Notities bij de brief aan de Romeinen
deel 23
door G.L. Rogers

Subjectieve heiligheid
(vervolg)

Romeinen 6:13-14

13. en stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar stelt u ten dienste van God, als mensen, die dood zijn geweest, maar thans leven, en stelt uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God.
Hoewel we een ruime omweg hebben genomen om onze tekst te bereiken, zullen we zien dat we er indirect toch uitleg over gegeven hebben. Er is een stukje van de waarheid die in de verzen 3-11 te vinden is, waarvan we de uitleg terzijde hebben gelegd zodat ze bezien kan worden in relatie met de verzen 12-14, en we zo in staat zijn onze objectieve- en subjectieve heiliging tezamen te bezien. We hebben geleerd dat al onze redding in Christus Jezus is, en dat Hij voor ons heiligheid is geworden, zodat allen die in Christus Jezus zijn geheiligd zijn voor God en op die wijze heiligen zijn geworden. Deze objectieve heiligheid wordt stellig gegeven in 1Korinthe 1:2 "aan de geheiligden in Christus Jezus, de geroepen heiligen", waar het woord "geheiligd" in de voltooid verleden tijd staat en niet een voortgaand proces is, maar een vaststaand feit en een permanente toestand. Subjectief gezien zijn sommige heiligen zeer onheilig en is de uitspraak dat wij heiligen zijn, geheiligd als we zijn, een zeer krachtig beroep op onze harten en gewetens voor een persoonlijke presentatie van onszelf voor God.

Heiliging heeft zo een dubbel aspect: het is, ten eerste, een werk van God, voor ons volbracht door Christus' opstanding en onze eenwording met Hem als levend voor God, en aan God behorend zoals Hij aan Hem toebehoort, een werk waarin geen vooruitgang is, geen herhaling en waaraan een heilige net zoveel deel aan heeft als welke andere ook. En het is, ten tweede, een subjectieve en experimentele heiliging van onszelf en al onze vermogens en leden voor God, een activiteit waarin wel vooruitgang te vinden is, meer of minder falend en wisselend naarmate de graad van toewijding in de ene heilige, vergeleken met de andere. Wanneer een heilige wordt gezegd zich in Christus Jezus als levend te houden voor God, dan is dat gelijkwaardig aan het geloven dat hij geheiligd is voor God in Christus Jezus. God eist allen die in Christus Jezus zijn op als de Zijne, want Hij heeft ze verlost en tot Zichzelf gebracht in Christus; zij zijn tot heiligen gesteld door Zijn roepen. In de opeenvolgende links van Romeinen 8:30 wordt er niets gezegd over heiliging, zoals we wel zouden verwachten. Het is niet "die Hij rechtvaardigt," die heiligt Hij ook; maar de waarheid is dat "die Hij roept" heiligen zijn, en zij zijn daartoe gesteld door Zijn effectvolle roep en ook omdat Hij ze van te voren kende en afzonderde om één te worden aan het beeld van Zijn Zoon. Heilige is een woord dat niet alleen verklaart wat God doet, maar ook wat Hij verwacht dat de gelovige zal zijn. Hoewel de priesters heilig waren, wat ook hun gedrag was, verlangde God dat ze zichzelf heiligden(Ex.19:10).

Onze objectieve heiliging is een voldongen feit, want God heeft het in Christus Jezus volbracht; maar onze subjectieve heiliging moet nog geheel gedaan worden en kan alleen door ons gedaan worden. Onze eerste taak daarin is Gods verklaring voor waar te aanvaarden. Onze heiliging in Christus Jezus is een feit, niet een belofte; een feit moet geloofd worden en toegerekend, maar een belofte moet verwacht en naar verlangd worden; van een feit kan nu genoten worden, maar een belofte moet in de toekomst vervuld worden. Alleen hen wie door God objectief heilig zijn gemaakt kunnen ook subjectief heilig zijn, want onze heilige toestand is afhankelijk van onze heilige staat, maar ons vertrouwen en uiteindelijke zekerheid hangt af van Gods handelen, en niet dat van ons. Wanneer God een onderpand voor ons neemt, dan verlangt Hij een betere naam en betere heiliging dan die van ons. Aan het kruis verscheen Christus niet zonder onze oude mensheid voor God en nu verschijnt Hij niet voor God zonder Zijn leden. Hij scheidt Zich niet van ons en Hij is onze heiligheid.

