| |
(Ga met de muis op een onderstreepte naam of tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En het gebeurt na de dood van , dat terugkeert om de Amalekiet te slaan. En verblijft twee dagen in .
2 En het gebeurt in de derde dag, en zie!, een man komt uit het kamp van en de zijn kleding is gescheurd en er is grond op zijn hoofd. En het gebeurt als hij bij komt, dat hij op het land valt en zich in het stof buigt.
3 En zegt tot hem: "Van waar kom je?" En hij zegt tot hem: "Ik ontsnapte uit het kamp van ."
4 En zegt tot hem: "Wat is er aan de hand? Vertel het alstublieft aan mij!" En hij zegt: "Het volk vluchtte uit de strijd en ook vielen velen van het volk en zij sterven. En ook en , zij stierven." [1Sam. 31:4-6]
5 En zegt tot de jongeman die het hem vertelt: "Hoe weet jij dat en , zijn zoon, stierven?"
6 En de jongeman die het hem vertelt zegt: "Ik was bij toeval op de berg , en zie!, leunde op zijn speer en zie!, de strijdwagen en de bezitters van de paarden volgden hem.
7 En hij kijkt achter zich en hij ziet mij. En hij roept mij en ik zeg: Zie mij!
8 En hij zegt tot mij: Wie ben jij? En ik zeg tot hem: Ik ben een Amalekiet.
9 En hij zegt tot mij: Sta, alstublieft, over mij en breng mij ter dood, want het angstkleed houdt mij vast, want heel mijn ziel is nog in mij.
10 En ik sta over hem en breng hem ter dood, want ik wist dat hij niet leeft na zijn val. En ik neem de tekenen die op zijn hoofd zijn en de mars-armband die aan zijn arm is en ik breng ze hier, bij mijn heer."
11 En pakt zijn kleding vast en hij scheurt ze, net als alle stervelingen die bij hem zijn.
12 En zij weeklagen en zij huilen en zij vasten tot de avond over en over , zijn zoon, en over het volk van Jahweh en over het huis van , omdat zij in het zwaard vielen.
13 En zegt tot de jongeman die het hem verteld had: "Van waar ben je?" En hij zegt: "Ik ben een zoon van een bijwonende man, een Amalekiet."
14 En zegt tot hem: "Waarom was jij niet bang om jouw hand uit te strekken om de gezalfde van Jahweh te verwoesten?"
15 En roept tot een van de jongemannen en hij zegt: "Kom dichtbij, kom tegen hem!" En hij slaat hem en hij sterft.
16 En zegt tot hem: "Jouw bloed is op jouw hoofd, want jouw mond heeft tegen jou geantwoord, zeggend: Ik bracht de gezalfde van Jahweh ter dood." [2Sam. 4:10-12]
17 En zingt deze klaagzang over en over , zijn zoon,
18 en hij zegt, 'De Boog' lerend aan de zonen van Juda: "Zie! er staat geschreven in de rol van de Oprechte: [Joz. 10:13]
19 De luister van . Op uw hoge plaatsen is een gewonde. Hoe vielen de machtigen!
20 Het moet niet zo zijn dat jullie het in vertellen. Het moet niet zo zijn dat jullie berichten brengen in de straten van , anders verheugen de dochters van de Filistijnen zich, anders zijn de dochters van de onbesnedenen vrolijk.
21 Bergen van ! Er moet geen nachtmist zijn, er moet geen regen zijn op jullie en op de velden van de hefoffers, want daar werd het schild van de machtige verafschuwd, het schild van , zonder gezalfd te zijn met olie.
22 Van het bloed van de gewonden, van het vet van de machtigen, werd de boog van niet naar achteren weggedraaid en het zwaard van keerde niet leeg terug.
23 en , zij werden geliefd en waren de aangenamen tijdens hun levens, en in hun dood werden zij niet gescheiden. Zij waren sneller dan gieren, over leeuwen waren zij machtiger.
24 Dochters van , weeklaag voor , die jullie kleedt in dubbel gedompeld scharlaken, met weelde, die een sieraad van goud aanbrengt op jullie kleding.
25 Hoe vielen de machtigen in het midden van de strijd. ! Op jouw hoge plaatsen is een gewonde.
26 Het benauwt mij, mijn broeder . Jij was zeer aangenaam voor mij. Jouw liefde was wonderbaarlijk voor mij, meer dan de liefde van vrouwen.
27 Hoe vielen de machtigen! En de wapenen van de oorlog vergaan!"
Terug naar de indexpagina
Naar 2Samuël 2
|
|