De Eerste Idioot In De Hemel
7. VERDER IN HANDELINGEN


door Martin Zender

Jaren later, staande op de trappen van een Romeinse citadel in Jeruzalem, richtte Saulus zich tot een grote, opgewonden, bijeengeroepen menigte uit zijn eigen volk – gepeupel eigenlijk – die hem maar al te graag zou stenigen. Saulus biologeerde hen tijdelijk met een verslag van wat zich had afgespeeld op die gedenkwaardige dag bij Al Qunaytirah:

Beste broeders en vaders, luister nauwkeurig naar wat ik te zeggen heb voordat jullie overhaaste conclusies trekken over mij.

Toen ze hem Hebreeuws hoorden spreken werden ze nog stiller. Niemand wilde hier een woord van missen.

Hij vervolgde: Ik ben een goede Jood, geboren in Tarsus in de provincie Cilicia, maar hier in Jeruzalem opgeleid onder het toeziend oog van Rabbi Gamaliël, grondig onderwezen in onze religieuze tradities. En ik heb altijd hartstochtelijk aan Gods kant gestaan, net zoals jullie nu doen.
    Ik heb iedereen vervolgd die connecties had met deze ‘Weg,’ ik zat hen op de hielen, klaar om te moorden voor God. Ik rolde links en rechts mannen en vrouwen op en liet hen in de gevangenis gooien. Jullie kunnen het aan de Hogepriester vragen of aan wie dan ook in de hoge raad om dit te bevestigen; ze kenden me allemaal goed.

Toen ging ik op weg naar onze broeders in Damascus, gewapend met officiële documenten die me toestemming gaven om daar de volgelingen van Jezus op te sporen, hen te arresteren en hen mee terug te nemen naar Jeruzalem om berecht te worden. Toen ik dichtbij Damascus kwam, rond het middaguur, vlamde er een verblindend licht uit de hemel en ik viel verdwaasd op de grond.

Ik hoorde een stem: ‘Saulus, Saulus, waarom vervolg je mij?’

Wie bent u, Meester? vroeg ik.

Hij zei: ‘Ik ben Jezus de Nazoreeër, Degene die jij najaagt.’

Mijn reisgenoten zagen het heldere licht, maar zij hoorden ons gesprek niet.

Toen zei ik: ‘Wat moet ik nu doen, Meester?’

Hij zei: ‘Sta op en ga Damascus binnen. Daar zal je alles verteld worden wat je moet gaan doen.’

En zo kwamen we in Damascus aan, maar niet zoals ik mijn entree gepland had – ik was zo blind als een vleermuis en mijn begeleiders moesten me bij de hand leiden. En toen ontmoette ik Ananias, met een uitstekende reputatie in het naleven van onze wetten – de Joodse gemeenschap in Damascus is het daar unaniem over eens. Hij kwam naar mij toe en legde zijn arm op mijn schouder.

‘Kijk omhoog,’ zei hij. Ik keek en zag hem recht in de ogen – ik kon weer zien!

Toen zei hij: ‘De God van onze vaderen heeft jou al eerder uitgekozen om te worden ingelicht over Zijn plan van aanpak. Je hebt de Rechtvaardige Onschuldige gezien en Hem horen spreken. Je moet een kroongetuige zijn voor een ieder die je ontmoet van wat je hebt gezien en gehoord. Dus waar wacht je nog op? Sta op en laat je dopen en die zonden afschrobben en maak persoonlijk kennis met God.’

Nou, het ging precies zoals Ananias had gezegd. Nadat ik teruggekeerd was in Jeruzalem en op een dag in de Tempel aan het bidden was, raakte ik in extase, ik zag Hem, zag Gods Rechtvaardige Onschuldige en hoorde Hem tot mij zeggen: ‘Haast je! Ga hier zo snel mogelijk weg. Geen enkele Jood hier in Jeruzalem zal accepteren wat je over Mij vertelt.’

Eerst wierp ik tegen: ‘Wie heeft er betere geloofsbrieven? Ze weten allemaal hoe bezeten ik was in het najagen van hen die in U geloofden, hoe ik hen geselde en in de gevangenis wierp. En toen Uw getuige Stefanus werd vermoord stond ik er zelf bij, bewaakte de jassen van de moordenaars en moedigde hen aan. En nu zien ze hoe ik helemaal bekeerd ben. Wat voor betere kwalificatie zou ik kunnen hebben?’

Maar Hij zei: ‘Spreek Me niet tegen. Ga daar weg. Ik stuur je op een lange reis naar volkeren ver weg.’

Handelingen 22: 1-21, The Message

Let goed op wat er vervolgens gebeurde:

Tot hiertoe hadden de mensen in de menigte aandachtig geluisterd, maar nu verhieven ze hun stem en schreeuwden: ‘Dood hem! Hij is ongedierte! Vertrap hem!’ Zij schudden met hun vuisten. Zij vulden de lucht met verwensingen.

Handelingen 22: 22-23, The Message

Deze menigte van gelovige Israëlieten luisterde geduldig naar Paulus – totdat hij deze noodlottige woorden van de levend gemaakte Christus aan hen doorgaf: ‘Ik stuur je op een lange reis, naar volkeren ver weg.’ Toen wilden deze Joodse gelovigen Paulus vertrappen als een smerige spin. Als de Romeinen niet tussenbeide gekomen waren, dan zouden ze dat zeker gedaan hebben.
    Zei ik zojuist ‘gelovige Israëlieten’? Ja. De Joden die toen werkelijk klaarstonden om de apostel Paulus te doden waren gelovigen in de Heer Jezus Christus.
    Kan dat waar zijn? Let op. We zien hier een positieve houding van hen die bijeenkwamen om die dag naar Paulus te luisteren in het vorige hoofdstuk, Handelingen 21. Paulus was in de stad om Petrus, Jacobus en de anderen te ontmoeten. Paulus begroette de Jeruzalemse oudsten van ‘De Weg’ (want zo werd de nieuwe Jezusbeweging aangeduid) en zette aan hen de werken uiteen die God deed onder de heidenvolkeren, door de bediening van Paulus. De oudsten waardeerden sommige dingen die zij hoorden, maar hadden moeite met andere zaken.
    Lucas schrijft in Handelingen 21:17-21, nogmaals uit The Message:

In Jeruzalem ontvingen onze vrienden, blij om ons te zien, ons met open armen. Het eerste dat we de volgende ochtend deden was Paulus meenemen naar Jacobus. Alle oudsten waren daar ook aanwezig. Na de begroeting en wat gekletst te hebben vertelde Paulus het verhaal met alle details over wat God had gedaan onder de heidenvolkeren door zijn bediening. Ze luisterden met vreugde en verheerlijkten God. Maar zij hadden ook iets te vertellen: ‘Kijk maar eens wat er hier gebeurd is – duizenden Godvrezende Joden zijn gaan geloven in Jezus! Maar er is ook een probleem omdat ze nu nog ijveriger bezig zijn om de wet van Mozes na te leven.

Maar hen is verteld dat jij gelovige Joden, die onder de heidenen leven, adviseert om Mozes niet zo nauw te nemen, door hen te zeggen dat zij hun kinderen niet hoeven te besnijden of de oude tradities te handhaven. Dit zit hun helemaal niet lekker. We maken ons zorgen over wat er gaat gebeuren als zij ontdekken dat je in de stad bent. Daar komen geheid problemen van.’

‘Problemen’? Over understatement gesproken.
Vanaf hier kun je al zien dat Paulus niet alleen een boodschap onderwees die radicaal anders was dan wat Israël had aangenomen van Abraham en Mozes, maar dat zijn nieuwe vijanden geen overgevoelige Christusmoordenaars waren, zoals Kajafas. Paulus’ vijanden waren gelovigen in Jezus Christus – in de Joodse Jezus Christus. Dit is onze eerste aanwijzing dat Paulus een aspect van de Messias van Israël verkondigde (of begon te verkondigen) waar nog nooit iemand van had gehoord. Zou het kunnen dat de Zoon van God meer was dan alleen maar een volgzaam Lam, slechts geofferd voor de zonden van Israëlieten?
    ‘Als Ik u aardse dingen heb verteld en u niet gelooft, hoe zult u geloven als Ik u hemelse dingen vertel?’ (Johannes 3:12).
    Een soortgelijke ontmoeting vond plaats in Handelingen, hoofdstuk 15, met hetzelfde thema. Luister maar:

Het duurde niet lang voordat er een aantal Joden uit Judea aankwamen die er op stonden dat iedereen zou worden besneden: ‘Als u zich niet naar de gewoonte van Mozes laat besnijden, dan kunt u niet behouden worden.’ Paulus en Barnabas sprongen onmiddellijk op in fel protest. De kerk besloot de zaak op te lossen door Paulus en Barnabas en een paar anderen naar Jeruzalem te sturen en hem daar aan de leiders en apostelen voor te leggen.
    Nadat hen uitgeleide was gedaan en ze onderweg waren, vertelden ze iedereen die ze tegenkwamen op hun reis door Fenicië en Samaria uitgebreid over de doorbraak onder de heidenen. Iedereen die het nieuws hoorde juichte – het was geweldig nieuws!

Toen ze in Jeruzalem aankwamen werden Paulus en Barnabas hartelijk ontvangen door de hele kerk, inclusief de apostelen en leiders. Ze deden verslag van hun laatste reis, hoe God hen had gebruikt om dingen uit te leggen aan de heidenen. Enkele Farizeeën stonden op om hun zegje te doen. Zij waren gelovig geworden, maar gingen door met zich te houden aan de harde partijlijn van de Farizeeën. ‘Jullie moeten de heidense bekeerlingen besnijden,’ zeiden ze. ‘Jullie moeten hen de wet van Mozes laten houden.’

Handelingen 15:1-5, The Message

Na deze ontmoeting ging er een brief uit van de oudsten van de Jeruzalemse kerk (Petrus en Jacobus, met name) die gelovige heidenen vrijstelde van het oude ritueel. Dit tot woede van de harde-lijners, maar Paulus verheugde zich. Het was een begin. Niet dat Paulus toestemming nodig had van Jeruzalem om zijn nieuwe openbaring te onderwijzen, maar in die begintijd begreep Paulus dat ondersteuning van de kerk in Jeruzalem politiek wenselijk was.
    Paulus had zoveel vijanden buiten de poort dat, als Petrus en Jacobus hun invloed niet hadden laten gelden onder de Jeruzalemse wetliefhebbers, Paulus wellicht zou zijn gestopt in zijn omzwervingen – met een dolk in zijn rug – voordat de nieuwe boodschap zelfs maar overwogen kon worden. Maar nu droeg Paulus een brief bij zich van Jezus’ hoofdkwartier met een handtekening van Petrus die een zegen en troost zou zijn voor de niet-Joden en de bijna-Joden tussen wie Paulus reisde.
    Hier is hoe het uiteindelijk verliep, opgetekend in Handelingen 15:19-33. Jacobus spreekt, uit The Message:

Dus dit is mijn besluit: Wij gaan niet-Joodse mensen die zich tot de Meester hebben gekeerd niet onnodig zwaar belasten. We zullen hen een brief schrijven en hen zeggen: ‘Pas op dat je niet betrokken raakt bij afgodenpraktijken, bewaak de moraal van seks en huwelijk, serveer geen voedsel dat beledigend is voor Joodse Christenen, bijvoorbeeld bloed.’