Israël's heiliging was gebaseerd op het feit van hun verlossing uit Egypte; op dezelfde wijze is onze heiliging gebaseerd op onze rechtvaardiging van zonde, want God heiligt alleen hen die bevrijd zijn van het oordeel. Kruisiging en dood met Christus gaan vooraf aan de opstanding en heiliging met Hem. In de onderhavige tekst zit een positieve en negatieve kant, overeenkomend met onze dood aan de zonde en ons leven voor God, en aan de verzen 6-8 en de verzen 8-10, waarin beide zijden respectievelijk werden ontwikkeld. De regelende feiten moeten nu uitgewerkt worden in gehoorzaamheid aan een verbod en een positieve opdracht, en zij die graag iets doen worden nu geconfronteerd met een taak die, hoewel doenbaar voor iedere heilige, zelden tot zijn eigen voldoening wordt gedaan.

"Laat dan de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk lichaam," is een onmogelijke opdracht, ware het niet voor de verlossing waar ze naar wijst, zoals gegeven in de verzen 6 en 7 en samengevat in vers 11. Indien we echt deze feiten geloven, dan zullen we de echtheid van ons toerekenen bewijzen door te handelen naar de feiten en trouw te weigeren aan de Zonde, waaraan we gestorven zijn. Dit is een taak die geen enkele heilige mag verzaken; geen heilige staat boven de noodzaak voor deze oproep. Aan de gehoorzaamheid van het geloof wordt nu een praktische test en beproeving gegeven op het gebied van de ervaring en in de keuze van heren. Zonde, Gehoorzaamheid, Onreinheid, Rechtvaardigheid worden verpersoonlijkt als heren die onze trouw en dienst opeisen. Drie monarchen heersen over de mens: Dood, Zonde en Genade(5:12,17,21); twee van hen worden in vers veertien genoemd. Een monarch regeert wanneer zijn wil gedaan wordt en waarschijnlijk zal geen enkele menselijke monarch ooit zo zijn wil gedaan krijgen en zo absoluut regeren als de Zonde. God verlangt op gebiedende wijze dat de heilige niet langer de heerschappij van de Zonde zal toestaan, maar de Zonde zal laten weten dat hij verlost is van diens slavernij.

"Laat dan de zonde niet langer... heersen" gaat er van uit dat deze nog steeds in ons is, maar dat men er vanaf kan komen. Dat de zonde nog steeds in de heilige aanwezig is staat buiten twijfel, maar de tegenstelling is die tussen heersen en wegdoen. Over dit punt maakt een van de meest gelezen commentatoren een verschrikkelijke vergissing als hij zegt: "Laat zonde dan geen plaats hebben, niet zijn, want waar hij ook is regeert hij in meerdere of mindere mate, en zonde is inderdaad geen zonde zonder dit. Het bestaan alleen al van een kwade gedachte waaraan de passie of honger zich vastzet, is bewijs dat de zonde daar heerst, want zonder heersen zouden passies niet opgewekt kunnen worden.... Zonde kan zich niet rustig houden; als ze niet werkt dan bestaat ze ook niet."
Meer dan een eeuw lang hebben deze gedachten de leer van velen verdraaid en hen misleid met ideeën over zondeloze perfectie. Ieder woord van Paulus uit hoofdstuk 5:12 tot het eind van hoofdstuk acht is hier een absolute ontkenning van; als Zijn geïnspireerde woorden niet overtuigen, dan zijn andere overbodig. Als zonde niet aanwezig zou zijn, dan zou ze onmogelijk kunnen heersen, in welk geval deze oproep een onnodig en misleidend woord zou zijn. De troon te ontkennen aan een dode of verbannen heerser, zou een zeer magere overwinning zijn.

