Dit is een eigen Het Beste Nieuws vertaling van
Mattheüs
Hoofdstuk 22

   
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst.
Klik op "Commentaar" en u krijgt een stukje tekst dat slaat op dit vers)


1 En antwoordend* spreekt* °Jezus opnieuw tot hen in gelijkenissen, zeggend: [Commentaar]
Concordant Commentaar op het NT door A.E. Knoch

1-9

Vergelijk met Lukas 14:15-24

[Commentaar]
Concordant Commentaar op het NT door A.E. Knoch

1

Deze gelijkenis zou nooit gebruikt mogen worden om het evangelie voor vandaag te illustreren. In de eerste plaats wordt geen van de natiën in deze bedeling naar de bruiloft geroepen. Die zal plaatsvinden in het koninkrijk, waarvoor we niet uitgenodigd zijn. Ook wordt er niemand vandaag in het evangelie uitgenodigd en vervolgens verworpen vanwege onwaardigheid. Dat is wel waar voor Israel als natie, tot wie onze Heer spreekt De gelijkenis verwijst naar de verschillende proclamaties van het koninkrijk. De eerste werd gemaakt door de apostelen terwijl Hij nog bij hen was. Het was verworpen geworden toen onze Heer sprak. De tweede werd gedaan in de Pinkstertijd, nadat alle voorbereidingen waren gemaakt door het offer van Christus. Ook dat wordt verworpen en vraagt om de vernietiging van Jeruzalem. De laatste verkondiging is nog toekomst, wanneer de Heer zal handelen in oordeel en ze zal dringen binnen te komen. De kleding op zulke bruiloften werd geleverd door de gastheer. God zal in die dag Zijn volk voorzien van rechtvaardigheid. Niemand kan in zijn eigen rechtvaardigheid blijven.

Er dient opgemerkt te worden dat dit een heel andere figuur is dan die van de bruid. Zij die hier de uitnodiging aanvaarden zijn gasten. De bruid verschijnt niet in beeld en zou in de interpretatie geheel uit beeld moeten blijven. Dezelfde heiligen die elders gezien worden onder het beeld van de bruid, worden hier gezien onder het beeld van gasten, omdat de waarheid hier oordeel is en niet liefde, en kon niet ontwikkeld worden in de nauwere relatie. Het belangrijkste punt is dat zij die uitgenodigd zijn, of geroepen, niet noodzakelijk uitverkorenen zijn. In de verkondiging van het koninkrijk in de dag van onze Heer en in de Pinkstertijd waren velen uitgenodigd, maar weinig uitverkoren. In die dag kwamen sommigen eerst en werden later verworpen omdat zij afvielen. De laatste uitnodiging gaat zeer zeker niet uit naar de heidenen. Ze gaat uit in dezelfde stad. De gelijkenis van de maagden (25:1) neemt de relatie ter hand van de andere natiën met Israel in het koninkrijk.


2 "Het koninkrijk van de hemelen werd vergeleken* met een man, een koning, die huwelijksvoorbereidingen treft* voor zijn °zoon.
3 En hij zendt* zijn °slaven om de genodigden te roepen* voor de huwelijksfestiviteiten, en zij wilden niet komen*.
4 Opnieuw zendt* hij slaven, andere, zeggend: 'Zegt* tot de genodigden: 'Zie*! Mijn °lunch heb ik klaargemaakt, mijn °stieren en graan-gevoede dieren werden geofferd en alles is klaar! Komt voor de huwelijksfestiviteiten!'
5 Doch de onverschilligen gingen* weg, die naar het eigen veld, en die naar zijn °handel.
6 En de anderen, zijn °slaven vasthoudend, beledigen en doden hen. [Matt. 21:35]
7 De koning nu is verontwaardigd* en, zijn °troepen zendend*, vernietigt* die °moordenaars en steekt* hun °stad in brand.
8 Dan zegt hij tot zijn °slaven: 'Het huwelijk is wel klaar, maar de genodigden waren niet waardig.
9 Gaat dan op de uitgangen van de wegen en zovelen als jullie zullen vinden*, roept* hen naar het huwelijk.'
10 En die °slaven gaan* uit op de wegen, allen verzamelend* die zij vonden, bozen zowel als goeden. En het huwelijk wordt gevuld* met aanliggende gasten.
11 De koning nu, binnenkomend* om naar de aanliggenden te kijken*, nam daar een man waar die niet een bruiloftskleed had aangedaan.
12 En hij zegt tot hem: 'Kameraad! Hoe ben jij hier binnen gekomen*, geen bruiloftskleed hebbend?' Doch deze was verstomd*.
13 Toen zei* de koning tot de dienaren: 'Bindt* hem met voeten en handen. Werpt* hem in de buitenste duisternis. Daar zal het weeklagen en het knarsen van °tanden zijn. [Matt. 8:12] - [Matt. 13:42]
14 Want velen zijn geroepenen, doch weinigen uitverkorenen.'" [Commentaar]
Concordant Commentaar op het NT door A.E. Knoch