Dit is basis wijsheid van Mozes die nu al eeuwen lang wordt verkondigd en geëerd in elke stad en die elke Sabbat wordt voorgelezen. Iedereen stemde ermee in: apostelen, leiders, alle mensen. Ze kozen Judas uit (bijgenaamd Bar-Sabbas) en Silas - beiden uitgelezen, leidinggevende mannen in de kerk – en zonden hen uit naar Antiochië met Paulus en Barnabas en deze brief:

‘Van de apostelen en leiders, jullie vrienden, aan onze vrienden in Antiochië, Syrië en Cilicië: Hallo! Wij hebben gehoord dat sommige mannen van onze kerk naar jullie toegegaan zijn en dingen hebben gezegd die voor jullie verwarrend en verontrustend waren. Denk eraan, ze hadden geen toestemming van ons; wij hebben hen niet gezonden. Wij hebben unaniem besloten om vertegenwoordigers uit te kiezen en hen tot jullie te zenden met onze goede vrienden Barnabas en Paulus. Wij kozen mannen waarvan we weten dat jullie hen kunnen vertrouwen, Judas en Silas – zij hebben keer op keer de dood in de ogen gezien voor de zaak van onze Meester Jezus Christus. We hebben hen gezonden om in een persoonlijke ontmoeting te bevestigen wat we hebben geschreven.

‘Het dunkt de Heilige Geest en ons goed dat jullie niet opgezadeld hoeven te worden met welke zware last dan ook, behalve de verantwoordelijkheid voor slechts deze eerste levensbehoeften: Pas op dat je niet betrokken raakt bij afgodenpraktijken; vermijd het serveren van beledigend voedsel aan Joodse Christenen (bijvoorbeeld bloed); en bewaak de seksuele en huwelijksmoraal. Deze richtlijnen zijn voldoende om de relatie tussen ons prettig te houden. God zij met jullie!’

En zo gingen ze op pad naar Antiochië. Bij aankomst brengen ze de kerk bijeen en lezen de brief voor. De mensen waren enorm opgelucht en verheugd. Judas en Silas, beiden goede sprekers, versterkten hun nieuwe vrienden met vele woorden van bemoediging en hoop. Toen was het tijd om naar huis te gaan. Ze werden door hun nieuwe vrienden met gelach en omhelzingen uitgeleid om op hun beurt weer verslag te gaan doen aan degenen die hun hadden uitgezonden.


    In de huidige tijd is het moeilijk om ons voor te stellen hoe betekenisvol dit was. Het was een eerste stapje naar de vorming van een nieuwe groep van gelovigen in Christus, die uiteindelijk (er waren verscheidene jaren van openbaringen voor nodig) bevrijd zou zijn van elk lichamelijk ritueel, inclusief die in deze brief worden genoemd.
    Alle banden met Israël zouden uiteindelijk worden verbroken – en dat zou nog maar het begin zijn.
    Israël had geen idee van wat er komen zou. Zelfs deze paar voorschriften waarvoor Jacobus de heidenen waarschuwde, werden, zoals ik zei, uiteindelijk door Paulus ingetrokken. Niet dat Paulus ineens vóór immoraliteit en afgoderij was, maar God openbaarde uiteindelijk aan Paulus dat de genade van Christus – los van alle regels – alles was wat gelovigen nodig hadden voor de zwakheden van het vlees.
    Israël was altijd al bedoeld om een priesterlijke natie te zijn. Een priester is iemand die optreedt als een bemiddelaar tussen mensen en God. Israël was een halsstarrig volk dat haar zegeningen liever voor haarzelf zou houden. Toen Paulus van start ging en aan zovelen van de heidenen vertelde dat ze in Jezus zouden geloven zonder rituelen, probeerden de meeste Israëlieten hem te dwarsbomen. Ze hadden schoorvoetend de besnijdenis van de heidenen opgegeven, maar verafschuwden het om te zien hoe alle banden met de ‘moederkerk’ werden verbroken. Israël, als een priesterlijke natie, zal altijd de bemiddelaar zijn – op aarde. (En in de hemel dan? Ah! Daar heeft zij geen superioriteit. Dit is heel belangrijk, in het licht van wat er komen gaat.) Zij waren bereid om andere volkeren in de schaapskooi te accepteren, zolang die volkeren er maar wel door hen in kwamen. Zo lang Israël het kanaal van zegeningen was, kon Israël de heidenen tolereren. Ik denk dat in die beginperiode zelfs Jacobus of Petrus zich niet kon voorstellen dat dit nieuwe ding dat God de heidenen aanbood via Paulus uiteindelijk op zichzelf zou staan – los van welke regel, woord of betuttelend knikje van welke Joodse aanzienlijke dan ook, inclusief Petrus.
    Wees onder de indruk van het feit dat Petrus Paulus überhaupt accepteerde. Dat was geen kleinigheid. Petrus zou dit nooit hebben gedaan zonder een visioen dat God hem gaf in Handelingen, hoofdstuk 10.

oo0oo

Petrus was op een avond in Joppe en had honger. Hij zat op het dak van zijn huis en bad. Toen kwam het visioen. Een enorm laken daalde neer uit de hemel, waarin allerlei soorten onreine dieren krioelden, die Petrus, als Jood, niet mocht eten. Een stem richtte zich tot Petrus, zeggende: ‘Sta op, Petrus! Slacht en eet!’ (Handelingen 10:13). Petrus deinsde met afgrijzen terug.

Maar Petrus zei: ‘Beslist niet, Heere, want ik heb nooit iets gegeten wat onrein is.’ En er kwam opnieuw, voor de tweede keer, een stem tot hem: ‘Wat God gereinigd heeft, mag u niet voor onrein houden!’

Handelingen 10:14-16, Concordant Literal New Testament
Zie ook www.schriftwoord.nl

God deed dit speciaal om Petrus, de leider van de Weg, voor te bereiden om het getuigenis te aanvaarden van een man die hij spoedig zou ontmoeten, een voormalige Christenmoordenaar, Saulus geheten, die Petrus zou vertellen over zijn wonderlijke ontmoeting met de verrezen Redder op de weg naar Damascus. De Redder vertelde Paulus dat hij een licht zou zijn voor de heidenen.
    Zonder dit visioen in Joppe zou Petrus zelfs niet eens maar nagedacht hebben over alles overtreffende genade voor heidenen.
    Toen dit visioen plaatsvond vroeg een godvrezende heiden in de stad Caesarea, Cornelius geheten – een vrome volgeling van de God van Israël – naar Petrus. Je weet nog wel dat in die tijd een heidense zoeker die een zegen wenste, zijn of haar plaats moest innemen als hond onder de tafel van Israël. Terwijl Cornelius bad kreeg hij bezoek van een engel.
    Cornelius was eerst bang (dit lijkt standaard, bijbelse procedure te zijn als engelen verschijnen), maar de engel kalmeerde hem en zei (Handelingen 10:4-6):

‘Je gebeden en aalmoezen hebben Gods aandacht op je gevestigd. Dit is wat je moet doen. Stuur een paar van je mannen naar Joppe om Simon te halen, die door iedereen Petrus wordt genoemd. Hij verblijft bij Simon de leerlooier wiens huis aan zee ligt.’

