| |
(Ga met de muis op een onderstreepte naam of tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En ik, in jaar één van , de Meder, het was mijn taak om hem standvastig te maken en te versterken.
2 "Nu zal ik jou de waarheid vertellen. Zie!, nog drie koningen staan op in Perzië en de vierde zal rijk worden met grotere rijkdommen dan allen. En omdat hij standvastig is in zijn rijkdommen, zal hij heel het koninkrijk van opwekken.
3 En een eigenmachtig koning staat op en hij heerst over een uitgebreid gebied en hij doet naar zijn goeddunken.
4 En terwijl hij staat zal zijn koninkrijk verbroken worden en het zal verdeeld worden naar de vier winden van de hemelen, maar niet naar zijn nakomelingen en niet naar zijn heerschappij waarmee hij heerste, want zijn koninkrijk zal uitgerukt worden, voor anderen dan deze.
5 En een koning van het zuiden zal standvastig zijn, mede door zijn leiders. En hij zal er standvastig over zijn en hij heerst over een uitgebreid gebied als zijn gebied.
6 En aan het einde van jaren zullen zij bij elkaar komen. De dochter van de koning van het zuiden zal komen tot de koning van het noorden om gelijkwaardige regelingen te maken. En zij zal geen kracht van de arm behouden en hij zal niet staan, nog zijn arm. En zij zal overgegeven worden en die haar brengen en die haar verwekt en die haar standvastig maakt in de eras.
7 Maar de spruit van haar wortels staat op zijn plaats en hij zal naar het leger komen en hij zal binnengaan in de vesting van de koning van het noorden. En hij doet tegen hen en hij is standvastig.
8 En bovendien zal hij hun elohims, met hun gegoten beelden, met hun waardevolle artikelen van zilver en goud, naar in gevangenschap brengen en hij zal jaren staan boven de koning van het noorden.
9 En hij komt in het koninkrijk van de koning van het zuiden en hij keert terug naar zijn grond.
10 En zijn zonen zullen in beroering gebracht worden en zij brengen een menigte van grote legers samen en het komt en het overweldigt en het trekt door. En het zal terugkeren en het zal in beroering gebracht worden tot aan zijn kracht.
11 En de koning van het zuiden zal verbitterd raken en hij gaat uit en hij vecht met hem, met de koning van het noorden. En hij werft een grote menigte en de menigte wordt in zijn hand gegeven.
12 En de menigte wordt weggenomen. Zij hart zal hoog zijn en hij werpt tienduizenden neer, maar hij zal niet versterkt worden.
13 En de koning van het noorden keert terug en hij werft een grote menigte, groter dan die ervoor. En aan het einde van de eras van jaren zal hij komen met een groot leger en met veel materieel.
14 En in die eras zullen velen staan tegen de koning van het zuiden en zonen van de inbrekers van jouw volk zullen zichzelf verhogen om een gezicht te verwerkelijken, maar zij struikelen.
15 En de koning van het noorden zal komen en hij zal een belegeringswerk uitgieten en hij neemt de stad van de forten in bezit. En bewapende krachten van het zuiden zullen niet staan, noch zijn uitverkoren volk, want er is geen kracht om te staan.
16 En hij zal met hem die tot hem komt doen naar zijn goeddunken en er is niemand die staat voor zijn aangezicht en hij zal staan in het luisterrijke land en de voltooiing is in zijn hand.
17 En hij zal zijn aangezicht plaatsen om te komen met heel de macht van zijn koninkrijk. En hij maakt met hem gelijkwaardige regelingen en een dochter van de vrouwen zal hij hem geven om haar te verderven, maar zij zal niet staan en zij zal niet voor hem zijn.
18 En hij zal zijn aangezicht plaatsen naar de kustlanden en hij neemt vele in bezit. En een kapitein roeit zijn schande voor hem uit, zodat zijn schande niet op hem zal terugkeren.
19 En hij zal zijn aangezicht terugkeren naar de vestingen van zijn land en hij struikelt en hij valt en hij zal niet gevonden worden.
20 En op zijn plaats staat iemand die een afperser doet doorgaan door de eer van het koninkrijk, maar in verscheidene dagen zal hij verbroken worden, maar niet door boosheid en niet door strijd.
21 En op zijn plaats staat een veracht persoon en zij geven hem niet de heerlijkheid van het koninkrijk. Maar hij komt met gemak en hij maakt het koninkrijk standvastig door sluw te handelen.
22 En gewapende kracht van de overweldiger zullen voor zijn aangezicht overweldigd worden en zij zullen verbroken worden, zelfs de bestuurder van een verbond.
