie! Er is een bron in het veld. En zie, drie schaapskudden rusten er, want van die bron worden de kuddes te drinken gegeven. En de steen op de mond van de bron is groot.
3 En alle kuddes werden daar verzameld. En zij rolden de steen van de mond van de bron en zij gaven de schaapskudde te drinken. En zij herstelden de steen op de mond van de bron, op zijn plaats.
4 En zegt tot hen: "Mijn broeders, van waar komen jullie?" En zij zeggen: "Wij zijn van ."
5 En hij zegt tot hen: "Kennen jullie , de zoon van ?" En zij zeggen: "Wij kennen hem."
6 En hij zegt tot hen: "Gaat het goed met hem?" En zij zeggen: "Het gaat hem goed." En zie! , zijn dochter, komt er aan met de schaapskudde.
7 En hij zegt: "Zie! De dag is nog groot. Het is nog niet de tijd om het vee te verzamelen. Geeft de kudde te drinken en gaat. Laat ze grazen!"
8 En zij zeggen: "Dat kunnen we niet. Pas als alle kuddes verzameld zij en zij de steen van de mond van de bron afrollen en wij de schaapskudde laten drinken."
9 Terwijl hij nog met hen sprak, kwam met de schaapskudde die van haar vader was. Want zij was herderin.
10 En het gebeurt wanneer , de dochter van , de broer van zijn moeder en de schaapskudde van , de broer van zijn moeder, ziet, dat dichterbij komt. En hij rolt de steen van de mond van de bron en hij geeft de schaapskudde van , de broer van zijn moeder, te drinken.
11 En kust . En hij verheft zijn stem en hij huilt.
12 En vertelt dat hij een broeder van haar vader is en dat hij een zoon van is. En zij rent weg en zij vertelt het haar vader.
13 En het gebeurt wanneer het verslag over , de zoon van zijn zus, hoort, dat hij rent om hem te ontmoeten. En hij kust hem en hij brengt hem naar zijn huis. En hij vertelt al deze dingen.
14 En zegt tot hem: "Ja, jij bent mijn gebeente en mijn vlees!" En hij woont bij hem, een maand van dagen.
15 En zegt tot : "Omdat jij mijn broeder bent en jij mij om niet dient, vertel mij, wat is jouw loon?"
16 En had twee dochters. De naam van de grote was en de naam van de kleine was .
17 En de ogen van waren zacht en was mooi van gedaante en had een mooi voorkomen.
18 En heeft lief en hij zegt: "Ik zal u zeven jaren dienen voor , uw dochter, de kleine."
19 En zegt: "Ik geef haar liever aan jou dan dat ik haar aan een andere man geef. Woon bij mij!"
20 En dient voor zeven jaren en zij worden in zijn ogen als een paar dagen, vanwege zijn liefde voor haar.
21 En zegt tot : "Geef mij mijn vrouw, want mijn dagen zijn vervuld. En ik zal tot haar komen."
22 En verzamelt alle stervelingen van de plaats en hij maakt een feest.
23 En het was in de avond, en neemt , zijn dochter, en hij brengt haar bij hem. En hij komt tot haar.
24 En geeft , zijn meid, aan , zijn dochter, als haar meid.
25 En het was in de morgen en zie! Zij is ! En hij zegt tot : "Wat is dit? Wat deed u mij? Diende ik niet bij u voor ? En waarom bedroog u mij?"
26 En zegt: "In onze plaats is het niet de gewoonte de jongere te geven vóór de eerstgeborene.
27 Vervul de week van deze en wij zullen jou bovendien deze geven voor de dienst die jij bij mijn zal dienen, nog zeven andere jaren."
28 En doet dat. En hij vervult de week van deze. En hij geeft hem , zijn dochter, als vrouw.
29 En geeft aan , zijn dochter, , zijn meid, als haar meid.
30 En hij komt bovendien tot . En ook houdt hij meer van dan van . En hij dient bij hem nog zeven andere jaren.
31 En Jahweh ziet dat gehaat wordt en hij opent haar baarmoeder. En is onvruchtbaar.
32 En wordt zwanger en zij baart een zoon. En zij noemt zijn naam , want zij zei: "Jahweh zag mijn vernedering, want nu zal mijn man van mij houden."
33 En zij wordt opnieuw zwanger en zij baart een zoon. En zij zegt: "Omdat Jahweh hoorde dat ik gehaat wordt, geeft Hij mij bovendien deze." En zij noemt zijn naam .
34 En zij wordt opnieuw zwanger en zij baart een zoon. En zij zegt: "Nu, deze keer, zal mijn man aan mij verplicht zijn, want ik baarde voor hem drie zonen." Daarom noemde zij zijn naam .
35 En zij wordt opnieuw zwanger en zij baart een zoon. En zij zegt: "Deze keer zal ik Jahweh loven." Daarom noemt zij zijn naam . En zij hield op met baren.
Terug naar de indexpagina
Naar Genesis 30
|
|