| |
(Ga met de muis op een onderstreepte naam of tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En de koning, , was oud, hij kwam op dagen. En zij bedekken hem met mantels, maar hij heeft het niet warm.
2 En zijn dienaren zeggen tot hem: "Men zal voor mijn heer de koning een meisje zoeken, een maagd. En zij staat voor het aangezicht van de koning en zij zal voor hen zijn als iemand die zorgt. En zij ligt neer in uw schoot, dan krijgt mijn heer, de koning, het warm."
3 En men zoekt een liefelijk meisje in heel het grensgebied van en men vindt , de Shunamitische, en zij brengen haar bij de koning.
4 En het meisje is liefelijk tot aan het buitengewone en zij wordt voor de koning als iemand die zorgt. En zij dient hem, maar de koning kende haar niet.
5 En , zoon van , verheft zichzelf, zeggend: "Ik zal koning zijn!" En hij maakt voor zich een strijdwagen en ruiters klaar en vijftig mannen rennen voor zijn aangezicht. [2Sam. 3:4]
6 En zijn vader bedroefde hem niet in zijn dagen, zeggend: "Waarom heb je dit gedaan?" En bovendien is hij zeer goed van gestalte en zijn moeder baarde hem na .
7 En zijn woorden komen bij , zoon van , en bij , de priester, en zij volgen , hem helpend.
8 En , de priester, en , zoon van , en , de profeet, en en en de machtigen die met waren, zij waren niet met .
9 En offert van de schaapskudde en van het grootvee en van het gemeste bij de steen van de , die bij is. En hij nodigt al zijn broers uit, zonen van de koning, en al de stervelingen van , dienaren van de koning.
10 Maar , de profeet, en en de machtigen en , zijn broer, nodigde hij niet uit.
11 En spreekt tot , de moeder van , zeggend: "Hoorde u niet dat , zoon van , koning werd en dat onze heer het niet weet? [2Sam. 12:24]
12 En nu, ga! Alstublieft, ik zal u raad geven, doe uw ziel ontsnappen en de ziel van uw zoon, .
13 Ga, en ga binnen bij de koning, , en zeg tot hem: Zwoer u niet, mijn heer, de koning, tot uw dienares, zeggend dat , uw zoon, na mij zal regeren en dat hij zal zitten op mijn troon? Waarom werd dan koning?
14 Zie!, terwijl u daar nog spreekt met de koning, dan zal ik binnen komen na u en ik vul uw woorden aan."
15 En komt tot de koning, in de kamer. En de koning was zeer oud en , de Shunamitische, dient de koning.
16 En buigt het hoofd en werpt zich in het stof voor de koning. En de koning zegt: "Wat is er met jou?"
17 En zij zegt tot hem: "Mijn heer, u zwoer bij Jahweh, uw Elohim, tot uw dienares dat , uw zoon, zal regeren na mij en hij zal zitten op mijn troon.
18 En nu, zie!, , hij werd koning! En nu, mijn heer, de koning, u weet het niet.
19 En hij offert een stier en het gemeste en van de schaapskudde en hij nodigt alle zonen van de koning uit en , de priester, en , de leider van de menigte. Maar , uw dienaar, nodigde hij niet uit.
20 En u, mijn heer, de koning, de ogen van heel zijn op u om hen te vertellen wie zal zitten op de troon van mijn heer, de koning, na hem.
21 En het gebeurt wanneer mijn heer, de koning, neerligt bij zijn vaders, dat ik en mijn zoon als zondaren gerekend worden."
22 En zie!, terwijl zij nog spreekt met de koning, komt , de profeet, binnen.
23 En zij vertellen de koning, zeggend: "Zie!, , de profeet!" En hij komt voor het aangezicht van de koning en hij werpt zich in het stof voor de koning, op zijn neusvleugels, naar het land.
24 En zegt: "Mijn heer, de koning, u zei: , hij zal na mij regeren en hij zal zitten op mijn troon,
25 want hij ging vandaag af en hij offert een stier en van het gemeste en van de schaapskudde, in overvloed, en hij nodigt alle zonen van de koning uit en de leiders van de menigte en , de priester, en zie!, ze eten en drinken voor zijn aangezicht en zij zeggen: Leve de koning !
26 Maar mij, ik ben uw dienaar, en , de priester, en , zoon van en , uw dienaar, nodigde hij niet uit.
27 Indien deze zaak van mijn heer de koning kwam, dan maakte u niet bekend aan uw dienaren wie na hem zal zitten op de troon van mijn heer, de koning."
