| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 Dit nu is de som van wat gezegd wordt. Wij hebben een hogepriester Die gezeten* is aan de rechterzijde van de Majesteit in de hemelen,
[Hebr. 3:1] -
[Psalm 110:1]
2 een Dienaar van het heiligdom en van de ware °tabernakel, die de Heer vast stelt°, niet een mens.
[Num. 24:5,6]
3 Want iedere hogepriester wordt gesteld zowel naderingsgeschenken als offers te offeren. Daarom is het voor Deze noodzakelijk ook iets te hebben dat Hij kan offeren*.
4 Indien dan Hij inderdaad op Aarde was, zou Hij zelfs niet eens priester zijn, waar zij zijn die °naderingsgeschenken offeren naar de wet,
5 die, als voorbeeld en schaduw, goddelijk dienstbetoon leveren van de hemelse dingen, zoals door Mozes werd onderricht, die op het punt stond de tabernakel te completeren. Want zie, Hij zegt: "Jij zal alles doen naar het aan jou op de berg getoonde* °model."
[Kol. 2:17] -
[Ex. 25:40]
6 Doch nu heeft Hij een meer uitnemender bediening gekregen, zo gewichtig omdat ook Hij Middelaar is van een beter verbond, dat ingesteld is op betere beloften.
[Hebr. 7:22]
7 Want indien dat eerste onberispelijk was, zou er geen plaats zijn gezocht voor het tweede.
8 Want hen berispend zegt Hij: "Zie*, de dagen komen!" zegt de Heer, "En Ik zal met het huis van Israel en met het huis van Juda een nieuw verbond sluiten.
9 Niet naar het verbond dat ik maakte met hun °vaders in de dagen dat ik hun °hand vastpakte* om hen uit te leiden* uit het land van Egypte, ziende dat zij niet blijven* in Mijn °verbond en Ik hen zou verwaarlozen*," zegt de Heer.
10 "Dat dit het verbond is dat Ik met het huis van Israel zal maken, na deze °dagen," zegt de Heer, "Mijn wetten gevend in hun bevattingsvermogen en op hun harten zal Ik ze graveren en Ik zal hen tot God zijn en zij zullen Mij tot volk zijn.
[Hebr. 10:16]
11 En zij zouden zeker niet een ieder zijn °mede-burger leren* en een ieder zijn °broeder, zeggende: "Ken* de Heer!" omdat allen Mij zullen zien, van hun kleine tot hun grote.
12 Want Ik zal genadig zijn aan hun °onrechtvaardigheden en aan hun °zonden zal Ik niet langer herinnerd* worden."
[Jer. 31:31-34]
13 Door "nieuw" te zeggen heeft Hij het eerdere verouderd. Nu is het oud gewordene en het afgeleefde de verdwijning nabij.
Terug naar de index.
Naar Hebreeën 9
|
|