| |
1 En ziet dat zij niet baart voor , en is jaloers op haar zus. En zij zegt tot : "Geef mij zonen! Als die er niet zijn zal ik sterven!"
2 En is boos op en hij zegt: "Ben ik in plaats van Elohim, Die van jou de vrucht van jouw buik weerhoudt?"
3 En zij zegt: "Zie mijn meid ! Kom tot haar en zij zal baren op mijn knieën en ook ik zal uit haar gebouwd worden."
4 En zij geeft , haar meid, aan hem als vrouw en komt tot haar.
5 En wordt zwanger en zij baart voor een zoon.
6 En zegt: "Elohim heeft over mij gesproken en bovendien hoorde Hij naar mijn stem en Hij geeft mij een zoon. Daarom noemt zij zijn naam .
7 En zij wordt opnieuw zwanger. En , de meid van , baart een tweede zoon voor .
8 En zegt: "Met vervlechtingen van Elohim was ik vervlochten met mijn zus, en bovendien had ik de overhand. En zij noemt zijn naam .
9 En ziet dat zij opgehouden is met baren. En zij neemt , haar meid, en zij geeft haar als vrouw aan .
10 En , de meid van , baart een zoon voor .
11 En zegt: "Hij kwam met een overval!" En zij noemt zijn naam .
12 En , de meid van , baart voor een tweede zoon.
13 En zegt: "Het is tot mijn blijdschap, want de dochters noemen mij blij!" En zij noemt zijn naam .
14 En gaat in de dagen van de tarweoogst en hij vindt alruinen*1) in het veld. En hij brengt ze naar , zijn moeder. En zegt tot : "Geef mij alstublieft van de alruinen van jouw zoon!"
15 En zij zegt tot haar: "Is het weinig dat jij mijn man neemt en bovendien neemt van de alruinen van mijn zoon?" En zegt: "Daarom zal hij deze nacht bij jou liggen, in ruil voor de alruinen van jouw zoon."
16 En in de avond komt van het veld en gaat uit om hem te ontmoeten. En zij zegt: "Jij komt bij mij, want ik huurde jou met alruinen van mijn zoon." En hij ligt bij haar in die nacht.
17 En Elohim luistert naar en zij wordt zwanger. En zij baart voor een vijfde zoon.
18 En zegt: "Elohim geeft mij mijn loon, want ik gaf mijn meid aan mijn man." En zij noemt zijn naam .
19 En wordt opnieuw zwanger. En zij baart een zesde zoon voor .
20 En zegt: "Elohim begiftigde mij met een goede gift. Nogmaals zal mijn man aan mij de voorkeur geven, want ik baarde voor hem zes zonen!" En zij noemt zijn naam .
21 En daarna baarde zij een dochter. En zij noemt haar naam .
22 En Elohim herinnert Zich . En Elohim luistert naar haar. En Hij opent haar baarmoeder.
23 En zij wordt zwanger en zij baart een zoon. En zij zegt: "Elohim heeft mijn schande weggenomen."
24 En zij noemt zijn naam , zeggend: "Jahweh zal mij een andere zoon toevoegen."
25 En het gebeurde toen Jozef baarde, dat tot zei: "Zendt mij weg en ik zal gaan naar mijn plaats en naar mijn land.
26 Geef mij mijn vrouwen en mijn kinderen, voor wie ik u diende, en ik zal gaan. Want u kent mijn dienen waarmee ik u diende.
27 En zegt tot hem: "Alstublieft! Indien ik genade vond in jouw ogen! Ik fluisterde en Jahweh zegent mij, en dat is aan jou te danken."
28 En hij zegt: "Specificeer mij jouw loon, en ik zal het geven."
29 En hij zegt tot hem: "U weet hoe ik u diende en wat er van uw vee bij mij is geworden.
30 Want het weinige dat het voor u was, breekt uit in een menigte. En Jahweh zegent u door mijn voet. En nu, wanneer zal ik ook iets doen voor mijn huishouding?"
31 En hij zegt: "Wat zal ik jou geven?" En zegt: "U zult mij niets geven indien u voor mij dit doet. Ik zal terugkeren. Ik zal uw kudde laten grazen. Ik zal ze bewaken.
32 Ik zal vandaag door uw kudde gaan om van daar weg te nemen ieder gespikkeld en gevlekt lammetje en alle bruine lammetjes van de schapen en iedere gespikkelde en gevlekte van de geiten, en dat wordt mijn loon.
33 En mijn rechtvaardigheid in mij antwoordt in de dag van morgen, dat het mijn loon zal worden voor uw aangezicht; al wat niet gespikkeld en gevlekt is bij de geiten en bruin bij de schapen, is door mij gestolen."
34 En zegt: "Zie! O, dat het zal worden naar uw woord!"
35 En hij neemt op die dag de gestreepte bokken weg en die gevlekt zijn, en alle gespikkelde en gevlekte vrouwelijke geiten, al wat wit in zich heeft en al het bruine onder de schapen. En hij geeft ze in de handen van zijn zonen.
36 En hij plaatst een weg van drie dagen tussen die van hem en die van . En laat de kudde van , die overgebleven waren, grazen.
37 En neemt zich stokken van de soepele witte populier en van de hazelaar en van de kastanje. En hij schilt in deze witte schillen, die het wit dragen dat in de stokken is.
38 En hij doet de stokken die hij schilde in de troggen, in de waterbekkens, waar de kudde naar toe komt om te drinken, voordat de kudde aankomt. En zij verlangen om binnen te komen om te drinken.
39 En de kudde verlangt naar de stokken en de kudde baart gestreepten en gespikkelden en die gevlekt zijn.
40 En deed de schapen apart. En hij richt de gezichten van de kudde naar de gestreepten en alle bruinen in de kudde van . En hij stelt een menigte voor zich alleen en hij stelde ze niet bij de kudde van .
41 En het gebeurde, iedere keer dat de sterken van de kudde verlangden, de stokken in de troggen plaatste voor de ogen van de kudde, om hen naar de stokken te laten verlangen.
42 Maar bij de zwakken in de kudde plaatst hij ze niet. En de zwakken werden van en de sterken van .
43 En de man breekt buitengewoon uit en hij kreeg vele kudden en meiden en dienstknechten en kamelen en ezels.
*1) Alruinen - De alruin (Mandragora officinarum) is een overblijvende plant uit de nachtschadefamilie (Solanaceae). De soortaanduiding officinarum betekent dat de plant tijdens haar naamgeving op lijsten van planten met geneeskrachtige eigenschappen voorkwam.
Terug naar de indexpagina
Naar Genesis 31
|
|