The Message

Terwijl de mannen van Cornelius op weg waren naar Joppe, kreeg Petrus zijn visioen van het laken. Als je ziet wat er vervolgens gebeurt, zul je verder begrijpen waarom Petrus dit visioen nodig had. Petrus moest niet alleen een nieuwkomer accepteren in de schaapskooi (Paulus) met zijn radicale ombuiging naar heidenen, maar Petrus moest zich ook realiseren dat God met een nieuw programma begonnen was dat uiteindelijk de mannen en vrouwen uit de volkeren een goddelijke roeping zou geven en een verwachting die totaal losstond van de priesternatie Israël.
    Petrus zelf deed zijn best om de boodschap te begrijpen die Paulus aan de volkeren bracht. Dit lijkt ongelooflijk, maar luister naar wat Petrus later schreef in 2Petrus 3:14-16. Uit het Concordant Literal New Testament [zie ook www.schriftwoord.nl]:

Daarom geliefden, terwijl u op deze dingen hoopt, beijver u om onbevlekt en smetteloos door Hem bevonden te worden in vrede en beschouw het geduld van onze Heere als redding; zoals ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid die hem gegeven is, u schrijft, zoals ook in alle brieven, wanneer hij deze dingen ter sprake brengt. Daaronder zijn sommige zaken die moeilijk te begrijpen zijn.

Ik kan bijna dit P.S. horen: ‘Maar ik probeer ze te begrijpen.’
    Zo radicaal anders was Paulus’ boodschap dan wat Jezus aan Petrus verteld had (en aan priesters zoals Nicodemus) toen Hij op aarde was; Petrus had moeite om Paulus’ evangelie te begrijpen.
    ‘Als Ik u aardse dingen heb verteld en u niet gelooft, hoe zult u geloven als Ik u hemelse dingen vertel?’ (Johannes 3:12).
    Vergeet niet dat er honderden en duizenden jaren lang slechts één religie was en één volk dat contact had met God en slechts één manier om tot God te komen – door die uitverkoren natie, een priesterlijk volk. Het was zoals het was en voor een Jood was dit zoals het altijd zou zijn. Zij waren vooraanstaand. Zij waren het volk. Zij hadden het monopolie op God. Zij bezaten de Geschriften. Zij besloten wie een restje kreeg en wie niet. Zij moesten leren om schoorvoetend aanhangers zoals Cornelius te accepteren (die bekend stond als een proseliet van het Judaïsme) en daar waren visioenen en directe openbaringen voor nodig. Het was Israëls taak om uiteindelijk alle volkeren op aarde te zegenen, maar – God nog an toe – de aardbewoners konden maar beter via hen komen; ze konden maar beter hun contributie betalen; ze konden maar beter hun weldoeners erkennen – en er wordt wel enige onderdanigheid verwacht, ’t is maar dat u het weet.
    Zo dacht een Israëliet erover.

En zo kwamen er een paar mannen van Cornelius bij Petrus aan. Hun plan was om Petrus zover te krijgen dat hij naar Caesarea ging om met hun baas te praten. Let op de timing van God. Petrus herstelde zich net van zijn openbaring op het dak toen er op de deur werd geklopt.
    Handelingen 10:17-23, uit The Message:

Terwijl Petrus, verdwaasd, probeerde uit te vissen wat het allemaal betekende, verschenen de mannen van Cornelius bij Simons voordeur. Ze klopten aan en vroegen of er ene Simon verbleef, die ook Petrus genoemd werd. Petrus, in gedachten verzonken, hoorde hen niet en dus fluisterde de Geest hem in: ‘Drie mannen kloppen op de deur, op zoek naar jou. Ga naar beneden en ga met hen mee. Stel geen vragen. Ik heb hen gezonden om je op te halen.’

Petrus ging naar beneden en zei tegen de mannen: ‘Ik denk dat ik de man ben die jullie zoeken. Wat is er aan de hand?’ Zij zeiden: ‘Kapitein Cornelius, een godvrezend man, bekend om zijn eerlijkheid – vraag maar aan elke Jood in deze buurt – kreeg van een engel de opdracht om jou naar zijn huis te halen zodat hij kon horen wat je te zeggen had.’ Petrus vroeg hen binnen te komen en maakte het hun naar de zin.

Petrus ging akkoord. Zonder het visioen zou hij nooit zijn gegaan. Maar let op wat hij doet in Handelingen 10:23 – ‘De volgende morgen stond hij op en ging met hen mee. Sommige vrienden uit Joppe gingen ook mee. Een dag later kwam ze in Caesarea aan.’
    Waarom nam Petrus vrienden uit Joppe mee naar het huis van Cornelius? Voor gezeldschap? Nee. Er was maar één reden: de wet verbood Petrus om het huis van een heiden te betreden. Dit hier was nieuw terrein voor Petrus; hij wandelde op de maan. Thuis in Jeruzalem zou de hel losbreken als het ooit bekend werd dat hij, Petrus, het huis van een hond was binnengegaan zonder goede reden. Het visioen was een goede reden; dat had Petrus nodig; hij had een directe openbaring nodig dat God honden voortaan rein beschouwde. Petrus wist nog niet zeker waarom dat was. Het feit alleen al was schokkend genoeg. En nu vroeg God hem – nee, vertelde hem – om zich netjes te gedragen in het huis van een hond. Petrus nam getuigen mee om uiteindelijk te bevestigen wat alleen maar kon uitdraaien op een rare situatie. Hij had er geen idee van hoe raar. Zelfs het visioen had Petrus niet genoeg voorbereid op wat er zou plaatsvinden in het huis van Cornelius.