Zonde bevindt zich "in uw sterfelijke lichaam", waarvan de sterfelijkheid is overgedragen van onze eerste ouder: Adam. Onze menselijke vaders zijn de "vaders van ons vlees," maar God is "de Vader van geesten," Die ons onze geest geeft bij de geboorte en naar Wie ze terugkeert bij onze dood(Hebr. 12:9). Paulus kijkt naar de band tussen zonde en dood, en de overdracht van deze aan alle mensen, niet door middel van geest of ziel, maar door middel van het lichaam, dat "het lichaam der zonde" wordt genoemd en "dit lichaam des doods". Het lichaam is de zetel van de beërfde verdorvenheid, van waaruit het z'n vervuiling uitspreidt naar de geest(2Kor.7:1). Het lichaam is het bezit van de zonde geweest en deed wat de heerser wenste, maar nu richt het conflict tussen God en de zonde zich op het lichaam en het gebruik van haar leden, opdat, nu God het verlost heeft en er bezit van genomen heeft, het lichaam der zonde traag zou worden. We zijn gerechtvaardigd van de zonde die feitelijk nog in onze lichamen bestaat. Indien we feitelijk en experimenteel verlost zouden zijn van de aanwezigheid van de zonde, hoe zouden we er dan nog mee beschuldigd worden?

Het sterfelijke lichaam is niet een dood, maar stervend lichaam; dat is een lichaam dat onderworpen is aan de heerschappij van de dood. De mens sterft vanaf zijn geboorte omdat de Zonde aan ieder van ons een dodelijke wond heeft toegebracht, die de aanleiding is voor onze morele verdorvenheid. Paulus heeft de heerschappij van de Zonde en Dood nagespeurd tot op de ene mens door wie ze de wereld binnen kwamen en alleen hij spreekt over sterfelijkheid en onsterfelijkheid. Hij geeft nooit het predicaat sterfelijkheid of onsterfelijkheid aan de ziel of de geest, maar alleen aan het lichaam. Hij zegt dat alleen Christus onsterfelijkheid heeft, wat weer een nieuw bewijs is dat de Dood over Hem geen heerschappij meer heeft en is ook een belofte dat, wanneer Hij Zijn levende heiligen roept, dit sterfelijke ook onsterfelijkheid zal aandoen(Rom.6:12; 8:11; 1Kor.15:53,54; 2Kor.4:11; 5:4; 1 Tim.6:16). Het is een vergissing te zeggen dat sterfelijkheid wordt genoemd om ons te herinneren aan de kortheid van sensueel plezier en de dwaasheid van het vertroetelen wat voorbijgaand is, of om te zeggen dat het sterfelijk lichaam wordt tegengesteld aan het geestelijk leven. Het wordt genoemd omdat het lichaam de zetel is van de Zonde en een wet van Zonde in haar leden heeft, van wiens aanwezigheid we alleen verlost zullen worden door onsterfelijkheid aan te doen.

Zodat gij aan zijn begeerten zoudt gehoorzamen zou betekenen dat we de Zonde onbetwiste heerschappij toestaan, maar ze onderdrukken en onder controle houden zou uitlopen op een onttronen van zonde. De primitieve lusten van het lichaam, zoals God het heeft gemaakt, zijn natuurlijk en noodzakelijk voor het voortbestaan van het leven van het individu en van het ras; maar in het sterfelijk lichaam zijn de lusten verdorven, pervers geworden en onnatuurlijk. De meeste psychologen zijn ongelovig en, falend het feit van het bestaan van de zonde en de rampen die ze gebracht heeft te erkennen, spreken ze over de lusten van het sterfelijk lichaam als over "onze primitieve verlangens en natuurlijke gevoelens." En sommige van hen protesteren tegen de repressie van wat zij als natuurlijke gevoelens zien, omdat zulke repressies veel ernstige verstoringen van ons zenuwgestel veroorzaken.

De man in hoofdstuk zeven had "ernstige verstoringen van het zenuwgestel," vanwege een conflict tussen herkend goed en kwaad. Psychologen denken dat onze "onconventionele biologische aandrang" gezien moet worden als een variant op zekere hoge levensidealen, en dat diepe emoties in het individu in conflict met elkaar zijn; maar zij (h-)erkennen niet dat het conflict bestaat omdat zonde de oorspronkelijke harmonie heeft vernietigd tussen aan de ene kant moreel instinct, geweten en rede, en onze natuurlijke lusten aan de andere kant. Het heeft de laatste verdorven.

