| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 Daarom, heilige broeders, deelgenoten aan een hemelse roeping, beschouwt* de apostel en hogepriester van onze °belijdenis, Jezus,
[Hebr. 4:14]
2 Die trouw was aan Die Hem maakt*, zoals ook Mozes in heel Zijn huis.
3 Want Deze is meer heerlijkheid waardig geacht dan Mozes, omdat Hij die het huis bouwt* meer eer heeft dan het huis.
[Num. 12:7]
4 Want elk huis wordt door iemand gebouwd, doch Die alles bouwt* is God.
5 En Mozes was inderdaad trouw in heel Zijn huis als dienaar; daarvan zal tot getuigenis worden gesproken.
6 Doch Christus, als Zoon, over Zijn °huis - Wiens huis wij zijn, indien wij de vrijmoedigheid en de roem van de verwachting bewaren*.
[Kol. 1:23]
7 Daarom, zoals de heilige °geest zegt: "Vandaag, indien jullie Zijn °geluid zouden horen*,
8 zouden jullie niet jullie °harten moeten verharden, zoals in de verbittering, zoals in de dag van de beproeving in de wildernis,
[Ex. 17:7]
9 waar jullie vaders Mij beproeven in het testen, en zij namen Mijn °daden waar, veertig jaren."
10 Daarom: "Ik walg* van dit °geslacht en ik zei*: 'Altijd dwalen zijn in het hart, doch zij kennen* niet Mijn °wegen.'
11 Zo zweer* Ik in Mijn verontwaardiging, als zij binnen zullen gaan in Mijn rust!"
[Num. 14:21-23] -
[Psalm 95:7-11]
12 Ziet toe, broeders, dat niet op een bepaald moment in iemand van jullie een boos hart of ongeloof zal zijn, in het wegtrekken* van de levende God.
13 Maar bemoedigt jezelf elke dag tot wat "vandaag" wordt genoemd, opdat niemand van jullie verhard* zal zijn door de verleiding van de zonde.
14 Want wij zijn deelgenoten van °Christus geworden, dat wil zeggen: indien wij zouden vasthouden* het begin van de aanneming tot de voleinding,
15 terwijl er wordt gezegd: "Vandaag, indien jullie Zijn °stem zouden horen*, zouden jullie niet jullie °harten moeten verharden zoals in de verbittering."
[Psalm 95:7,8]
16 Want sommigen die horen* verbitteren*, maar niet al die uit Egypte komen* door Mozes.
17 Van wie nu walgde* Hij veertig jaren? Was het niet van die zondigden*, van wie de carcassen vielen in de wildernis?
[Num. 14:29]
18 Tegen wie nu zweert* Hij niet in te gaan in Zijn °rust, dan tegen die koppig* zijn?
[Num. 14:22,23]
19 En wij zien dat zij niet in staat waren* in te gaan* door ongeloof.
Terug naar de index.
Naar Hebreeën 4
|
|