| |
(Ga met de muis op een onderstreepte naam of tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En de dagen van om te sterven komen naderbij en hij geeft , zijn zoon, opdracht, zeggend:
2 "Ik ga de weg van heel het land en jij bent standvastig en wordt een man,
3 en hou de wacht van Jahweh, jouw Elohim, gaande op Zijn wegen, Zijn inzettingen waarnemend, Zijn opdrachten en Zijn oordelen en Zijn getuigenissen, zoals die geschreven staan in de wet van , zodat jij verstandig zal zijn in al wat jij zal doen en overal waarheen jij jouw aangezicht zal keren,
4 zodat Jahweh Zijn woord zal bevestigen dat Hij tot mij sprak, zeggend: Indien jouw zonen hun weg houden om voor Mijn aangezicht te gaan in trouw, met heel hun hart en met heel hun ziel, zeggend: Er zal geen man afgesneden worden van de troon van . [1Kon. 9:5]
5 En bovendien: jij weet wat , zoon van , tegen mij deed, wat hij deed tegen twee leiders van de menigten van , tegen , zoon van , en tegen , zoon van . En hij doodt hen en hij plaatst het bloed van de strijd in vredestijd en hij doet bloed van de strijd in zijn gordel die om zijn middel is en in zijn sandalen die aan zijn voeten zijn. [2Sam. 20:10]
6 En jij, doe naar jouw wijsheid en jij zal zijn grijze haren niet in vrede in Sheol laten neerdalen.
7 En aan de zonen van , de Gileadiet, zal jij vriendelijkheid doen, en zij worden tot hen die eten aan jouw tafel, want zo kwamen zij naderbij tot mij, toen ik wegrende van het aangezicht van , jouw broer. [2Sam. 17:27-29]
8 En zie!, met jou is , zoon van , zoon van de Jamiet uit , en hij kleineerde mij zeer, een kwelling in de dagen toen ik naar ging. En hij kwam af om mij te ontmoeten bij de en ik zweerde hem bij Jahweh, zeggend: Ik breng jou ter dood door het zwaard. [2Sam. 16:5-7] [2Sam. 19:16,17]
9 En nu moet het niet zo zijn dat jij hem voor onschuldig houdt, want jij bent een wijs man en jij weet wat jij met hem zal doen. En jij laat zijn grijze haren afdalen met bloed in ."
10 En ligt neer bij zijn vaders. En hij wordt begraven in de stad van .
11 En de dagen waarin regeerde over waren veertig jaren. In regeerde hij zeven jaren en in regeerde hij drie en dertig jaren. [2Sam. 5:4,5]
12 En zat op de troon van , zijn vader, en zijn koninkrijk werd zeer gevestigd. [1Kron. 29:23]
13 En , zoon van , komt bij , moeder van , en zij zegt: "Kom jij in vrede?" En hij zegt: "Vrede!"
14 En hij zegt: "Ik heb een woord van mij voor u." En zij zegt: "Spreek."
15 En hij zegt: "U weet dat het koninkrijk voor mij was, want heel plaatste hun aangezicht op mij om koning te worden. En het koninkrijk wordt omgekeerd en het wordt voor mijn broer, want het werd voor hem van Jahweh.
16 En nu heb ik één verzoek dat ik van u vraag. Het moet niet zo zijn dat u uw aangezicht wegkeert." En zij zegt: "Spreek!"
17 En jij zegt: "Zeg alstublieft tot , de koning, dat hij uw aangezicht niet afkeert en hij mij , de Shunamitische, zal geven als vrouw."
18 En zegt: "Goed, ik zal voor jou tot de koning spreken."
19 En komt bij koning om met hem te spreken over en de koning staat op om haar te ontmoeten en hij buigt voor haar. En hij zit op zijn troon en men plaatst een troon voor de moeder van de koning. En zij zit rechts van hem.
20 En zij zegt: "Ik vraag van jou een klein verzoek. Het moet niet zo zijn dat jij jouw aangezicht van mij afkeert." En de koning zegt tot haar: "Vraag, mijn moeder, want ik zal uw aangezicht niet afkeren."
21 En zij zegt: ", de Shunamitische, zal aan , jouw broer, tot vrouw gegeven worden."
22 En koning antwoordt en hij zegt tot zijn moeder: "En waarom vraagt u , de Shunamitische, voor ? Vraag voor hem ook het koninkrijk - want hij is mijn grote broer - en voor , de priester, en voor , zoon van ."
23 En koning zweert bij Jahweh, zeggend: "Zo zal Elohim met mij doen en zo zal Hij toevoegen, want sprak dit woord tegen zijn ziel.