Er zou protest aangetekend moeten worden tegen een ascetischisme dat afwijst wat natuurlijk en goed is, en tegen de taboes van mensen die in de plaats zijn gekomen van goddelijke inzettingen, want dat is een frauduleuze vroomheid die verbiedt wat God toelaat en ontkent wat natuurlijk is. Maar zolang ons lichaam sterfelijk is, zal het de zetel zijn van kwade verlangens die onder controle gehouden moeten worden. Door middel van haar leger van verdorven verlangens heeft koningin Zonde haar heerschappij over alle zonen van Adam zo lang volgehouden. Door aan deze gehoorzaam te zijn betuigt men trouw aan de Zonde, maar over ze te heersen, door de zelf-controle uit te oefenen die de vrucht van de geest is, is opstand tegen haar tirannie en een vlucht uit haar slavernij. Alleen wanneer de lusten van het sterfelijk lichaam worden weerstaan, kan men leren dat er in de mens geen kracht is om ze te overmeesteren(1Kor.9:26,27). Voorstanders van "onbeperkte zelf-ontplooiing" pleiten voor de heerschappij van de Zonde in het sterfelijk lichaam. Wanneer een mens gehoorzaamd aan zijn lusten, dan is hij een slaaf van de Zonde.

Stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid. Gehoorzaamheid aan deze oproep zou de Zonde van haar leger beroven; als een onttroonde monarch zou ze niemand hebben die haar wil ten uitvoer zou brengen en aan haar onrechtvaardige verlangens zou voldoen. God zegt: "Hou op met je leden te geven aan de Zonde", want gehoorzaamheid aan Hem zou de Zonde onmachtig maken; want ieder lid is het speciale gereedschap voor de bevrediging van een bepaalde kwade lust. De lusten van het lichaam komen overeen met de verschillende leden. Laster mag dan wel uit het hart komen, maar ze kan niet worden geuit zonder tong of pen.

Gehoorzaamheid maakt ons lichaam onwerkzaam als instrument voor de Zonde en onttrekt onze leden aan de dienst aan de Zonde. Iemand kan nu dienst weigeren aan de Zonde, omdat het kruis ons heeft afgescheiden van haar domein en eis. Zonde kan ons niet bedreigen, want we zijn er van gerechtvaardigd en indien we ons er voor dood houden en handelen naar dat dood zijn, dan zullen we ons vrij bevinden van haar slavernij, net zoals Israël dat was van Farao toen ze de Rode Zee overgetrokken waren. Maar Israël was bevrijdt van de heerschappij en dienstbaarheid aan de Farao voor de heerschappij van Jehovah en de dienstbaarheid aan Hem, want toen God de eerstgeborenen van Egypte sloeg, heiligde Hij de eerstgeborenen van Israël; en wanneer Hij ons doet sterven aan de Zonde en ons er van rechtvaardigt, dan eist Hij ons op als de Zijne in Christus Jezus. We mogen onze leden net zo min aan de Zonde ter beschikking stellen als Israël voort mocht gaan met te slaven voor de Farao. God eist ons op als Zijn exclusieve eigendom en dienaren als door Hem bevrijdde mensen. Israël werd verder opgevoed in de betekenis van een positieve, subjectieve heiligheid door de Tabernakel, het ritueel daarvan en de verschillende offers die zij aan God brachten.

"Maar stelt u ten dienste van God". Het "maar" markeert dezelfde overgang van de negatieve naar de positieve kant van verlossing zoals die als was gemarkeerd door het "ook" in vers 5, door het "indien wij dan" tussen vers zeven en acht, en door het "wat" in vers elf. "Stelt" vraagt om een onmiddellijke toewijding aan God, zonder verwijzing naar tijd, terwijl "stelt uw leden" in de eerdere frase sprak van een voortgang in het oude dienstbetoon, dat moet ophouden. Het dienstbetoon moet zo vaststaand en onheroepelijk zijn als die van twee personen die aan elkaar geheiligd zijn in een ideaal huwelijk, en het is aanvangend in de zin dat het ons in een permanente relatie en toewijding brengt. Israël kende geen herinwijdings ceremonie, want de priesters, de tabernakel, de tempel en de eerstgeborenen werden voor eens en altijd ingewijd. Ons dienstbetoon aan God is het enige alternatief voor het toestaan van het regeren van Zonde. Zo is heiligheid de eigenlijke verlossing van zondigen en een onlosmakelijk deel van redding, een feit dat zij die spreken van "gered en geheiligd zijn" moeten leren. Teveel mensen schijnen te denken dat heiligheid iets extra's is, iets wat toegevoegd kan worden, iets dat ze wel of niet kunnen doen als een soort na-scholing, en dat een soort speciale onderscheiding verleent. Maar indien God ons niet bezit, dan bezit de Zonde ons, want we kunnen niet twee heren dienen en een derde is er niet.