14

Zie 20:16


15 Toen, gegaan* zijnde, hielden* de Farizeeën overleg, hoe ze Hem zouden vangen* op een woord. [Commentaar]
Concordant Commentaar op het NT door A.E. Knoch

15-22

Vergelijk met markus 12:13-17; Lukas 20:20-26

[Commentaar]
Concordant Commentaar op het NT door A.E. Knoch

15

Overdreven vleierij heeft de ondergang van menig mens bewezen, en faalt maar zelden om hen niet op hun hoede te doen zijn. De man van God zou er voor moeten oppassen, want het is veel gevaarlijker dan lastering. Maar het misleidde onze Heer niet. Was Hij echt? Was Hij onbevreesd om de weg van God in waarheid te onderwijzen? Werd Hij niet bewogen door mensen? Waren hun listen voor Hem te doorzichtig? Als dat zo was, en het was zo, dan geloofden zij het niet. Maar Hij toonde al snel aan dat hun vleierij een feit was. Hij doorzag hun valstrik en beantwoordde niet alleen hun vraag, maar veroordeelde hen voor een van de misdaden die zij hoopten aan Hem te kunnen binden.

Hij heeft hen laten zien hoe weinig gezag ze hebben. Zij kennen hun hulpeloosheid. Ze moeten Hem in conflict zien te krijgen met het volk of met de regering. Dan zouden ze Zijn vernietiging kunnen bewerkstelligen. Ze formuleren een vraag waarbij ze Hem het antwoord in de mond leggen. Indien Hij “Ja” zou zeggen, zouden de Farizeeën het volk op de hoogte brengen en zou Hij Zijn populariteit verspelen. Indien Hij “Nee” zou zeggen, zouden de Herodianen Hem aanklagen voor de regering en zou Hij berecht worden voor opruiïng. Daarom ontloopt Hij de val in de vraag. Zolang zij de Romeinse munt aanvaardden, waren zij verplicht Rome’s overheersing te aanvaarden en belasting te betalen.

Het gebruik van de Romeinse munteenheid gaf hun onderschikking aan Rome aan. Zolang ze onderschikt waren, moesten ze betalen. Het gebruik van de tempelmunteenheid toonde hun onderschikking aan God aan. Ook aan Hem zouden ze het Zijne moeten geven.


16 En zij zenden Hem hun °discipelen, met de Herodianen, zeggend: "Leraar! Wij hebben waargenomen dat U waar bent en U leert in waarheid de weg van °God en U maakt u geen zorgen om wie dan ook, want U kijkt niet naar het gezicht van mensen. [Mar. 3:6]
17 Zeg* ons dan, wat U denkt. Is het toegestaan belasting te betalen aan Caesar of niet?"
18 °Jezus nu, hun boosaardigheid kennend*, zei*: "Waarom beproeven jullie Mij, hypocrieten?
19 Toont* Mij het muntstuk van de belasting." Dezen nu brengen* Hem een denarius.
20 En Hij zegt tot hen: "Van wie is dit °beeld en de inscriptie?"
21 Zij zeggen tot Hem: "Van Caesar!" Hij dan zegt tot hen: "Betaalt dan aan °Caesar wat van °Caesar is en aan °God wat van °God is." [Rom. 13:7]
22 En het horend*, verbazen* zij zich, en Hem verlatend* gaan* zij weg.
23 In die °dag benaderden* Hem Sadduceeën, die zeggen 'Er is geen opstanding.' En zij vragen* Hem, [Hand. 23:8] [Commentaar]
Concordant Commentaar op het NT door A.E. Knoch

23-33

Vergelijk met Markus 12:18-27; Lukas 20:27-40; Zie Handelingen 23:8.

