| |
(Ga met de muis op een onderstreepte naam of tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 In jaar drie van , koning van , werd een zaak onthuld aan , wiens naam genoemd wordt ; de zaak is waar en de menigte is groot. En hij begreep de zaak en hij had verstand van het gezicht.
2 In die dagen was ik, , drie perioden van zeven dagen aan het treuren.
3 Begeerd brood at ik niet en vlees en wijn kwamen niet in mijn mond en ik wreef mij niet in tot de drie maal zeven dagen vervuld waren.
4 En op de vierentwintigste dag van de eerste maand kwam ik aan de zijkant van de grote stroom, de .
5 En ik hef mijn ogen op en ik kijk, en zie!, een man gekleed in linnen. En zijn middel was omgord met gewaarmerkt goud van .
6 En zijn lichaam is als topaas en zijn gezicht is als de verschijning van bliksem en zijn ogen zijn als vuurtoortsen en zijn armen en zijn voeten als het blinken van schitterend koper en het geluid van zijn woorden is als het geluid van een menigte. [Openb. 1:13-15]
7 En alleen ik, , zag het gezicht en de stervelingen die met mij waren zagen het gezicht niet. Toch valt een groot beven op hen en zij rennen weg om zich te verstoppen.
8 En ik bleef alleen achter en ik zie dit grote gezicht. En er bleef in mij geen kracht over en mijn pracht werd van mij omgekeerd in verval en ik behield geen kracht.
9 En ik hoor het geluid van zijn woorden en toen ik het geluid van zijn woorden hoorde, raakte ik verdoofd op mijn aangezicht, met mijn aangezicht naar het land.
10 En zie!, een hand raakt mij aan en hij doet mij op de knieën gaan en op mijn handpalmen.
11 En hij zegt tot mij: ", begeerde man, begrijp de woorden die ik tot jou spreek; en sta op jouw plaats, want nu werd ik tot jou gezonden." En toen hij dit woord tot mij sprak, stond ik op, bevend.
12 En hij zegt tot mij: "Het moet niet zo zijn dat jij bang bent, , want vanaf de eerste dag dat jij jouw hart gaf om te begrijpen en jezelf nederig te maken voor het aangezicht van jouw Elohim, werden jouw woorden gehoord en ik kwam vanwege jouw woorden.
13 En de leider van het koninkrijk van staat eenentwintig dagen voor mij en zie!, , een van de eerste leiders, kwam om mij te helpen; en ik werd daar gelaten, naast de koningen van .
14 En ik kwam om jou uit te leggen wat zal gebeuren met jouw volk in het laatste der dagen, want het gezicht is toekomst, nog vele dagen."
15 En toen hij deze woorden met mij sprak, deed ik mijn gezicht naar het land en ik werd stom.
16 En zie!, iemand met de gelijkenis van een zoon van de mensheid raakt mijn lippen aan en ik open mijn mond en ik spreek en ik zeg tot die voor mij stond: "Mijn heer, door het gezicht zijn mijn pijnen tegen mij gekeerd en ik behoud geen kracht.
17 Hoe zal uw dienaar van deze, mijn heer, in staat zijn om met deze, mijn heer, te spreken? En ik, vanaf nu staat er in mijn geen kracht en er blijft in mij geen kracht over."
18 En hij gaat door en die gelijkenis van een mens heeft raakt mij aan en hij bemoedigt mij.
19 En hij zegt: "Het moet niet zo zijn dat jij bang bent, begeerde man. Vrede zij met jou! Wees standvastig! Wees nu standvastig!" En terwijl hij met mij spreekt werd ik moedig en ik zeg: "Mijn heer zal spreken, want u bemoedigde mij."
20 En hij zegt: "Weet jij waarom ik tot jou kwam? Nu zal ik terugkeren om te vechten met de leider van . En ik ga uit en zie!, de leider van komt.
21 Echt, ik zal jou zeggen wat is opgetekend in het geschrift van de waarheid. En er is niemand die in deze standvastig is met mij, dan alleen , jullie leider. [Judas 9]
Terug naar de indexpagina
Naar Daniël 11
|
|