Heiliging maakt God onze Eigenaar, het enig voorwerp van onze trouw en toewijding, want het verlost ons geheel aan Hem. Het is niet alleen negatieve gehoorzaamheid aan een "Gij zult niet..", niet slechts een ophouden met zondigen. Ophouden met zondigen, of zelfs het uitroeien van zonde, zoals bij Israël's toekomstige verlossing, is op zich geen heiligheid. God vraagt nu, terwijl de zonde nog in ons is, dienstbetoon aan Hem, omdat we geheel geheiligd kunnen zijn voor Hem, ondanks de aanwezigheid en verzoekingen van de Zonde. Wat zijn we gezegend dat we in staat zijn Hem iets te geven waar Hij naar verlangt en om vraagt, speciaal als we ons realiseren dat alle ellende van de mensheid voortkomt uit het feit dat, hoewel we voor alles van God afhankelijk zijn, we de ondergeschikten van de Zonde zijn of zijn geweest, en dat al onze zegen geheel en al in Hem bestaat!

Stelt u herinnert ons aan wat Paulus' zei tegen de Korinthiërs: "want het is mij niet om het uwe, maar om uzelf te doen"(2Kor.12:14), maar hij wist heel goed dat als hij hen zelf zou krijgen, hij spoedig hun bezittingen voor God zou hebben. Zijn gebed: "de God des vredes, heilige u geheel en al"(1Thess.5:23), wijst niet op gradatie of vooruitgang van iemands toewijding aan God, maar naar de absolute heiliging van ieder deel van een mens met al diens krachten. "U" omsluit hier dan ook alles dat in de mens is, met mogelijk de uitzondering van de fysieke leden, die apart opgeëist worden, zoals we later zullen zien. Iedere kwaliteit en iedere uitoefening van de wil of intellect en van de emotionele natuur wordt door God opgeëist, alles wat ooit in dienst is geweest van de Zonde.

Een geheiligde wil is er een die de vrijwillige, actieve rentmeester van Gods gekende wil wordt. Ze zal altijd tegen God zeggen: "Niet mijn wil, maar de Uwe." Dit is het doel van al Gods uitnodigingen en oproepen. Omdat Hij geen waarde hecht aan een opgedrongen dienstbetoon door hen die Hij lief heeft, net zo min als wij dat doen, zegt Hij, in plaats van te nemen: "stelt", "gehoorzaamt" of "geeft." Het geweten van iemand die geheiligd is voor God zal zeer snel gehoor geven aan Gods wil; ze zal levend zijn, zacht en zeer gevoelig voor de zachte, kleine stem van God. De heilige zal het geweten niet in onderschikking en ongevoeligheid knuppelen, maar laat het een voertuig zijn van de aanmaningen en oordelen van God. Een geheiligd intellect zal alert zijn op de zaken van God en zal geen verwarde waarheidzoeker zijn, want het zal druk bezig zijn met Hem die de Waarheid is, en de waarheid liefhebbend, zal het gered zijn van vele waanvoorstellingen. Waar God gebruik maakt van het verbazingwekkende middel van de verbeelding, daar zullen geen afzichtelijke kwade beelden de muren van onze gedachten ontsieren. Het was heilige verbeelding die de "Christen- en Christinnereis" voortbracht, die werd geschreven met het goede doel om onwaardige gedachten en herinneringen uit het hoofd van de schrijver te verbannen. Wanneer de aanhankelijkheid van onze harten op God gericht is, dan richt ons verlangen zich op Hem en is gebed spontaan, want het gesprek tussen geliefden verflauwt nooit. En wanneer, zoals in "De Heilige Oorlog," de vijf poorten van de stad Man-Soul, de vijf zintuigen, in het bezit van de koning zijn, dan zijn de duivelsen verslagen en onderworpen.

