| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En Jahweh verschijnt aan hem te midden van de eiken van . En hij zit in de opening van de tent, op het warmste van de dag.
2 En hij slaat zijn ogen op en hij ziet. En zie, drie stervelingen zijn bij hem geplaatst. En hij ziet en hij rent vanuit de opening van de tent om hen te ontmoeten. En hij buigt zich naar het land.
3 En hij zegt: "Mijn heer moet, alstublieft, indien ik genade vind ik uw ogen, alstublieft, niet voorbij gaan aan uw dienaar. [Hebr. 13:2]
4 Alstublieft, er zal een weinig water genomen worden en wast jullie voeten en leunt onder de boom.
5 En ik zal een stuk brood nemen en jullie harten versterken. Daarna zullen jullie verder gaan, want om die reden gaan jullie aan jullie dienaar voorbij." En zij zeggen: "Jij zult doen zoals je spreekt."
6 En haast zich naar de tent, naar , en hij zegt: "Haast je! Kneedt drie maten meelbloem en maak sintelkoeken."
7 En rende naar de kudde en hij neemt een jong van de kudde, zacht en goed, en hij geeft het aan de jongen. En hij haast zich om het klaar te maken.
8 En hij neemt geklonterde room en melk en het jong van de kudde, dat hij klaar maakte, en hij zet het hen voor. En hij staat bij hen onder de boom. En zij eten.
9 En zij zeggen tot hem: "Waar is , jouw vrouw?" En hij zegt: "Zie! Zij is in de tent."
10 En Hij zegt: "Ik zal terugkeren om terug te keren tot jou, als de tijd van het leven daar is. En zie! , jouw vrouw, heeft een zoon." En luistert in de opening van de tent, want zij was achter hem. [Rom. 9:9]
11 en nu waren oud, op leeftijd komend. Het was bij opgehouden te gaan volgens het pad van de vrouwen.
12 En lacht in zichzelf, zeggend: "Zal na versleten te zijn nog de wellust tot mij komen? Mijn heer is oud!" [1Petr. 3:6]
13 En Jahweh zegt tot : "Waarom is dit? lachte, zeggend: 'Ja, echt, zal ik baren terwijl ik oud ben?'
14 Is dit een zaak die voor Jahweh te wonderlijk is? Op de bestemde tijd zal Ik tot jou terugkeren, op de tijd van het leven. En heeft een zoon." [Luc. 1:37]
15 En huichelt, zeggend: "Ik lachte niet." Want zij was bang. En Hij zegt: "Nee, want jij lachte!"
16 En de stervelingen staan van daar op en zij staren in de richting van . En gaat met hen mee, om ze uitgeleide te doen.
17 En Jahweh zegt: "Zal Ik voor verbergen wat Ik doe?
18 En zal worden, ja worden, tot een natie, groot en hecht, en alle natiën van het land zijn in hem gezegend.
19 Want Ik ken hem, zodat hij zijn zonen en zijn huishouding na hem opdracht zal geven de weg van Jahweh te houden, recht te doen en te oordelen, opdat Jahweh over zal brengen wat Hij over hem sprak."
20 En Jahweh zegt: "Het geschreeuw uit en is groot en hun zonde is zeer zwaar.
21 Vraag Me, zal Ik neerdalen en zal Ik zien wat haar schreeuw is, die tot Mij kwam? Doen zij alles? En zo niet, Ik zal het weten."
22 En de stervelingen keerden van daar om en zij gaan in de richting van . En staat nog steeds voor het aangezicht van Jahweh.
23 En komt naderbij en hij zegt: "Zult U inderdaad de rechtvaardige met de boze opvegen?
24 Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen binnen de stad? Ja, zult U opvegen en zult U de plaats niet verdragen omwille van vijftig rechtvaardigen die in haar zijn?
25 Het zij verre van U zoiets te doen, om rechtvaardigen te doden met bozen en dat de rechtvaardige wordt als de boze! Het zij verre van U! Die heel het land oordeelt, zal Hij geen oordeel geven?"
26 En Jahweh zegt: "Indien Ik in vijftig rechtvaardigen vind binnen de stad, zal Ik heel de plaats omwille van hen verdragen."
27 En antwoordt en hij zegt: "Zie! Alstublieft! Ik ben begonnen tot mijn Heer te spreken, en ik ben grond en as.
28 Misschien ontbreken er vijf aan de vijftig rechtvaardigen? Zult U dan door de vijf heel de stad verwoesten?" En Hij zegt: "Ik zal niet verwoesten als Ik daar vijfenveertig vind."
29 En hij gaat verder tot Hem te spreken en hij zegt: "Misschien worden daar veertig gevonden?" En Hij zegt: "Ik zal het niet doen omwille van de veertig."
30 En hij zegt: "Alstublieft! Mijn Heer moet niet boos zijn wanneer ik spreek. Misschien zijn er daar dertig te vinden." En Hij zegt: "Ik zal het niet doen indien Ik daar dertig vind."
31 En hij zegt: "Zie! Alstublieft! Ik ben begonnen tot mijn Heer te spreken. Misschien worden daar twintig gevonden?" En Hij zegt: "Omwille van twintig zal Ik haar niet verwoesten."
32 En hij zegt: "Alstublieft! Mijn Heer moet niet boos zijn wanneer ik nogmaals zal spreken. Misschien worden er tien gevonden!" En Hij zegt: "Ik zal niet verwoesten omwille van de tien."
33 En Jahweh gaat weg, want Hij is klaar met tot Abraham te spreken. En Abraham keerde terug naar zijn plaats.
Terug naar de indexpagina
Naar Genesis 19
|
|