oo0oo

Petrus arriveerde met zijn Besnijdenisbroeders bij het huis van Cornelius. Uit het Concordant Literal New Testament, [zie ook www.schriftwoord.nl] Handelingen 10:28-29

Hij ging naar binnen en trof er velen aan die samengekomen waren. Hij zei tegen hen: ‘U weet dat het een Joodse man niet toegestaan is om met iemand van een ander volk om te gaan of bij hem binnen te gaan; maar God heeft mij laten zien dat ik geen mens besmettelijk of onrein mag noemen. Daarom ben ik ook… gekomen, toen ik ontboden werd. Dus vraag ik om welke reden u mij hebt ontboden.’

Cornelius beschrijft dan aan Petrus het bezoek van de engel en eindigt met:
    'Wij zijn dan nu allen hier aanwezig, in de tegenwoordigheid van God, om alles te horen wat u door God bevolen is’ (Handelingen 10:33).
    Toen sprak Petrus. Ik hou van de kracht die spreekt uit de letterlijke vertaling:

Ik zie nu in waarheid in dat God niet partijdig is, maar in ieder volk is degene die Hem vreest en gerechtigheid doet, voor Hem aanvaardbaar.

Dit is het woord dat Hij volmachtigt aan de zonen van Israël, het evangelie van de vrede brengend door Jezus Christus (Hij is Heer van allen). Jullie hebben waargenomen wat in heel Judea besproken wordt, beginnend in Galilea, na de doop die Johannes verkondigt: Jezus van Nazareth, hoe God Hem zalft met Heilige Geest en kracht, Die rondging als een weldoener en genezer van allen die getiranniseerd worden door de Tegenstander, want God was met Hem.

Handelingen 10:34-38, Concordant Literal New Testament
Zie ook www.schriftwoord.nl

Twee dingen waar je op moet letten. Hoewel Petrus het goede nieuws brengt van de komst van Jezus Christus tot Cornelius, een man uit de volkeren, baseert Petrus het goede nieuws van Gods aanvaarding nog steeds op ‘Hem vrezen’ en ‘rechtvaardig handelen’. Petrus kent niets anders. Ten tweede associeert hij het goede nieuws nog steeds met ‘de doop die Johannes verkondigde.’ Wat was de doop die Johannes verkondigde? ‘In die dagen trad Johannes de Doper op en hij predikte in de woestijn van Judea, en zei: Bekeer u! Want het koninkrijk der hemelen is nabijgekomen!’ (Matteüs 3:1-2).
    Wat zegt Johannes tegen de Farizeeën die naar de Jordaan afdaalden om zijn bediening te onderzoeken?

Breng dan vruchten voort in overeenstemming met de bekering… elke boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. Ik doop u weliswaar in water tot bekering, maar Hij Die na mij komt, is sterker dan ik; ik ben niet waardig om Zijn sandalen te dragen. Hij zal u dopen in Heilige Geest en vuur. Zijn wan is in Zijn hand en Hij zal Zijn dorsvloer grondig reinigen en Zijn tarwe in Zijn schuur verzamelen, maar Hij zal het kaf met onuitblusbaar vuur verbranden.
Matteüs 3:8; 11-12

Petrus, zoals we al weten, ging verder op dit thema van ‘bekeer u en daarna zullen we het over water hebben.’ Hij deed dit op de Pinksterdag in Handelingen 2:38 – ‘Bekeer u en laat ieder van u gedoopt worden in de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden; en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.’
    Tot dan toe was het altijd geweest: Bekeer je, daarna zal de geest komen; doe goede dingen voor God en Hij zal goede dingen voor jou doen; breng goede vruchten voort of je wordt geroosterd.
    Vijf minuten voor de schokkende gebeurtenis in Caesarea zei Petrus nog tegen Cornelius: ‘Ik zie nu in waarheid in dat God niet partijdig is, maar in ieder volk is degene die Hem vreest en gerechtigheid doet, voor Hem aanvaardbaar’ (Handelingen 10:34).
    En toen gebeurde het schokkende.

Terwijl Petrus nog deze uitspraken doet, valt de Heilige Geest op allen die het woord horen. En de gelovigen uit de besnijdenis werden verbaasd, zovelen als samenkwamen met Petrus, dat ook over de volkeren het geschenk van de heilige geest uitgestort is geworden.
Handelingen 10:44-45, Concordant Literal New Testament
Zie ook www.schriftwoord.nl

De allergrootste verbazing was niet dat de Heilige Geest werd uitgestort, want dat was al eerder gebeurd, nog niet zo lang geleden, op die beroemde Pinksterdag. Petrus was zijn toespraak die dag begonnen met: ‘Mannen, Joden en allen die in Jeruzalem verblijven!’ Vraag: Als de daaropvolgende mededeling van Petrus alleen voor Joden bestemd was, waarom voegde hij er dan aan toe ‘en allen die in Jeruzalem verblijven’?
    Het publiek wordt voor ons verder beschreven in Handelingen 2:8-10, wanneer elke toehoorder op wonderbaarlijke wijze Petrus’ woorden hoort in zijn of haar eigen taal.