De oproep onszelf voor God te stellen, daagt ons uit een grote geloofsstap te maken, een stap die een twijfelaar nooit zal nemen; maar wanneer men hem neemt maakt het God de enig grote Realiteit. Het geeft ons alles voor Zijn alles. Het verbindt iemand in opperste vertrouwen aan Hem en verwacht alle goeds van Hem, er van overtuigd zijnde dat alles goed is wat Hij geeft en het alleen kwaad is wat Hij weerhoudt. Zo'n verbintenis getuigt niet alleen van een waar geloof, het geloof bevestigend dat de stap maakte om de rechtvaardigheid van God en de andere (nog-) niet ervaren feiten van Gods onthulling te aanvaarden, maar het brengt het tot z'n hoogste uitoefening en vergaart de bevestiging van de ervaring, omdat, terwijl het ons zonder reserve in Gods handen stelt, het God in de plaats zet die de Zonde eerder bezette, in onze mogelijkheden die Hij nu bezet en in ons werk. Het geeft de sterke overtuiging dat, wanneer we onszelf in Zijn dienst stellen - met onze reputatie en al onze belangen, wij en zij veilig zijn in Hem en in Zijn dienst.

Alsof levend uit de doden(Conc.Vert); de manuscripten geven hier "alsof", en dat gaat ook op voor intern bewijs. De lezing volgend "als levend", zeggen sommige uitleggers dat heiligen al echt levend zijn uit de doden: "Hij die deel heeft aan het opstandingslichaam van de Heer is levend uit de dood, maar niet levend alsof uit de dood." Maar dit betoog ziet voorbij aan de voorliggende context en de kracht van de woorden "gelijkenis" en "toerekenen". Indien de heilige werkelijk levend uit de doden zou zijn, dan zou hij meer dan een gelijkenis en een toerekening hebben en zou hij geen probleem hebben met het zich onttrekken uit de aanwezigheid van de zonde in zijn sterfelijk lichaam. Het neemt geen notitie van het verschil tussen onze positie in Christus Jezus en onze feitelijke toestand als vleselijk mens. Terwijl men juridisch gesproken dood is en daarmee gerechtvaardigd van zonde, is die zonde feitelijk aanwezig en actief in onze sterfelijke lichamen, en onze praktische verlossing van dit soort activiteiten wordt gevonden in onszelf dienstbaar te stellen voor God. Deze wijze, alsof we levend zijn uit de doden, maakt dit dienstbaar stellen onmogelijk voor een ieder die het zich niet toerekent, en nu worden we geboden naar dit feit te handelen. Al wat we hebben aan gelijkenis met Christus Jezus zal in feitelijke lichamelijke ervaring worden gerealiseerd wanneer dit sterfelijke onsterfelijkheid aan zal doen, en de aanwezigheid van zonde zal ons dan niet langer van God afleiden. Maar we worden geroepen hier en nu onszelf voor God te heiligen, net alsof we al feitelijk in Gods aanwezigheid zijn door opstanding uit de doden. Dan zullen we de wil van God doen zoals Christus dat altijd deed; daarom moeten we nu Zijn wil op aarde doen alsof we in de hemelen waren. Zo'n subjectieve heiligheid volmaakt en complementeert de objectieve heiliging die werd geperfectioneerd in Christus Jezus. Het enige dat nog ontbreekt van volmaaktheid is de verlossing van ons lichaam.

