| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En Jahweh spreekt tot Mozes, zeggend:
2 "Spreek tot de zonen van Israel dat zij zullen terugkeren. En zij zullen kamperen bij Pi-Hahiroth, tussen Migdol en tussen de zee, voor Baäl-Zefon, daar tegenover zullen jullie kamperen aan de zee.
3 Dan zal Farao van de zonen van Israel zeggen: 'Zij zijn in het land in verwarring gebracht. De wildernis heeft hen ingesloten.'
4 En Ik maak het hart van Farao standvastig en hij achtervolgt hen. En Ik zal verheerlijkt worden in Farao en in heel zijn leger. En de Egyptenaren weten dat Ik Jahweh ben." En zo doen zij. [Rom. 9:17]
5 En de koning van Egypte wordt verteld dat het volk weggerend is. En het hart van Farao en dat van zijn dienaren wordt omgedraaid tegen het volk en zij zeggen: "Wat is het dat wij deden dat wij Israel wegzonden uit hun dienstbetoon aan ons?"
6 Daarom maakt hij zijn strijdwagen klaar en hij nam zijn volk met zich mee.
7 En hij neemt zeshonderd gekozen strijdwagens en alle strijdwagenrijders van Egypte en een drievoudig aantal vechters op alle strijdwagens.
8 En Jahweh maakt het hart van Farao, koning van Egypte, standvastig en hij gaat de zonen van Israel achterna. En de zonen van Israel trekken uit met hoge hand.
9 En de Egyptenaren achtervolgen hen en zij halen hen in, kamperend bij de zee, alle paardgetrokken strijdwagens van Farao en zijn ruiters en zijn leger, bij Pi-Hahiroth, voor Baäl-Zefon.
10 En Farao kwam naderbij en de zonen van Israel slaan hun ogen op, en zie!, Egyptenaren die achter hen aan reizen! En zij zijn buitengewoon bang en de zonen van Israel roepen tot Jahweh.
11 En zij zeggen tot Mozes: "Is er geen gebrek aan graven in Egypte? Jij nam ons mee om te sterven in de wildernis! Waarom deed jij ons dit aan door ons uit te leiden uit Egypte?
12 Is dit niet het woord dat wij in Egypte tot jou spraken, zeggend: 'Laat ons met rust, en wij zullen de Egyptenaren dienen!' Want het is beter voor ons de Egyptenaren te dienen dan dat wij sterven in de wildernis."
13 En Mozes zegt tot het volk: "Jullie moeten niet bang zijn! Plaatst jezelf en ziet de redding van Jahweh, die Hij voor jullie vandaag zal doen. Want wat jullie vandaag zien, Egyptenaren, jullie zullen hen niet meer zien tot de aion.
14 Jahweh, Hij zal voor jullie vechten. En jullie? Jullie zullen stil zijn."
15 En Jahweh zegt tot Mozes: "Waarom roepen jullie tot Mij? Spreek tot de zonen van Israel en zij zullen reizen.
16 En jij, hef jouw staf hoog op en strek jouw hand uit over de zee en splijt hem! En de zonen van Israel zullen er in gaan, midden in de zee, op droge grond.
17 En zie!, Ik maak het hart van de Egyptenaren standvastig en zij zullen na hen er in gaan, en Ik zal verheerlijkt worden in Farao en in heel zijn leger, in zijn strijdwagen en in zijn ruiters.
18 En de Egyptenaren zullen weten dat Ik Jahweh ben, wanneer Ik verheerlijkt wordt in Farao, in zijn strijdwagen en in zijn ruiters."
19 En de boodschapper van de Elohim, die voor het kamp van Israel gaat, reist en hij gaat achter hen aan. En de kolom van de wolk reist van voor hen weg en hij staat achter hen,
20 en hij komt tussen het kamp van Egypte en het kamp van Israel. En de wolk komt en de duisternis, en hij verlicht de nacht. En deze kwam niet dichterbij tot deze, heel de nacht.
21 En Mozes strekt zijn hand uit over de zee. En Jahweh bracht een sterke oostenwind over de zee, heel de nacht. En Hij maakt de zee tot drooggelegd gebied en de wateren worden gespleten.
22 En de zonen van Israel gaan in het midden van de zee op de droge grond. En de wateren waren voor hen een muur, aan hun rechterkant en aan hun linkerkant. [Joz. 2:10]
23 En de Egyptenaren achtervolgen en zij gaan er na hen in, ieder paard van Farao, zijn strijdwagen en zijn ruiters, in het midden van de zee.
24 En het gebeurt in het aanbreken van de ochtend dat Jahweh staart naar het kamp van de Egyptenaren in de kolom van vuur en de wolk, en Hij onthutst het kamp van de Egyptenaren.
25 En Hij blokkeert het wiel van zijn strijdwagens en Hij doet hen rijden in zwaarheid. En de Egyptenaren zeggen: "Ik zal vluchten van voor het aangezicht van Israel, want Jahweh vecht voor hen in Egypte."
26 En Jahweh zegt tot Mozes: "Strek jouw hand uit over de zee, en de wateren zullen terugkeren over de Egyptenaren, over zijn strijdwagen en over zijn ruiters."
27 En Mozes strekt zijn hand uit over de zee en de zee keert voor de morgen terug naar haar jaarlijkse niveau en de Egyptenaren vluchtten toen ze haar ontmoetten. En Jahweh schudt de Egyptenaren in het midden van de zee.
28 En de wateren keren terug en zij bedekken de strijdwagen en de ruiters van heel het leger van Farao, die na hen in de zee gingen. Niet één van hen bleef over.
29 En de zonen van Israel gingen op de droge grond in het midden van de zee en de wateren waren voor hen een muur, aan hun rechterkant en aan hun linkerkant.
30 En Jahweh redt Israel in die dag uit de hand van Egypte. En Israel ziet dat de Egyptenaren dood zijn aan de kust van de zee.
31 En Israel ziet de grote hand waarmee Jahweh optrad tegen de Egyptenaren. En het volk vreest Jahweh en zij geloven in Jahweh en in Mozes, Zijn dienaar.
Terug naar de indexpagina
Naar Exodus 15
|
|