24 En nu, Jahweh leeft, Die mij vestigde en Die mij doet zitten op de troon van , mijn vader, en Die voor mij een huis maakte zoals Hij sprak. Vandaag zal ter dood gebracht worden."
25 En koning zendt door de hand van , zoon van , en hij komt over hem en hij sterft.
26 En de koning zei tot , de priester: "Ga naar , op jouw velden, want jij bent een man van de dood. Maar in deze dag zal ik jou niet ter dood brengen, want jij droeg de kist van mijn heer Jahweh voor het aangezicht van , mijn vader, en omdat jij jezelf nederig hield in alles waarin mijn vader zich nederig hield." [2Sam. 15:24] [1Sam. 22:20-23]
27 En verdrijft van het priester zijn voor Jahweh, om het woord van Jahweh te vervullen dat Hij sprak over het huis van in .
28 En het bericht kwam tot - want keerde zich achter , maar achter keerde hij zich niet - en vlucht naar de tent van Jahweh en hij houdt vast aan de hoornen van het altaar.
29 En koning wordt verteld dat vluchtte naar de tent van Jahweh, en zie!, naast het altaar. En zendt , zoon van , zeggend: "Ga! Kom op tegen hem!"
30 En komt naar de tent van Jahweh en hij zegt tot hem: "Zo zegt de koning: Kom uit!" En hij zegt: "Nee, want hier zal ik sterven." En brengt het woord terug naar de koning, zeggend: "Zo sprak en zo antwoordde hij mij."
31 En de koning zegt tot hem: "Doe zoals hij sprak en kom op tegen hem. En jij begraaft hem en jij neemt het bloed weg dat zonder reden deed vloeien van mij en van het huis van mijn vader.
32 En Jahweh brengt zijn bloed terug op zijn hoofd, dat kwam over twee rechtvaardige stervelingen en beter dan hij. En hij doodt hen met het zwaard - en mijn vader wist het niet - , zoon van , leider van de menigte van , en , zoon van , leider van de menigte van .
33 En hun bloed keert terug op het hoofd van en op het hoofd van zijn zaad, voor de aion. En voor en voor zijn zaad en voor zijn huis en voor zijn troon zal er vrede zijn tot de aion, van Jahweh."
34 En , zoon van , gaat op en hij komt op tegen hem en hij brengt hem ter dood. En hij wordt begraven in zijn huis, in de wildernis.
35 En de koning geeft , zoon van , in plaats van hem als hoofd over de menigte, en , de priester, gaf de koning in plaats van .
36 En de koning zendt en hij roept om en hij zegt tot hem: "Bouw voor jou een huis in en verblijf daar en jij zal van daar niet uit gaan, waarheen dan ook.
37 En het gebeurt in de dag dat jij uit gaat en jij de waterloop van de Kidron oversteekt, weet dan zeker dat jij zal sterven - jouw bloed zal op jouw hoofd komen."
38 En zegt tot de koning: "Het woord is goed. Zoals mijn heer, de koning, sprak, zo zal uw dienaar doen." En verblijft in , vele dagen.
39 En het gebeurt aan het einde van drie jaren, dat twee van de dienaren van wegrennen naar , zoon van , koning van . En men vertelt aan , zeggend: "Zie! Uw dienaren zijn in ."
40 En staat op en hij zadelt zijn ezel en hij gaat naar , naar , om zijn dienaren te zoeken. En gaat en hij brengt zijn dienaren uit .
41 En men vertelt aan dat uit ging, naar , en dat hij terugkeert.
42 En de koning zendt en hij roept om en hij zegt tot hem: "Bezwoer ik jou niet bij Jahweh? En ik getuig tegen jou, zeggend: Op de dag dat jij uit gaat en jij waarheen dan ook gaat, zal jij zeker weten dat jij zal sterven. En jij zegt tot mij: Het woord is goed, ik gehoorzaam?
43 En waarom hield jij je niet aan de eed van Jahweh en aan de opdracht die ik jou opdroeg?"
44 En de koning zegt tot : "Jij weet al het kwaad dat jouw hart deed dat je deed tegen , mijn vader. En Jahweh brengt jouw kwaad terug op jouw hoofd.
45 Maar de koning, , is gezegend en de troon van zal gevestigd worden voor het aangezicht van Jahweh tot de aion."
46 En de koning geeft , zoon van , opdracht en hij gaat uit en hij komt op tegen hem en hij sterft. En het koninkrijk werd gevestigd in de hand van .
Terug naar de indexpagina
Naar 1 Koningen 3
|
|