En zij verbaasden en verwonderden zich, zeggend: ‘Kijk! Zijn niet al dezen die spreken Gallileërs? En hoe horen wij elk onze eigen taal waarin wij werden geboren? Parthen en Meden en Elamieten en die wonen in Mesopotamië, evenals Judea en Capadocië, Pontus en Asia, evenals Phrygië en Pamphylië, Egypte en de delen van Libië, die van Cyrene en de gerepatrieerde Romeinen, zowel Joden als proselieten.
Concordant Literal New Testament
Zie ook www.schriftwoord.nl

Joden waren Joden en proselieten waren niet-Joodse ‘aanhangers’ van de Joodse boodschap – honden onder de tafel. De zegen van Pinksteren was ook voor hen, maar ongeacht wie er toen gezegend werd, ze moeten eerst één ding doen:
    ‘Bekeer u en laat ieder van u gedoopt worden in de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden; en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen’ (Handelingen 2:38).
    En het moest gebeuren door de priesterlijke bemiddeling van Israël. Maar nu dit. Voor de eerste keer sinds de komst van Christus werd de Heilige Geest uitgestort over een niet-Israëliet, voorafgaand aan doop door een Israëliet.
    Onnodig te zeggen dat dit de Besnijdenis verbijsterde. Petrus, overdonderd, kon nog altijd niets doen zonder de doop. Hij had het ritueel nodig. Hij was opgevoed met rituelen. Petrus kon zich niet voorstellen dat er ook maar iets, zelfs dit, kon plaatsvinden zonder ceremonieel nat te worden. Als hij door één of andere idiote oorzaak de geest niet vooraf kon doen gaan door doop, dan zou hij zich zeker uit de naad werken om het achteraf voor elkaar te krijgen.
    ‘Toen antwoordde Petrus: Kan iemand soms het water weren, zodat dezen niet gedoopt zouden worden…’ (Handelingen 10:47).
    Gods punt was echter al gemaakt. Een peuterstapje was gezet in de verbijsterde Israëlitische gedachtewereld (en ook in de onze) dat God met iets nieuws bezig was. Er zou een tijd komen in de niet zo verre toekomst wanneer iedere goede en waardevolle daad die een mens deed zou plaatsvinden na Gods aanvaarding van hem of haar en niet ervoor. Dit was ongehoord. Dat moeten we beseffen. Het was volslagen ongehoord en onvoorstelbaar dat God onbekeerde, verharde, zelfingenomen, slechte mensen aan Zijn hart zou drukken.
    Het eerste voorbeeld hiervan was Saulus van Tarsus.

oo0oo

Bij de roeping van Saulus wist nog niemand dat deze Farizeeër zojuist het eerste lid was geworden van een totaal nieuwe organisatie waartoe zelfs Petrus niet zou behoren – het lichaam van Christus. Niemand wist nog dat God was begonnen met het samenstellen van een volk dat Hij naar de hemel zou meenemen om de bemiddelaars te zijn door wie Hij die hemelse wereld met Zich zou verzoenen.
    Noch wist iemand (zelfs Saulus niet op dat moment) dat de hoofdgedachte van de roeping van dit nieuwe lichaam van mensen – van Saulus tot en met de roeping van het laatste lid van het lichaam van Christus – genade zou zijn. De wereld had een bepaalde maat van Gods genade gezien door de geschiedenis heen, maar nooit zoiets als de alles overtreffende genade die God zou openbaren door de gestoorde Farizeeër.
    In ‘Rooted and Grounded in Love: Ephesians,’ schrijft A.E. Knoch:

De liefde verheugt zich in geheime verrassingen. Haar geschenken bestaan uit genade, omdat zij onverdiend en onverwacht zijn. Deze kostbare kwaliteit van genade versterkt de rijkdommen van Gods liefde in hoge mate.

Vanuit haar schuilplaats in de diepste kloven van Zijn genegenheden heeft Hij een verrassing voortgebracht zoals alleen Hij die voorzien kan hebben, zo wonderlijk is de wijsheid die ze onthult, zo peilloos de genegenheid die ze ontvouwt.

Onder de vele geheimen van de Heilige Schrift hebben we die gekozen die ons in deze aion [Grieks voor tijdperk, eeuw] het meest aangaat, (die geheime bedeling die God in eerdere aionen in Zichzelf verborgen hield, maar die nu bekend zijn gemaakt in deze brief). In Efeziërs zijn die hemelen op de hoogte gesteld van de verscheidenheid van Gods wijsheid en het hele universum zal nog leren over de alles overtreffende weelde die in Zijn gunst gevonden wordt. Het doel van dergelijke liefde is beantwoorde liefde. Het geheim dat het handelen van Zijn hart onthult zou in ons een soortgelijke vlam moeten ontsteken en moeten leiden tot de aanbidding die Hem toekomt.

Waarom koos God Saulus uit om deze boodschap aan het licht te brengen? Het antwoord zou nu voor de hand moeten liggen: Saulus was Zijn gezworen vijand. Ja, oké, Saulus besefte op dat moment niet dat hij Gods gezworen vijand was. Maar, door het vervolgen van de volgelingen van Gods Zoon werd Saulus dat wel. En in die hoedanigheid was er geen volmaakter instrument waarmee Gods alles overtreffende genade tentoongesteld kon worden.