28 En de koning, , antwoordt en zegt: "Roept voor mij !" En zij komt voor het aangezicht van de koning en zij staat voor het aangezicht van de koning.
29 En de koning zweert en hij zegt: "Bij het leven van Jahweh, Die mijn ziel vrijkocht van alle benauwdheid!
30 Want zoals ik zwoer tot jou bij Jahweh, Elohim van , zeggend dat , jouw zoon, na mij regeren zal en hij zal zitten op mijn troon in mijn plaats, zo zal ik dit vandaag doen."
31 En buigt haar hoofd, neusvleugels naar het land, en zijn buigt zich in het stof voor de koning en zij zegt: "Mijn heer, koning , zal leven voor de aion."
32 En koning zegt: "Roept voor mij , de priester, en , de profeet, en , zoon van ." En zij komen voor het aangezicht van de koning.
33 En de koning zegt tot hen: "Neemt met jullie dienaren van jullie heer en laat , mijn zoon, rijden op de muilezel die van mij is. En jullie brengen hem naar .
34 En , de priester, en , de profeet, zalven hem daar tot koning over . En jullie blazen in de trompet en jullie zeggen: De koning, , zal leven!
35 En jullie komen op na hem; en hij komt en hij zit op mijn troon en hij zal regeren in mijn plaats. En hem draag ik op regeerder te worden over en over ."
36 En , zoon van , antwoordt de koning en hij zegt: "Amen, zo zal Jahweh, de Elohim van mijn heer, de koning, zeggen.
37 Zoals Jahweh met mijn heer, de koning, was, zo zal Hij zijn met . En Hij zal zijn troon groter maken dan de troon van mijn heer, koning .
38 En , de priester, en , de profeet, en , zoon van , en de Keretiet en de Peletiet gaan af en zij laten rijden op de muilezel van koning en zij doen hem naar gaan.
39 En , de priester, neemt de hoorn met olie uit de tent en hij zalft . En zij blazen in te trompet en al het volk zegt: "Koning zal leven!"
40 En al het volk gaat op achter hem en het volk fluit in de fluiten en die blij zijn verheugen zich zeer en het land wordt gespleten door hun geluid.
41 En hoort, en alle uitgenodigden die bij hem zijn, en zij hielden op met eten. En hoort het geluid van de trompet en hij zegt: "Waarom roept het geluid uit de stad?"
42 Terwijl hij nog spreekt, zie!, , zoon van , kwam. En zegt: "Kom binnen, want jij bent een man van kracht en jij brengt goede berichten."
43 En antwoordt en hij zegt tot : "Ja, maar toch heeft onze heer, koning , koning gemaakt,
44 en de koning zendt met hem , de priester, en , de profeet, en , zoon van , en de Keretiet en de Peletiet, en zij laten hem rijden op de muilezel van de koning.
45 En zij - , de priester, en , de profeet - zalven hem tot koning in , en zij komen van daar op, zich verheugend en de stad roept. Dat is het geluid wat jullie hoorden.
46 En ook zit op de troon van het koninkrijk.
47 En bovendien kwamen de dienaren van de koning om onze heer, koning , te zegenen, zeggend: Uw Elohim zal de naam van groter maken dan uw naam en Hij zal zijn troon groter maken dan uw troon. En de koning aanbidt op het bed.
48 En ook zei de koning als volgt: Gezegend is Jahweh, Elohim van , die vandaag iemand gaf om te zitten op mijn troon, en mijn ogen zien het."
49 En zij beven en zij staan op, allen die uitgenodigd waren voor , en zij gaan, een ieder zijn weg.
50 En was bang voor het aangezicht van . En hij staat op en hij gaat en hij houdt de hoornen van het altaar vast.
51 En het wordt verteld aan , zeggend: "Zie!, is bang voor koning , en zie!, hij houdt de hoornen van het altaar vast, zeggend: Koning zal vandaag tot mij zweren dat hij zijn dienaar niet ter dood zal brengen door het zwaard."
52 En zegt: "Indien hij een waardig man zal zijn, zal er geen haar van hem op het land vallen, maar indien er kwaad in hem gevonden wordt, dan sterft hij."
53 En de koning, , zendt en men brengt hem af van het altaar. En hij gaat binnen en hij buigt zich neer in het stof voor koning . En zegt tot hem: "Ga naar jouw huis."
Terug naar de indexpagina
Naar 1 Koningen 2
|
|