23 En na aansluiting bij hem zal hij misleidend handelen. En hij komt op en hij is sterk met een kleine natie.
24 Met gemak en met de dapperen van de provincie zal hij komen en hij doet wat zijn vaders niet deden en de vaders van zijn vaders: roof en buit en goederen zal hij aan hen besteden en tegen versterkingen zal hij zijn gedachten bedenken, zelfs een verdere tijd.
25 Zijn kracht en zijn hart zal opgewekt worden tegen de koning van het zuiden, met een groot leger. En de koning van het zuiden zal aangespoord worden tot de oorlog met een groot en buitengewoon dapper leger, maar hij zal niet staan, want zij bedenken gedachten tegen hem.
26 En die eten van zijn lekkernijen zullen hem breken en zijn leger zal overweldigd worden en velen vallen gewond.
27 En de twee koningen hebben in hun hart om kwaad te doen, en aan de tafel zullen zij een leugen spreken en zij zullen niet slagen, want het einde is verder, op de bepaalde tijd.
28 En hij zal terugkeren naar zijn land met veel goederen en zijn hart is op het verbond van heiligheid. En hij doet en hij keert terug naar zijn land.
29 Op de bepaalde tijd zal hij terugkeren en hij komt in het zuiderland, maar het zal niet zijn als in het eerdere en als in het latere.
30 En zij komen tegen hem, boten van . En hij is nijdig en hij keert terug en hij liegt tegen het verbond van heiligheid en hij doet en hij keert terug. En hij zal een overeenkomst hebben met die het verbond van heiligheid verlaten.
31 En zijn gewapende krachten zullen staan en zij schenden het heiligdom, de vesting, en zij nemen het voortdurende weg en zij brengen de gruwel die verlaten maakt. [Matt. 24:15]
32 En hen die het verbond veroordelen zal hij verontreinigen door sluwheid. En het volk dat hun Elohim kent zal standvastig staan en doen.
33 En de verstandigen van het volk zullen aan de velen uitleggen, maar zij struikelen door het zwaard en in de brand, door gevangenschap en door dagenlange roof.
34 En bij hun struikelen zullen zij geholpen worden met een kleine hulp, maar velen zullen aan hen verplicht worden door sluw handelen.
35 En van de verstandigen zullen er struikelen om hen te louteren en te zuiveren en wit te maken, tot aan de era van het einde, want het gaat verder tot aan de bepaalde tijd.
36 En de koning doet naar zijn goeddunken en hij zal zichzelf verhogen en hij zal zichzelf groot maken tegenover iedere el, en tegen de EL van de godheden zal hij wonderlijke dingen spreken. En het gaat hem goed, totdat zijn nijdigheid wordt afgesloten. Wat besloten is wordt gedaan. [2Thess. 2:3,4] [Openb. 13:5,6]
37 En over de Elohim van zijn vaders zal hij geen begrip hebben, en over de door vrouwen Begeerde en over geen eloah zal hij begrip hebben, want hij zal zichzelf boven allen groot maken.
38 Maar de eloah van de machtige van zijn standplaats zal hij verheerlijken en een eloah die zijn vaders niet kenden zal hij verheerlijken met goud en met zilver en met kostbare steen en met begeerde schatten.
39 En hij doet om sterke vestigen met een eloah van een vreemdeling, die hij zal erkennen. Hij zal heerlijkheid doen toenemen en hij doet hen heersen over de velen en grond zal hij verdelen tegen een prijs.
40 En in de tijd van het einde zal de koning van het zuiderland tegen hem stoten. En de koning van het noorden zal hem met afschuw vervullen met strijdwagen en met cavalerie en met vele schepen. En hij komt in de landen en hij overweldigt ze en hij trekt door.
41 En hij komt in het land van de liefelijkheid en velen zullen struikelen. En deze zullen ontsnappen uit zijn hand: en en het aangrenzende land van de zonen van .
42 Hij zal zijn handen zenden in de landen en het land van zal niet worden tot verlossing.
43 En hij heerst door de reserves aan goud en zilver en door alle begeerde dingen van . En Libiërs en Ethiopiërs zijn in zijn voetstappen.
44 En rapporten zullen hem in verwarring brengen, van de zonsopgang en van het noorden. En hij gaat uit in grote furie om uit te roeien en om velen te verdoemen.
45 En hij zal de tenten van zijn koninklijke rechten plaatsen tussen de zeeën, bij de berg van liefelijkheid van heiligheid. En hij komt tot aan zijn einde en er is niemand die hem helpt.
Terug naar de indexpagina
Naar Daniël 12
|
|