Genade in Hitlerstijl, maar dan meer

Herinner je Gods definitie van genade: ‘Gunst verleend aan hen die het tegenovergestelde verdienen.’ Als iemand genade verdient, dan kan genade niet langer genade genoemd worden. Als mensen mij berispen omdat ik leer dat God door het kruis uiteindelijk – door herstellende gerichten heen – zijn genade zal uitstorten over de hele mensheid (Kolossenzen 1:20; 1Korintiërs 15:22-23), is de eerste figuur uit de geschiedenis, die onder mijn neus geschoven wordt, Adolf Hitler. Het gebeurt elke keer weer.
    ‘Vertel je me nu,’ zeggen ze, ‘dat Christus voor Hitler gestorven is? Vertel je me nu dat Hij de man met Zich wil verzoenen die toezicht hield bij de moord op zes miljoen Joden?’
    Mensen die dit bezwaar lanceren kunnen gewoon niet geloven dat Hitler ooit in aanbidding zou kunnen knielen aan de voet van het kruis. Kennelijk zijn zij nooit koppig of eigenwijs geweest tegenover de waarheid (ondanks Romeinen 3:10 ‘Niemand is rechtvaardig, nee, niet één’). Blijkbaar kwamen zij allemaal zonder zonden uit de baarmoeder tevoorschijn, Jezus prijzend. Dit beroemde vers, Romeinen 11:32 ‘God heeft allen onder koppigheid besloten,’ heeft blijkbaar belangrijke uitzonderingen. Hun geval is het enige in de geschiedenis (pas op: ik bedoel dit schertsend) waarin iemand ooit genade verdiende. (Genade verdienen is een contradictio in terminis [een tegenstelling]: ik hoop dat je dat snapt.)
    Tegenstanders herhalen uit het hoofd: ‘Ik ben wat ik ben door de genade van God,’ maar hun Hitlerprobleem logenstraft dit pasklare, religieuze gevoel. (Het is alleen maar een pasklaar, religieus gevoel als men het niet echt gelooft.) Wat de tegenstanders bedoelen – en wat ze werkelijk geloven – is: ‘Ik ben wat ik ben omdat ik goed ben en Hitler was een klootzak.’
    (Die laatste zin zou een geweldige, Christelijke bumpersticker kunnen zijn. Wees niet bang – je zult hem nooit zien.)
    Hoe zou redding uit genade kunnen zijn – in de gedachten van deze tegenstanders – als ze zichzelf ervan hebben overtuigd dat Hitler het doel miste? Als Hitler het doel miste, dan moeten zij het winnende doelpunt gescoord hebben.
    Als zij het winnende doelpunt gescoord hebben (ik bedoel de uitdaging aangenomen om gered te worden) dan vindt redding plaats door te scoren in plaats van door genade. (Ik heb mijn Bijbelse concordantie erop nagezocht en ik kan nergens de zin ‘Door te scoren word je gered,’ vinden.)
    Ik zeg niet dat deze mensen niet over genade praten. Dat doen ze wel. Ze zingen er ook over. Ze praten en zingen over genade, maar kunnen het niet spelen. Als ze het zouden kunnen spelen dan zouden ze zichzelf moeten afvragen: Waarom ik en Hitler niet? Deze gouden vraag kan alleen gesteld worden door iemand die wakker geschud is en zich eindelijk bewust is van zijn dodelijke gelijkenis met de Nazi dictator: ‘Allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God’ (Romeinen 3:23).
    In het kielzog van een dergelijk ontwaken (wanneer dat gebeurt) komen de voormalige Hitlerhaters (lees: genadetwijfelaars) tot dezelfde Bijbelse conclusie als ik: De God van alle omstandigheden breekt ieder op een ander moment. Door de genade van God beseffen sommigen van ons de genade van God nu al; Hitler beseft het later.

Want zoals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden, maar ieder in zijn eigen rangorde’ (1Korintiërs 15:22-23).
Wij vestigen onze hoop op de levende God, die de Redder is van alle mensen, speciaal van de gelovigen’ (1Timoteüs 4:10).


De voornaamste zondaar

Ik ben echt een hinderlijke lastpak als ik tot de tegenstanders zeg: ‘Waarom kom je eigenlijk met Hitler aanzetten, terwijl de ergste zondaar in de geschiedenis Saulus van Tarsus was?’ Over het algemeen houden ze niet van een dergelijke vraagstelling.
    Paulus – voorheen Saulus – is degene die zichzelf de voornaamste zondaar noemde. In zijn eerste brief aan Timoteüs zei hij:

Dit is een betrouwbaar woord en alle aanneming waard dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaars zalig te maken, van wie ik de voornaamste ben. Maar daarom is mij barmhartigheid bewezen, opdat Jezus Christus in mij, de voornaamste [van de zondaars], al Zijn geduld zou tonen, tot een voorbeeld voor hen die later in Hem gaan geloven.
1Timoteüs 1:15-16, Concordant Literal New Testament
Zie ook www.schriftwoord.nl

Hitler vervolgde de Joden; hij vervolgde God niet. Saulus was de vijand van God Zelf en van Zijn Zoon, Jezus Christus. Hoeveel Joden Hitler ook gedood heeft, Saulus’ poging om God te vernietigen overtroeft het. Toen hij geestelijk onderuit ging op de weg naar Damascus, riep Saulus uit: ‘Wie zijt Gij, Heer?’ Het antwoord kwam: ‘Ik ben Jezus, de Nazarener, Die jij vervolgt’ (Handelingen 22:8-9).
    En dat was nog vriendelijk uitgedrukt.
    Als God in het geval van Saulus al Zijn geduld toonde, dan had zelfs Hitler niet meer van Gods geduld kunnen uitlokken. Lees die laatste zin nog eens, alsjeblieft. God had elk stukje geduld nodig, niet alleen maar om deze speling van de natuur – Saulus – te tolereren, maar om hem met genade te overgieten. Dit is eenvoudige logica.
    God putte al Zijn geduld uit bij Saulus; daarom was Saulus van Tarsus de voornaamste zondaar die ooit op aarde zou rondwandelen. Saulus was erger dan Adam, erger dan Judas, erger dan Stalin, erger dan Hitler en erger dan Charles Manson. Geen van dezen vereiste al Gods geduld.
    Dus wat deed God met die ene man op aarde die de meest verschrikkelijke straf verdiende?
    ‘Maar de genade van onze Heer overweldigt, met geloof en liefde in Christus Jezus’ (1Timoteüs 1:14).
    Geweldig. Als God de hardste noot gekraakt heeft – tegen de wil van Saulus – wat zal Hem dan kunnen weerhouden van het overweldigen van alle anderen als de tijd rijp is? Volgens het getuigenis van Romeinen 5:18-19 zal niets Hem weerhouden:

Dus zoals dan door een overtreding van één het voor alle mensen tot veroordeling is gekomen, zo komt het ook door een rechtvaardiging door één voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven. Want zoals door de ongehoorzaamheid van die ene mens die velen tot zondaars zijn gesteld, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van die Ene de velen tot rechtvaardigen worden gesteld.