En stelt uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God. Er staat niet dat we onze leden, die de leden zijn van ons sterfelijk lichaam, dienstbaar moeten stellen voor God als waren ze levend uit de doden, omdat ze ten dode gedoemd zijn. Het lichaam is niet in Christus Jezus, noch kan het deel hebben aan de gelijkenis van Zijn opstanding, totdat het is opgewekt of omgezet. Als we deel zouden hebben aan de lichamelijke gelijkenis van Zijn opstanding, dan zouden we nu onsterfelijk en zondeloos zijn. Hoewel we sterfelijk zijn eist God onze lichamen op en heeft Hij ze leden van Christus gemaakt. Hij vraagt van hen exclusief bezits- en gebruiksrecht, opdat Christus verhoogd moge worden en het leven van Jezus in onze lichamen gemanifesteerd moge worden(1Kor.6:15; Phil.1:20; 2Kor.4:10). Dit is het eerste dat God verlangt van hen die Hij tot heiligen gesteld heeft, en komt als eerste omdat, wanneer gehoorzaamd, het alle gehoorzaamheid met zich draagt. Het staat opnieuw vooraan in hoofdstuk twaalf, waar voorschriften worden gegeven die het hele leven van de heilige reguleren. Totdat de hele mens is overgegeven in het bezit en meesterschap van God, is het voor Hem van geen nut de details van wandel en dienstbetoon te geven. De vraag is of God óf de Zonde ons en onze leden zal bezitten. Indien Zonde een deel van ons heeft, zal ze alles bederven en gehoorzaamheid onmogelijk maken.

God is bezig onze leden als werktuigen van gerechtigheid te gebruiken, als de uitvoerders van Zijn rechtvaardige wil; gerechtigheid wordt hier voor het eerst gebruikt in de zin van vervulling van morele verplichting, wat in contrast staat met het onrecht dat voortkwam uit de dienstbaarheid aan de Zonde. Zonde heeft onze leden niet juist gebruikt. Wij kunnen het niet, omdat we gevangen gehouden worden door een wet van de zonde die in onze leden is. Daarom kan God alleen ze gebruiken als gereedschappen[NBG: wapenen] van gerechtigheid. Zij die hun leden weghouden van God, zijn als de conservator van het prachtige orgel in Freiburg, die aanvankelijk iemand weigerde er op te spelen. Met tegenzin toch toestemming gevend een paar noten te spelen, hoorde hij al snel de meest heerlijke muziek en vroeg hij de speler naar diens naam. Horend dat het de grote Mendelssohn was, zei hij nederig: "En ik weigerde u toestemming om op mijn orgel te spelen!"
Wanneer God het gebruik heeft over onze leden, dan zal Hij de hemelse muziek van gerechtigheid uit ons voort laten komen en het laten galmen door heel de onrechtvaardige wereld, Zijn kunde uitroepend doorheen instrumenten die eens de wanklanken van ongerechtigheid voortbrachten.

Heiligheid heeft maar één kijkrichting, anders is het geen heiligheid, want het is alleen maar toewijding en alleen maar aan God, en daarom sluit het alle zelfzuchtige doelen van de heilige uit. Op geen enkele manier wordt wijding aan God zo gedwarsboomd als door het binnendringen van zelfzuchtige doelen in Gods werk. Christus maakte geen winst voor Zichzelf uit Zijn heiligheid; nee, het was Zijn heiligheid die Hem in uiterste zelf-ontkenning leidde naar het kruis. Een ware heilige is zo toegewijd aan God en zo verlangend naar Diens heerlijkheid, dat hij niets geeft om het verkrijgen van een naam voor zichzelf of verdienste onder zijn mede-heiligen vanwege zijn heilig-zijn. Nederigheid is de schoonheid van heiligheid, maar trots over heiligheid houdt ons met een ander onderwerp bezig dan God. Een Schotse heilige, sprekend over de heerlijkheid op Mozes' gezicht, riep uit: "O, hadden we maar een heilige onwetendheid van onze glans!"(Ex.24:29). Heiligheid op zich is niet een genade die gecultiveerd kan worden, omdat ze niet bestaat, behalve in dienstbaarheid aan God. Het is een persoonlijke band met Hem en niet een moreel of geestelijke kweek. Toewijding aan een doel, een beweging, een werkstuk, of een kerk is geen heiligheid. Het tegendeel is waar, zulke onderwerpen maken, wanneer we ze in de plaats van God stellen, heiligheid onmogelijk.

