| |
(Ga met de muis op een onderstreepte naam of tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En wordt schoonzoon van Farao, koning van . En hij neemt de dochter van Farao en hij brengt haar naar de stad van , totdat hij klaar is met het bouwen van zijn huis en het huis van Jahweh en de muur van , rondom. [1Kon. 7:8]
2 Maar het volk brengt offers op hoge plaatsen, omdat het huis voor de naam van Jahweh nog niet was gebouwd, tot op die dagen.
3 En houdt van Jahweh, gaande in de inzettingen van , zijn vader, maar hij offert en doet wierook roken op de hoge plaatsen.
4 En de koning gaat naar om daar te offeren, want dat is een grote hoge plaats. Duizend opstijgoffers brengt op dat altaar.
5 In verscheen Jahweh aan in een nachtdroom en Elohim zegt: "Vraag! Wat zal Ik jou geven?" [1Kon. 9:2]
6 En zegt: "U deed met Uw dienaar grote vriendelijkheid, aangezien hij voor Uw aangezicht ging in trouw en in rechtvaardigheid en in oprechtheid van hart, met U. En U houdt voor hem deze grote vriendelijkheid en u geeft aan hem een zoon, zittend op zijn troon, zoals op deze dag.
7 En nu, Jahweh, mijn Elohim, U maakte Uw dienaar koning in plaats van , mijn vader. En ik ben een kleine jongen; ik weet niet hoe uit te gaan en in te komen.
8 En Uw dienaar is in het midden van Uw volk, dat U koos, een talrijk volk dat niet geteld zal worden en niet gerekend vanwege de menigte.
9 En geef aan Uw dienaar een luisterend hart om Uw volk te oordelen, om te onderscheiden tussen goed en kwaad, want wie zal in staat zijn dit zware volk van U te oordelen?"
10 En het woord is goed in de ogen van de Heer, omdat deze zaak vroeg.
11 En Elohim zegt tot hem: "Omdat jij deze zaak vroeg en jij niet voor jou vele dagen vroeg en jij niet voor jou om rijkdom vroeg en jij niet vroeg om de ziel van een van jouw vijanden, maar jij voor jou vroeg om te begrijpen om oordelen aan te kondigen,
12 zie!, Ik doe naar jouw woorden. Zie!, Ik geef jou een wijs hart en begrip, dat er niet was als jij voor jouw aangezicht. En na jou zal er niemand opstaan als jij. [Pred. 1:16]
13 En bovendien: wat jij niet vroeg geef Ik jou, ook rijkdommen, ook heerlijkheid, die er niet was zoals jij, een man onder de koningen, al jouw dagen.
14 En indien jij gaat in Mijn wegen, Mijn inzettingen en Mijn opdrachten houdend, zoals jouw vader ging, dan verleng Ik jouw dagen."
15 En wordt wakker, en zie!, het was een droom. En hij komt in en hij staat voor de kist van het verbond van de Heer en hij brengt een opstijgoffer. En hij maakt een feest voor al zijn dienaren.
16 Dan komen twee vrouwen, prostituees, naar de koning en zij staan voor zijn aangezicht.
17 En de ene vrouw zegt: "O, mijn heer. Ik en deze vrouw verblijven in één huis en ik baarde bij haar in het huis.
18 En het gebeurt in de derde dag van mijn baren dat ook deze vrouw baart en wij zijn samen. Er is geen vreemdeling bij ons in het huis, uitgezonderd wij twee in het huis.
19 En de zoon van deze vrouw sterft in de nacht, omdat zij op hem lag.
20 En zij staat op in het midden van de nacht en zij neemt mijn zoon naast mij weg - en uw dienares slaapt - en zij legt hem aan haar boezem, en haar zoon, die dood is, legt zij aan mijn boezem.
21 En ik sta in de morgen op om mijn zoon te zogen, en zie!, hij is dood! En ik onderzoek hem in de morgen en zie!, hij was niet mijn zoon die ik baarde."
22 En de andere vrouw zegt: "Nee, want mijn zoon is de levende en jouw zoon is de dode." En deze zegt: "Nee, want jouw zoon is de dode en mijn zoon is de levende." En zij spreken voor het aangezicht van de koning.
23 En de koning zegt: "Deze zegt: Dit is mijn zoon, de levende en de zoon van jouw is de dode, maar deze zegt: Nee, want jouw zoon is de dode en mijn zoon is de levende."
24 En de koning zegt: "Neemt voor mij een zwaard." En zij brengen het zwaard voor het aangezicht van de koning.
25 En de koning zegt: "Deel de jongen, de levende, in twee, en geeft de helft aan de een en de helft aan de ander."
26 En de vrouw van wie de zoon, de levende, is, spreekt tot de koning (want haar mededogen over haar zoon was vurig) en zij zegt: "O mijn heer, geef aan haar de geborene, de levende, en u moet hem zeker niet ter dood brengen." En de ander zegt: "Hij zal niet voor mij en niet voor jou zijn. Deelt!"
27 En de koning antwoordt en hij zegt: "Geeft aan haar de geborene, de levende, en jullie zullen hem zeker niet ter dood brengen. Zij is de moeder."
28 En heel hoort het oordeel dat de koning oordeelde en zij vrezen voor het aangezicht van de koning, want zij zagen dat wijsheid van Elohim in zijn binnenste is om te oordelen.
Terug naar de indexpagina
Naar 1 Koningen 4
|
|