"Gezegend zij de God en Vader van onze Heer, Jezus Christus, Die ons zegent met alle geestelijke zegen te midden van de hemelingen, in Christus"
(Efe. 1:3;SW)
Ik ben gezegend.
Dat is wie en wat Vader zegt dat ik ben.
God heeft mij op meer manieren gezegend dan ik zelf maar begrijpen. Zeker, op geestelijk gebied heeft Hij mij al boven mate ten volle gezegend - "met ALLE geestelijke zegen". Op dat gebied zou ik onmogelijk meer gezegend kunnen zijn.
Dat wil niet zeggen dat ik geen fysieke zegeningen heb, want die zijn er in overvloed, aangezien Hij "Die ons ALLE dingen rijkelijk ter genieting aanbiedt" (1Tim. 6:17;SW); maar Paulus leert mij dat mijn echte gebied van zegeningen ligt in het geestelijke gebied, in de hemelse plaatsen.
God zegende Israel met fysieke zegen, omdat zij Zijn aardse volk waren. Dit wil niet zeggen dat zij geen geestelijke zegeningen hebben, want die hadden ze zeker wel, en wij zijn daaraan deelnemers (Rom. 15:27); maar Gods nadruk lag op hun fysieke zegeningen.
Ik maak deel uit van Gods hemelse volk, en Hij heeft mij gezegend "met alle geestelijke zegen te midden van DE HEMELINGEN". Paulus tekent deze geestelijke zegeningen goed op in zijn brief aan de Efeziërs, en ze zijn bedoeld om mij "de gezindheid van de geest" te geven (Rom. 8:6).
Dat ik afgezonderd ben voor de hemelse sfeer kan gemakkelijk worden gezien door te kijken naar het Efezisch gebruik van "te midden van de hemelingen."
"Die ons zegent met alle geestelijke zegen te midden van de hemelingen, in Christus"
(Efe. 1:3;SW)
"Hem zettend aan Zijn rechterhand, te midden van de hemelingen,"
(Efe. 1:20;SW)
"en zet ons tezamen in Christus Jezus te midden van de hemelingen,"
(Efe. 2:6;SW)
"dat nu bekend zou worden aan de overheden en de gezaghebbers in de hemelse gewesten, door de ecclesia"
(Efe. 3:10;SW)
"want aan ons is niet de worsteling tegen bloed en vlees, maar tegen de soevereiniteiten, tegen de autoriteiten, tegen de wereldmachten van deze °duisternis, tegen de geestelijke machten van de boosheid onder de hemelingen."
(Efe. 6:12;SW)
Mijn geestelijke zegeningen zijn direct verbonden met deze "hemelse plaatsen". Daar is waar ik mijn positie en plaats heb in de Here Jezus Christus. Ik ben gezeten met Christus in de hemelen(Efe. 2:6); mijn burgerschap is daar (Filip. 3:20). Hoe passend, dan, is het dat Vader mij vanuit de hemelse plaatsen bevoorraadt met al mijn geestelijke benodigdheden. Alles wat ik bezit is van God, dat echt en blijvend is, bevindt zich daar. Al het andere is maar een denkbeeldige schaduw.
"1 Indien dan jullie tezamen werden opgewekt met Christus, zoekt dan de dingen boven, waar de Christus is, zittend aan de rechterhand van God.
2 Weest gezind naar de dingen boven, niet die van de Aarde,"
(Kol. 3:1,2;SW)
Ik ben wie en wat Vader zegt dat ik ben.
Ik ben gezegend.
"Daarom: indien iemand in Christus is, die is een nieuwe schepping. Het oude ging voorbij. Neem waar! Het is nieuw geworden!"
(2Kor. 5:17;SW)
Ik ben een nieuwe schepping.
Dat is wie en wat Vader zegt dat ik ben.