Van de "blije soldaat" wordt gezegd dat hij het is van wie "zijn morele bestaan zijn hoofddoel is," maar er zit een wereld van verschil tussen dit en heiligheid, die de heerlijkheid van God als z'n hoofddoel heeft. De gedragsregels en beleefdheden van een beschaafde gemeenschap maken goede moraal zowel handig als voordelig, en het is voor mensen mogelijk een grote mate van zaken- en sociale moraal te hebben, met weinig kennis van God. Maar heiligheid is voor God en gaat dwars in tegen de geest van een godloze tijd. Heiligheid maakt de mens excentrisch, omdat ze het centrum van menselijk leven van zichzelf naar God verlegd, en wanneer mensen onze glans waarnemen, dan worden ze richting God geleid. Heiligheid van leven geeft getuigenis aan de onzichtbare God, en wijs en argeloos, maar volhardend en krachtig, werpt ze het feit van God in de gezichten van allen die toeschouwen. Heiligheid is de ware evangelisatie!

14. Immers, de zonde zal over u geen heerschappij voeren, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.
Nu wordt de oproep nadrukkelijker gedaan door een belofte en een aanleiding. De zonde zal over u geen heerschappij voeren, en dit wordt gedragen door een verdere ondersteuning: want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade. Aangezien het grote gebied van waarheid, die in dit korte betoog is samengevat, in hoofdstuk 7 wordt onderzocht, volstaat nu kortweg het verband tussen dit vers en de voorgaande te bezien. De belofte is dat een heilige volkomen dienstbaar kan zijn aan God, want, hoewel zonde nog steeds hem zal uittesten en lastig vallen, hoewel het nog steeds een krachtige, gevaarlijke en soms overwinnende kracht kan zijn, ze kan niet langer hem overheersen zoals ze het ooit deed. Zonde had een machtige medestander die er voor zorgde dat de overtreding overvloeide(5:20), en zo de zondaar in gevangenschap bracht bij de Zonde. Maar Christus heeft Zijn leden dood gemaakt voor zowel de zonde als voor de wet, en voor zover het "de kracht van de Zonde is in de wet" betreft, is ze de kracht om tot slaven te maken ontnomen.
Onder wijst op een toestand van onderschikking aan gezag. Hoewel niet onder het gezag van de wet, zijn we nu onder het gezag van de Genade, die de beste garantie is dat de Zonde zal worden te niet gedaan. De wet werd gegeven voor het herkennen en erkennen van zonde, maar genade is er voor haar uiteindelijke uitroeiïng.

Paulus zegt nooit iets dat tot wetteloosheid zal leiden. Hij zegt niet: "Want gij zijt niet onder de wet," en houdt dan verder zijn mond. Hij is ook geen buitenwettelijke, want hij staat onder de wet van Christus(1Kor.9:21). Ook zegt hij niet, zoals zovelen doen: "Jullie zijn onder de wet en ook onder genade," om zo te proberen twee elkaar vernietigende principes te combineren. Wat hij wel zegt is: "Jullie zijn niet onder wet, maar onder genade, " zo heiligen onder een heerschappij plaatsend die hen zal redden van zondigen en werkelijk de wet zal handhaven. Genade past de wet niet aan aan het onvermogen van de moreel zwakken, wat de ergste soort antinomianisme zou zijn, maar komt tegemoet aan de rechtvaardige eisen van de wet. Zo ontvangt de vraagt van vers 1 opnieuw een negatief antwoord.

Ontelbare heiligen, velen van wie gefaald hebben of geen mogelijkheid hadden deze beredeneerde onthulling van God te volgen, hebben in ervaring en praktijk bewezen dat ze zo ver bevrijd zijn van de heerschappij van de Zonde, dat ze in staat zijn geweest zichzelf aan God te geven en Hij heeft hen getuigenis gegeven van Zijn aanvaarding. Een goed voorbeeld wordt gegeven in de zaak van broeder Lawrence, een arme en ongeletterde monnik, wiens weergegeven gesprekken en brieven een geestelijke klassieker zijn en werden gepubliceerd onder de titel: "De praktijk van het dienstbetoon aan God." Hij zegt: "Ik wees alles af wat Hij niet was, vanwege de liefde van Hem, en ik begon te leven als ware er niemand in de wereld dan Hij en ik." Een nogmaals: "Alles bestaat in afzien in het hart van alles waar we gevoelig voor zijn en niet tot God leidt."





Dit artikel is afkomstig uit U.R.Magazine, jaargang 24, pagina 21. Uitgave van Concordant Publishing Concern

Voor meer delen uit deze serie, klik hier


www.hetbestenieuws.nl