| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En Jahweh zegt tot : "Ga uit jouw land en uit jouw familie en uit het huis van jouw vader, naar het land dat Ik jou zal tonen. [Hand. 7:2,3]
2 En Ik zal jou tot een grote natie maken en Ik zal jou zegenen en Ik zal jouw naam groot maken. En wordt een zegen!
3. En Ik zal zegenen die jou zegenen en die jou niet achten zal Ik vervloeken. En in jou worden alle families van de grond gezegend." [Gen. 27:29] [Gal. 3:8]
4 En gaat, zoals Jahweh tot hem sprak, en gaat met hem mee. En was een zoon van vijfenzeventig jaren toen hij uit weg ging.
5 En neemt , zijn vrouw, en , de zoon van zijn broer, en al hun goederen en de zielen die zij verkregen in , en zij gingen weg om in de richting van het land te gaan. En zij komen in de buurt van het land .
6 En trekt door in het land tot zo ver als de plaats , zo ver als de eik van . En de ieten woonden toen in het land.
7 En Jahweh verschijnt aan en Hij zegt: "Aan jouw zaad zal Ik dit land geven." En hij bouwt daar een altaar voor Jahweh, Die aan hem verscheen. [Gal. 3:16]
8 En hij verplaatst van daar in de richting van de berg, ten oosten van . En hij zet zijn tent op, aan de zeezijde en aan de oostzijde. En hij bouwt daar een altaar voor Jahweh en hij roept aan in de naam van Jahweh.
9 En gaat op reis, om naar de te reizen.
10 En er komt hongersnood in het land en gaat in de richting van , om daar te verblijven. Want de hongersnood in het land was zwaar.
11 En het gebeurde toen hij in de buurt van kwam, dat hij tot , zijn vrouw, zei: "Zie! Alstublieft! Ik weet dat jij een vrouw met een lieftallig voorkomen bent.
12 En als het gebeurt dat de Egyptenaren jou zien en zij zeggen: "Dit is zijn vrouw", dan zullen ze mij doden en jou zullen zij in leven houden.
13 Zeg, alstublieft, dat jij mijn zus bent, zodat het met mij goed zal gaan, ten behoeve van jou en dat mijn ziel dank zij jou zal leven." [Gen. 20:2]
14 En het gebeurt wanneer in de buurt van komt, dat de Egyptenaren zien dat de vrouw zeer lieftallig is.
15 En de vorsten van Farao zien haar en zij prijzen haar bij Farao aan. En de vrouw wordt meegenomen naar het huis van Farao.
16 En aan doet hij goed omwille van haar en hij verwerft een kudde schapen, en een kudde groot vee en ezels en dienaren en meiden en ezelinnen en kamelen.
17 En Jahweh raakt Farao en zijn huis met grote besmettingen vanwege , de vrouw van .
18 En Farao roept en zegt: "Wat is dit dat je mij aandeed? Waarom vertelde jij mij niet dat zij jouw vrouw is?
19 Waarom zei jij: 'Zij is mijn zus!' En ik neem haar bij mij als vrouw! En nu, zie, neem jouw vrouw en ga!"
20 En Farao droeg stervelingen over hem op, en zij zenden hem, en zijn vrouw en allen die met hem zijn, weg.
Terug naar de indexpagina
Naar Genesis 13
|
|