| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 Want de wet, een schaduw hebbend van het aanstaande goede, niet zelf het beeld van de zaken, is niet in staat met dezelfde offers, die zij jaar na jaar eindeloos offeren, die naderen te perfectioneren.
2 Anders: zouden zij niet ophouden geofferd te worden, omdat degenen die het goddelijk dienstbetoon aanbieden, één maal gereinigd zijnd, niet langer enig bewustzijn van zonden hebben?
3 Maar in hen is een herinnering aan zonden, jaar na jaar,
4 want het is onmogelijk dat bloed van stieren en van bokken zonden uitschakelt.
[Lev. 16:15,21]
5 Daarom, in de wereld binnengaand, zegt Hij: "Offer en naderingsgeschenk wil* U niet, maar een lichaam maakte* U voor Mij klaar,
6 in brandoffers en die voor zonden hebt* U geen genoegen."
7 Toen zei* Ik: "Zie, Ik kom (in het begin van het rolletje werd over Mij geschreven) om de wil van U, de God, te doen*!"
[Psalm 40:6-8]
8 Verderop, zeggend dat: "Offers en naderingsgeschenken en brandoffers en die voor zonden, wil* U niet, noch hebben U behaagd* die naar de wet worden geofferd."
[Psalm 40:6]
9 Toen heeft Hij verklaard: "Zie!* Ik kom om Uw wil te doen*." Hij schaft het eerste af, opdat Hij het tweede zou vestigen*.
10 Door welke wil wij geheiligd zijn, door het naderingsgeschenk van het lichaam van Jezus Christus, eens en voor altijd.
[Hebr. 9:12]
11 En inderdaad stond iedere priester dag na dag te dienen en vele malen dezelfde offers te offeren, die nooit in staat zijn zonden weg te nemen*
[Ex. 29:38]
12 Doch Deze Ene, één naderingsgeschenk offerend* ten behoeve van zonden, is tot een einde gezeten* aan de rechterhand van °God,
[Psalm 110:1]
13 de rest van de tijd wachtend tot Zijn °vijanden tot voetenbank voor Zijn °voeten geplaatst* zullen zijn.
[Psalm 110:1]
14 Want met één naderingsgeschenk heeft Hij hen die geheiligd zijn geperfectioneerd tot in het einde.
15 Nu getuigt ook de heilige °geest tot ons, na verklaard te hebben:
16 "Dit is het verbond dat Ik met hen zal verbinden na die dagen" zegt de Heer, "Mijn wetten gevend in hun harten. Ook in hun °verstand zal Ik ze graveren.
17 En aan hun °zonden en aan hun °wetteloosheid zal Ik niet langer herinnerd worden."
[Jer. 31:33,34]
18 Waar nu losmaking van deze is, is er niet langer een naderingsgeschenk voor zonde nodig.
19 Hebbende dan, broeders, vrijmoedigheid voor het binnengaan van de heilige plaatsen, door het bloed van Jezus,
[Hebr. 4:16]
20 dat Hij ons toewijdt*, door een recente gelegde en levende weg, door het gordijn, dit is Zijn °vlees,
21 en een grote Priester over het huis van °God,
22 mogen wij naderen met een waar hart, in de zekerheid van geloof, met harten besprenkeld van een boos geweten en het lichaam gebaad in schoon water.
[Eze. 36:25] -
[Efe. 5:26]
23 Wij mogen de belijdenis van de verwachting vasthouden, zonder aarzelen, want trouw is De Belovende*.
[Hebr. 4:14]
24 En wij mogen elkaar achten tot aanscherping van liefde en goede werken,
25 niet onze °bijeenkomst verlatend, zoals de gewoonte van sommigen is, maar bemoedigend, en zoveel te meer als jullie zien dat de dag nadert.
26 Want bij ons vrijwillig zondigen, na het verkrijgen* van de herkenning van de waarheid, is er geen offer meer voor de zonden,
[Hebr. 6:4-8]
27 maar een zeker vreesachtig wachten op oordeel en vurige jaloezie, dat op het punt staat de vijandigen op te eten.
[Jes. 26:11]
28 Iedereen die de wet van Mozes afwijst*, sterft zonder medelijden op het getuigenis van twee of drie getuigen.
[Deut. 17:6]
29 Welke ergere straf, denken jullie, zal degene waardig geacht worden, die de Zoon van °God vertrapt* en het bloed van het verbond, waarin hij is geheiligd en gewoontjes acht* en de geest van de genade beledigt*?
[Ex. 24:8]
30 Want wij hebben waargenomen Die zegt*: "Mijn is de wraak! Ik zal terugbetalen!" En opnieuw zal de Heer Zijn °volk oordelen.
[Deut. 32:35] -
[Deut. 32:36]
31 Vreselijk is het vallen* in de handen van de levende God!
32 Denk nu aan de eerdere dagen, waarin, verlicht* zijnd, jullie veel strijd van lijden verdragen*,
33 hierin een toneelstuk zijnd van zowel verwijten als verdrukkingen, nu hierin deelnemers wordend* van degenen die zich zo gedragen.
[1Kor. 4:9]
34 Want jullie sympathiseren* ook met mijn gevangenen en verwachten* het roven van jullie bezittingen met vreugde, wetend dat jullie zelf beter en blijvend eigendom hebben.
35 Jullie zouden dan niet jullie vrijmoedigheid moeten wegwerpen*, die een grote beloning heeft,
36 want jullie hebben volharding nodig, opdat, de wil van °God doende*, jullie beloond* zullen worden met de belofte.
[Luc. 21:19]
37 Want nog heel, heel weinig tijd, en de Komende zal arriveren en zal niet uitstellen.
[Jes. 26:20]
38 Doch Mijn rechtvaardige zal leven uit geloof, en indien hij zou ineenschrompelen*, heeft Mijn ziel geen behagen in hem.
[Rom. 1:17] -
[Hab. 2:3,4]
39 Doch wij zijn niet van verschrompeling tot vernietiging, maar van geloof tot behouding van de ziel.
Terug naar de index.
Naar Hebreeën 11
|
|