God heeft mij gemaakt wie en wat ik ben, als onderdeel van Zijn nieuwe schepping. Iedere poging om te weten wie ik echt ben moet daar beginnen. Dus: wie ben ik werkelijk? Ik ben een nieuwe schepping in Christus. Ik ben "geschapen ... in Christus Jezus"(Efe. 2.10).
Velen worstelen in hun Christelijke wandel om verlossing te vinden van "zichzelf". Zelfs zij die zijn gaan begrijpen dat zij nieuwe schepselen zijn in de Here Jezus Christus, geloven vaak dat ook zij nog echt hun oude zelf zijn. Ze zijn er toe gebracht te geloven dat er op de een of andere manier twee van hen zijn.
Ze hebben geleerd dat er twee "zelven" naast elkaar zijn, binnenin hen. Ze zijn er toe gebracht te geloven dat zij altijd een innerlijke burgeroorlog moeten vechten om de controle, vechten om te leven, vechten om de overhand te krijgen, vechten voor de suprematie, vechten om de dominante uitdrukking te hebben. Opmerkelijk genoeg is dit een vreemd soort van religieuze schizofrenie. Het is een vermoeiende en belastende worsteling van de verbeelding. En wat er zo triest aan is, is dat het niet verder van de waarheid kan zijn.
"Dit wetend, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat het lichaam der zonde teniet gedaan zou worden en wij niet langer slaven van de zonde zouden zijn"
(Rom. 6:6;SW)
Veel levens van gelovigen worden vanuit het graf geleefd, vanuit het verslagen gebied van de "oude mens", vanuit het vroeger onafhankelijke, Adamische "zelf", dat voltooid werd aan het kruis van de Here Jezus Christus.
Door mijn eenheid in Christus' dood en opstanding is mijn oude zelf-leven in Adam geschiedenis; ik rust op dit voldongen feit. Er zijn veel gelovigen die wanhopig proberen zichzelf te kruisigen, terwijl dat al een gedane zaak is. Mijn kruisiging is een historisch feit. Ik weiger te leven onder heerschappij van het oude Adamische leven.
Is er maar één ik. Ik ben een nieuwe schepping, niet twee. Ik ben niet twee scheppingen; ik ben één nieuwe schepping, een totaal nieuwe schepping door God.
"Het oude ging voorbij"
(2Kor. 5:17;SW)
Mijn vroegere ik, mijn oude identiteit in Adam, het oude ik is dood en voorbij. Het "ging voorbij". Het stierf met Christus. Het is niet langer wie ik ben, wat ik ook tegengesteld daaraan mag doen of denken.
"Zie, Ik maak alles nieuw!"
(Openb. 21:5:HBN)
Ik heb niet twee naturen. Ik had een oude, die er ooit was. Ik heb een nieuwe, die er nu is. De strijd is niet een innerlijke worsteling tussen de twee "ikken."
Niet dat er geen strijd is. Het is alleen dat het een strijd van geloof is. De strijd gaat over geloven dat wat God zegt nu waar is. Het stelt geloof in mij centraal dat ik ben wie en wat God zegt dat ik ben.
Velen proberen bevrijd te worden van zichzelf. Zij denken dat zij midden in een grote strijd staan tussen hun twee zelven - hun twee naturen. Dit is niet wat de Schrift leert!
Paulus schrijft duidelijk dat wij:
"WAREN van nature kinderen van de verontwaardiging"
(Efe. 2:3;SW)
Er is geen nieuwe natuur aan mijn oude toegevoegd. Dat zou alleen maar verwarring brengen, en God is niet de auteur daarvan (1Korinthe 14:33). Wat ik van nature was in Adam, ligt in het verleden.
"WAREN van nature kinderen van de verontwaardiging"
(Efe. 2:3;SW)
Christus rekende aan het kruis voor eens en altijd af met mijn eerdere zelf. Hij heeft nu een nieuwe ik gemaakt - "deelnemers ... van de goddelijke natuur,"(2Petr. 1:4;SW).