[Commentaar]
Concordant Commentaar op het NT door A.E. Knoch

23

Nu de Farizeeën en de Herodianen het zwijgen was opgelegd, probeerden de Sadduceeën hun beste argument uit op Hem. Zoals veel andere theologische gevolgtrekkingen was het gebaseerd op twee fouten: onwetendheid van de Schrift en van de kracht van God. Toch probeerden ze er een grondslag voor te vinden in de wet. De hoofdfout die gewicht leek te geven aan hun redeneren is nog steeds wijdverspreid. Het is een gebrek aan de juiste verdeling van waarheid. Wat Mozes zei voor hun leiding in dit leven, is overgezet in het leven dat nog komen zal. Mozes gaf geen wetten voor de opstanding, zeker niet met betrekking tot zaken die niet herverschijnen in het leven dat zal zijn.

Laten we alstublieft hun methoden vermijden. Ook al denken we dat we bepaalde passages uit de Schrift kunnen betrekken door een manier van redeneren of vraagstellen, bewijst het niets anders dan ons gebrek aan onderscheidingsvermogen en ons vermogen om zaken te verwarren die helder zijn wanneer men ze op hun eigen plaats laat.

Mozes maakte een voorziening dat de naam van een man niet door de dood uitgewist zou worden uit Israel (Deut. 25:5,6). Welke mogelijke plaats zou dit hebben in de opstanding, waar geen dood meer is? Waarom een voorziening treffen voor iets dat niet meer kan gebeuren? Trouwens, welke grond is er voor de gedachte dat de huwelijkse staat hervat wordt in de opstanding? Toch was er een krachtige sekte gebouwd op zulk dun ijs!


24 zeggend: "Leraar! Mozes zei* dat indien iemand zal sterven* zonder kinderen te hebben, zijn °broer zijn °vrouw zal trouwen en hij zal zaad opwekken voor zijn °broer. [Deut. 25:5,6]
25 Zij waren nu bij ons met zeven broers en de eerste die trouwt, sterft*, en geen zaad hebbend, laat* zijn °vrouw achter aan zijn °broer.
26 Zo ook de tweede en de derde, tot de zevende.
27 Uiteindelijk stierf*, na allen, de vrouw.
28 In de opstanding dan, van wie van de zeven zal de vrouw zijn, want allen hebben haar gehad*?"
29 Antwoordend* nu, zei* °Jezus tot hen: "Jullie zijn misleid, niet de Schriften waargenomen hebbend en ook niet de kracht van °God.
30 Want in de opstanding trouwen zij niet, noch worden zij ten huwelijk gegeven, maar zij zijn als boodschappers in de hemel.
31 Over de opstanding van de doden nu, lazen* jullie niet het door °God tot jullie verklaarde*, zeggend:
32 'Ik ben de God van Abraham en de God van Izaäk en de God van Jacob.' Hij is niet de God van doden, maar van levenden." [Ex. 3:15,16] [Commentaar]
Concordant Commentaar op het NT door A.E. Knoch

32

Onze Here bewijst de noodzaak voor opstanding. Abraham en Izaäk en Jacob zijn dood. God is de God van de doden, indien zij niet opgewekt zullen worden. Maar Hij is NIET de God van de doden. De doden prijzen de Heer niet(Psalm 115: 17). Zij weten van niets(Pred. 9:5). In de dood is geen herinnering aan Hem (Psalm 6:5). Zonder de opstanding zijn Zijn heiligen verloren, is ons geloof ijdel, zijn we nog steeds in onze zonden (1Kor. 15:16-19). De doden hebben geen God. Hij is de God van de levenden. Er MOET een opstanding zijn – en dat moest bewezen worden (Exo. 3.6).


33 En de menigten, dit horend*, zij waren verbaasd over Zijn °leer. [Mar. 11:18]
34 De Farizeeën nu, horend* dat Hij de Sadduceeën de mond snoert*, verzamelden* op dezelfde plaats. [Commentaar]
Concordant Commentaar op het NT door A.E. Knoch

34-36

Vergelijk met Markus 12.28; Lukas 10:25-28.

[Commentaar]
Concordant Commentaar op het NT door A.E. Knoch

34

Uit hun verdere koers (hand. 23:8) wordt duidelijk dat de Sadduceeën niet overtuigd waren. Hun probleem lag dieper. Het zat in hun hart. Hoewel ze geen antwoord hadden, konden ze weigeren te geloven.


