| |
(Ga met de muis op een onderstreepte naam of tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En het gebeurt daarna dat aan Jahweh vraagt, zeggend: "Zal ik opgaan in een van de steden van ?" En Jahweh zegt tot hem: "Ga op!" En zegt: "Waarheen zal ik opgaan?" En Hij zegt: "Naar ."
2 En gaat daarheen op. En ook zijn twee vrouwen, , de Jezreëlitische, en , de Carmelitische, [1Sam. 25:42,43]
3 en zijn stervelingen die met hem zijn, bracht op, een man en zijn huishouding, en zij verblijven in de steden van .
4 En de stervelingen van komen en zij zalven daar tot koning over het huis van , en zij vertellen aan , zeggend: "De stervelingen van waren het die begroeven." [1Sam. 31:11-13]
5 En zendt boodschappers naar de stervelingen van en hij zegt tot hen: "Gezegend zijn jullie voor Jahweh. Jullie deden deze vriendelijkheid met mijn heer, met , want jullie begraven hem.
6 En nu, Jahweh zal vriendelijkheid met jullie doen en trouw, en ook ik zal met jullie deze goedheid doen, omdat jullie dit ding deden.
7 En nu, jullie handen zullen standvastig zijn en weest tot zonen van kracht, want jullie heer, , stierf. En ook: het huis van zalfde mij tot koning over hen."
8 En , zoon van , leider van de menigte die bij was, nam , zoon van , en hij brengt hem over naar .
9 En hij maakt hem tot koning over en over de Ashurieten en over Jezreël en over en over en over , over hen allen.
10 is een zoon van veertig jaren bij zijn koning worden over . En hij regeerde twee jaren. Alleen het huis van was achter .
11 En het aantal van de dagen dat koning was in , over het huis van , was zeven jaren en zes maanden.
12 En , zoon van , en dienaren van , zoon van , gaan uit van naar .
13 En , zoon van , en dienaren van , gingen uit en zij komen elkaar tegen bij de vijver van . En zij zitten, dezen aan deze zijde van de vijver en dezen aan de andere zijde van de vijver. [1Kron. 11:6]
14 En zegt tot : "De jongemannen zullen, alstublieft, opstaan en zij zullen spelen voor ons aangezicht." En zegt: "Zij zullen opstaan."
15 En zij staan op, en zij steken over, in aantal twaalf voor en voor , zoon van , en twaalf van de dienaren van .
16 En zij grijpen vast, ieder aan het hoofd van zijn naaste, en zijn zwaard is in de zijde van zijn naaste. En zij vallen samen. En deze plaats wordt genoemd, dat is in .
17 En de strijd wordt die dag buitengewoon hard. En wordt geslagen en de stervelingen van , voor het aangezicht van de dienaren van .
18 En er waren daar drie zonen van : en en . En is snel op zijn voeten, zoals een van de gazellen die in het veld zijn. [1Kron. 2:16]
19 En achtervolgt en hij keerde niet weg van achter , naar rechts en naar links.
20 En kijkt achter zich en hij zegt: "Ben jij dat, ?" En hij zegt: "Ik ben het."
21 En zegt tot hem: "Keer je weg naar jouw rechter of naar jouw linker en grijp voor jou een van de jongemannen en neem voor jezelf zijn kleding." Maar wilde niet wegkeren van achter hem.
22 En gaat verder, zeggend tot : "Keer je af van achter mij. Waarom zal ik jou naar het land slaan? En hoe verhef ik mijn aangezicht naar , jouw broeder?"
23 En hij weigert om af te keren, en slaat hem met het achtereinde van de speer op de vijfde rib. En de speer komt uit zijn achterzijde en hij valt daar en hij sterft onder hem. En het gebeurt dat een ieder die komt op de plaats waar viel, stil staat.
24 En en achtervolgen . En de zon ging onder en zij kwamen tot zo ver als de heuvel van , dat is voor , aan de weg van de wildernis van .
25 En de zonen van verzamelen zich achter en zij worden tot één groep en zij staan op de top van een heuvel.
26 En roept naar en hij zegt: "Zal het zwaard blijvend verteren? Ben jij je niet bewust dat het aan het einde bitter zal zijn? En tot wanneer zal jij niet tot het volk zeggen om weg te keren van achter hun broeders?"
27 En zegt: "De Elohim leeft! Als jij niet had gesproken was het volk vanaf de morgen op gegaan, een ieder achter zijn broeder."
28 En blaast in de trompet en heel het volk staat stil. En zij achtervolgen niet verder, en zij gingen niet verder door met vechten.
29 En en zijn stervelingen gingen door de vlakte, heel die nacht. En zij steken de over en zij gaan door heel en zij komen in .
30 En keerde terug van achter en hij verzamelt heel het volk en men miste van de dienaren van negentien mannen en .
31 En de dienaren van sloegen van en van de stervelingen van driehonderdenzestig mannen; zij stierven.
32 En zij dragen en zij begraven hem in het graf van zijn vader, dat in is. En zij gaan heel de nacht, en zijn stervelingen, en het wordt voor hen licht in .
Terug naar de indexpagina
Naar 2Samuël 3
|
|