Ik ben nu niet bevrijd van mijn oude zelf. Nee, veeleer ben ik bevrijd om mijn nieuwe zelf te zijn. Ik ben nu vrij om te zijn wie ik werkelijk ben: de echte ik, de enige ik die er is, het nieuwe schepsel dat God mij heeft gemaakt in Christus.
"Ik werd samen met Christus gekruisigd, toch leef ik. Niet langer leef ik, maar Christus in mij; en wat ik nu leef in het vlees, leef ik in geloof van de Zoon van God, Die mij liefheeft en Zichzelf voor mij overgeeft"
(Gal. 2:20;SW)
Mijn vroegere identiteit - mijn oude "ik" - was mijn identiteit als de zoon van Adam. Mijn nieuwe identiteit - mijn nieuwe "ik" - is mijn identiteit als een heerlijke zoon van God.
Mijn oude "ik" is die van gegoten schikking, een menselijke schikking. Als zoon van Adam werd ik vanaf mijn geboorte altijd in de gietmal van gelijkvormigheid geperst.
Mijn vroegere "ik" is precies dat. Het werd gekruisigd (geëxecuteerd) met Christus. "Ik werd samen met Christus gekruisigd..."
Mijn nieuwe "ik" is precies dat - nieuw - splinternieuw. Het is de "ik" van Christus die mij doet leven. Het is het nieuwe leven "ik nu leef in het vlees". Mijn nieuwe leven is ZIJN leven. Het is het enige leven dat ik nu heb.
Ik heb niet twee identiteiten. Ik had een oude, maar nu heb ik een nieuwe - een vroegere, een huidige.
Mijn nieuwe identiteit - de nieuwe "ik" - is die van een uniek ontwerp van goddelijk onderscheidingsvermogen. Als een zoon van God ben ik nu vrij om die eenmalige individu te zijn die God heeft geschapen, gevuld en trillend met Zijn dynamisch leven, levend in en doorheen mij.
"Ik [een zoon van Adam] werd samen met Christus gekruisigd, toch leef ik [een zoon van God]. Niet langer leef ik [de oude "ik" van de oude schepping], maar Christus in mij[de mij van de nieuwe schepping]; en wat ik[de unieke persoon die God van mij heeft gemaakt] nu leef in het vlees[op dit moment, vandaag], leef ik in geloof van de Zoon van God, Die mij liefheeft en Zichzelf voor mij overgeeft"
(Gal. 2:20;SW)
Mensen praten altijd over hun pogingen om hun ware zelf te ontdekken, hun inspanning om "zichzelf te vinden." De gelovige in de Here Jezus Christus moet uitvinden wie hij of zij werkelijk is. Al wat nodig is, is een nauwkeurige blik in de Schrift, en een eenvoudig geloof in de woorden over wie en wat GOD zegt dat ik ben. God weet wie ik ben; al wat ik moet doen ik Hem geloven.
De nieuwe "ik" is de "ik" van de eenheid met Christus. Het is ZIJN leven. Het is ZIJN leven, uitgewisseld voor dat van mijn verleden. Het is een grote omwisseling. Ja, het is de grootste van alle omwisselingen - de waarheid van het goddelijk verwisselde leven.
Deze heerlijke waarheden begrijpen en geloven zal mij de vrijheid toestaan om rust te hebben met mijn nieuwe zelf, vrij om de echte ik te zijn, de nieuwe mens, de enige ik die er is, de ik in Christus.
Ik weiger om de vorm van een persoon te zijn, in een gietmal gegoten van Adamische eenvormigheid. Ik zal de echte ik zijn, zoals God mij uniek heeft ontworpen. Ik weiger uit mijn goddelijk ontworpen identiteit gedreigd te worden, want Vader heeft die aan mij gegeven.
Ik ben wie en wat Vader zegt dat ik ben.
Ik ben een nieuwe schepping.
Door naar deel 11.