35 En een van hen, een wetskundige, Hem beproevend, vraagt*: [Commentaar]
Concordant Commentaar op het NT door A.E. Knoch

35

De Farizeeën waren er niet in geslaagd een politieke misdaad op Hem te spelden. Nu proberen zij Hem te betrekken in een theologische ketterij, die, voor de Joden, even erg was. Dat Hij claimde dat Hij de Messias was was al erg, maar nog niet zo godslasterlijk als dat Hij Zichzelf Zoon van God noemde. De verklaarder van de wet hoopte dat Hij Zichzelf zou veroordelen door het eerste van de tien geboden te citeren, in het bijzonder : "Jullie zullen geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben"(Exo. 20:3). Of tenminste de grote regel: "Hoor, Israel, Jahweh, onze Elohim, is Één."(Deut. 6:4). Hij vraagt niet naar de tweede grootste. De Heer laat dit geheel achterwege en geeft hem de volgende inzetting: "En jij houdt van Jahweh, jouw Elohim, met heel jouw hart en met heel jouw ziel en met heel jouw uiterste."(Deut. 6:5). Zij waren voorbereid dit op hun eigen wijze te doen door Hem te haten en te doden. Maar Hij loopt op hun gevolgtrekking vooruit door een andere passage te citeren die hun argument totaal onderuit haalde.


36 "Leraar! Wat is het grote gebod in de wet?"
37 Hij nu verzekerde hen: "Jij zal de Heer, jouw °God, liefhebben met heel jouw °hart en met heel jouw °ziel en met heel jouw °denkvermogen. [Deut. 6:5] [Commentaar]
Concordant Commentaar op het NT door A.E. Knoch

37-40

Vergelijk met Markus 12:29-34; Deuteronomium 6:5


38 Dit is het grote en eerste gebod.
39 Doch het tweede is als haar: Jij zal jouw °naaste liefhebben als jouzelf. [Rom. 13:9] [Commentaar]
Concordant Commentaar op het NT door A.E. Knoch

39

Zie Leviticus 19:18


40 Aan deze twee °geboden hangt heel de wet en de profeten." [Rom. 13:10]
41 Nu de Farizeeën verzameld waren, vraagt* °Jezus van hen, [Commentaar]
Concordant Commentaar op het NT door A.E. Knoch

41-46

Vergelijk met Markus 12:35-37; Lukas 20:39-44


42 zeggend: "Wat denken jullie over de Christus? Wiens Zoon is Hij?" Zij zeggen tot Hem: "Van °David!" [Joh. 7:42] [Commentaar]
Concordant Commentaar op het NT door A.E. Knoch

42

Hij weerlegt nu het fanatieke element in hun monotheïsme door hen te laten die dat zij niet eens wisten Wiens Zoon Christus is! Hadden zij het geweten, dan zouden zij Hem niet beschuldigd hebben van godslastering toen Hij claimde de Zoon van God te zijn. David, wiens zoon de Messias zou zijn, wist beter dan zij, want hij noemde hem zijn Adon, of Heer. Indien Christus slechts David’s zoon zou zijn, dan had hij Hem zeker nooit met zo’n titel aangeroepen. Wie kon er zijn die zo ver boven David stond, maar toch gezeten was aan de rechterhand van Jahweh? Er was in hun theologie voor Hem geen plaats. Maar Hij stond in hun Schrift! De Farizeeën waren ook gemuilkorfd. Zij wisten zelfs niet dat de God van hun Schriften niet de onzichtbare Godheid was, maar Zijn beeld (Kol. 1:15), niet de Ene Wiens stem onhoorbaar is voor het menselijk oor, maar Zijn Woord (Joh. 1.1), of Uitdrukking. Hun Messias was de Elohim Die zij vreesden, de Jahweh Die zij vereerden, de Adonai Die zij zeiden te dienen.


43 Hij zegt tot hen: "Hoe dan noemt David, in geest, Hem dan Heer, zeggend: [2Sam. 23:2]
44 'De Heer zei* tot mijn °Heer: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Jouw °vijanden zal plaatsen* onder Jouw °voeten.' [Psalm 110:1] [Commentaar]
Concordant Commentaar op het NT door A.E. Knoch

44

Vergelijk met Psalm 110:1.


45 Indien dan David Hem Heer noemt, hoe is Hij Zijn Zoon?"
46 En niemand was in staat Hem een woord te antwoorden*; noch durft* iemand vanaf die dag nog langer Hem iets te vragen*. [Mar. 12:34]





Terug naar de index.
Naar Mattheüs 23
   


© www.hetbestenieuws.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.