| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 Dan zingt Mozes met de zonen van Israel dit lied en zij spreken, zeggend: "Ik zal zingen tot Jahweh, want Hij is zeer verheven. Het paard en zijn ruiter wierp Hij in de zee. [Openb. 15:3]
2 Yah is mijn kracht en melodie, en Hij wordt voor mij tot redding, deze is mijn El. En ik zal Hem vereren. Hij is de Elohim van mijn vader en Ik zal Hem verhogen! [Psalm 118:14] [Jes. 12:2]
3 Jahweh is een Man van oorlog. Jahweh is Zijn Naam.
4 De strijdwagens van Farao en zijn leger stortte Hij in de zee, en de keuze van zijn derde vechters zonken in de Zee van het zeegras.
5 Afgronden, zij bedekten hem. Zij daalden als een steen af in de schaduwachtige diepten.
6 Uw rechterhand, Jahweh, werd eerbaar door kracht. Uw rechterhand, Jahweh, vervolgt wie een vijand is.
7 En in de uitgebreidheid van Uw luister, vernietigt U die tegen U opstaan. U zendt Uw hitte en hij verslindt hen als het stro.
8 En door de wind van Uw neusgaten werden de wateren ontbloot. Zij stonden op als een vloeiende waterspuit. De afgronden zijn gestold in het hart van de zee.
9 De vijand zei: 'Ik zal achtervolgen. Ik zal de buit verdelen. Mijn ziel zal van hen vervuld worden. Ik zal mijn zwaard uit de schede halen. Mijn hand zal hen uitzetten.'
10 U maakte door Uw wind een briesje. De zee bedekte hen. Zij gingen onder als lood in de ruime wateren.
11 Jahweh, wie is als U onder de Elim? Wie is als U, eerbaar zijnde in de heiligheid, gevreesd wordend in lofzangen, wonderen doende?
12 U strekte Uw rechterhand uit. Het land verslond hen.
13 U leidde in Uw vriendelijkheid dit volk. U verloste. U voert hen in Uw kracht naar de hofstee van Uw heiligheid.
14 De volken hoorden. Zij zijn verontrust. Barensweeën hebben hen bevangen die in Palestina verblijven.
15 Dan worden de sheiks van Edom in verwarring gebracht, een beven bevangt de machtigen van Moab. Allen die in Kanaän wonen gaan uiteen.
16 Vrees en ontzag vallen op hen door de grootheid van Uw arm. Zij zijn stil als de steen totdat Uw volk voorbij gaat, Jahweh, tot dit volk voorbij gaat dat U verwierf.
17 U zult hen brengen en U zult hen planten in de berg van Uw lotdeel, de plaats voor Uw verblijf. U, Jahweh, bedacht het heiligdom van mijn Heer. Uw handen vestigden het.
18 Jahweh, Hij zal heersen voor de aion, en verder."
19 Toen het paard van Farao en zijn strijdwagen en zijn ruiters in de zee waren gegaan, liet Jahweh over hen de wateren terugkeren. En de zonen van Israel gingen over de droge grond in het midden van de zee.
20 En Miriam, de profetes, zus van Aäron, nam de tamboerijn in haar hand, en alle vrouwen trokken achter haar aan, met tamboerijnen en fluiten.
21 En Miriam antwoordt hen: "Zingt tot Jahweh, want Hij is zeer verheven! Het paard en zijn ruiter stortte Hij in de zee."
22 En Mozes laat Israel reizen van de Zee van het zeegras en zij trokken weg naar de wildernis van Shur. En zij gaan drie dagen in de wildernis en zij vonden geen water.
23 En zij komen in de buurt van Marah en zij konden het water van Marah niet drinken, want het was bitter. Daarom noemt men haar naam Marah.
24 En het volk moppert tegen Mozes, zeggend: "Wat zullen wij drinken?"
25 En hij roept tot Jahweh en Jahweh wijst hem een stuk hout. En hij werpt het in het water en het water wordt zoet. Daar plaatste Hij voor hem een verordening en een gericht en daar testte Hij hen.
26 En Hij zegt: "Indien jullie luisteren, ja luisteren naar de stem van Jahweh, jullie Elohim, en jullie het juiste doen in Zijn ogen, en jullie gehoor geven aan Zijn instructies en jullie al Zijn verordeningen waarnemen, zal Ik alle ziekte die Ik op de Egyptenaren plaatste niet op jullie plaatsen, want Ik ben Jahweh Die jullie geneest.
27 En zij komen in de buurt van Elim en daar waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen. En zij kamperen daar bij het water.
Terug naar de indexpagina
Naar Exodus 16
|
|