Sommigen zullen zeggen: ‘Ja, nou, Paulus was een uitzondering op de regel. Wij moeten vandaag de dag nog steeds waardig zijn. Wij moeten een verstandige keuze maken voor Christus.’
    Paulus mag dan in die tijd een uitzondering op de regel zijn geweest, maar niemand is sinds die tijd op een andere manier geroepen.
    Paulus was niet onderweg naar een gebedsbijeenkomst en ook niet naar een opwekkingsdienst. Saulus koos net zo min voor Jezus op de weg naar Damascus als een man, die onder de Niagara watervallen wordt geduwd, ervoor kiest om nat te worden. Saulus zei: ‘De genade van God overweldigde mij.’ Toen zei hij: ‘Maar daarom is mij barmhartigheid bewezen, opdat Jezus Christus in mij, de voornaamste [van de zondaars], al Zijn geduld zou tonen, tot een voorbeeld voor hen die later in Hem gaan geloven (1Timoteüs 1:16).
    Paulus werd dus het patroon van hen die gaan geloven, niet de uitzondering. Niet iedereen wordt tegen de grond geslagen en letterlijk verblind door Christus, maar de essentie van redding is hetzelfde: overweldigend, onvermijdelijk, onverwerpelijk. Als God besluit om het te doen, dan doet Hij het – en Hij doet het onafhankelijk van menselijke inspanning of instemming. Instemming is eerder wat volgt op Gods roeping, dan wat er aan voorafgaat. God vroeg niet aan Saulus: ‘Zou je willen dat je leven vandaag omgekeerd werd?’
    De weg naar Damascus was geen uitnodiging om naar voren te komen.

Welwillende Indringer

Mensen hebben me verteld: ‘God is een gentleman.’ Dan zeg ik: ‘Echt waar? Laat maar zien die tekst.’ God is veeleer een Welwillende Indringer van mensenlevens. Als God niet over ons handelt, dan handelen wij niet. Zijn genade is despotisch. Hij overweldigt eerst en stelt later vragen. Geloof is niet het muntje dat de kauwgombal van redding naar buiten schiet: Geloof is de reactie op iemands besef van Gods historische handeling.
    Christus redt ons en geeft ons daarna geloof. Dat is de goddelijke volgorde. Geloof is de kombuis voor de motor die verlost van zonde. De motor is het kruis. In Romeinen 5:8 zegt Paulus: ‘Toen wij nog zondaars waren is Christus voor ons gestorven.’
    Geloof is een rechtvaardige handeling die geen enkele zondaar kan opbrengen. Maar Christus stierf voor ons toen wij nog zondaars waren. Daarom zijn het zondaars die gered worden, geen gelovigen. Geloof, hoewel belangrijk, beaamt slechts een uitgemaakte zaak. Anders zou redding door geloof komen in plaats van door Christus.
    En dat kan niet.
    We zijn niet gered omdat we geloven; we geloven omdat we zijn gered.
    Geloof in geloof is een dodelijke doctrine. Het is beter om geloof als een geschenk te zien, wat het ook is (Romeinen 12:3; Filippenzen 1:29), dan als zelf ontworpen toegangsbewijs voor de hemel.
    Terug naar Saulus. Iedereen die sinds Saulus door Jezus Christus is gearresteerd heeft het patroon gevolgd van overweldigd worden door God, niet uitgenodigd. Ze voelen dan misschien niet de volle hevigheid van de invasie zoals Saulus deed, maar het is er niet minder om. Wij staan net zo goed te schudden op onze grondvesten.
    God wachtte totdat Saulus zich buiten Israël bevond om hem bij zijn nekvel te grijpen en hem op ooghoogte te brengen. Deze roeping buiten de landsgrenzen is veelzeggend – en wijst op de nieuwe zet van God die spoedig boomaanbidders zou begenadigen met niet alleen maar grotere hoeveelheden van Gods gunst dan iemand ooit eerder gekend had, maar met een toekomst waarvan Israëlieten nooit hadden durven dromen. Uiteindelijk lokte dit bij Israël zo’n jaloezie en woede uit dat haar eerste instinct was om de boodschapper te vermoorden.
    Paulus had de sessies met Jezus Christus in Arabië nodig. Hij had ze nodig voordat de hele hel losbrak.

oo0oo

Direct na de bekering van Paulus, leidde de geest van God hem in de woestijn. Steeds wanneer Godsmannen ergens vandaan moeten en aardse bekoringen voor een tijdje moeten loslaten, neemt God hen mee naar de woestijn. Daar hou ik van. Een woestijngebied is zo zuiver en schoon en eenvoudig en heeft niets dat afleidt. Na bergtoppen zijn woestijnen misschien wel de meest geweldige plekken op aarde waar je datgene kunt leren kennen wat er werkelijk toe doet.
    Paulus schreef later aan de Galaten:

Maar toen het Hem, die sinds de schoot van mijn moeder mij heeft afgezonderd en door Zijn genade heeft geroepen, behaagde Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem zou verkondigen onder de volkeren, ben ik niet meteen te rade gegaan bij vlees en bloed en ook niet opgegaan naar Jeruzalem, naar hen die eerder dan ik apostelen werden, nee, ik ben weggegaan naar Arabië en toen weer teruggekeerd naar Damascus.
Galaten 1:15-17, Concordant Literal New Testament
Zie ook www.schriftwoord.nl

Wat gebeurde er nu eigenlijk in Arabië? O, niks bijzonders hoor. Alleen maar persoonlijke ontmoetingen met de Heer Jezus Christus.
    Veel later, toen Paulus zichzelf verdedigde voor koning Agrippa in Caesarea, onderweg naar Rome voor berechting, vertelde hij de koning over zijn bekering en zei:

Ik hoorde een stem tot mij in de Hebreeuwse spreektaal zeggen: Saul, Saul, waarom vervolg je Mij? Het is hard om de hiel tegen prikkels te slaan! Maar ik zei: Wie zijt Gij, Heer? En de Heer zei: Ik ben Jezus, Degene Die jij vervolgt!

Maar sta op want daartoe heb Ik Mij aan jou laten zien, om jou aan te wijzen als helper, een getuige zowel van wat je hebt gezien als van alles waarin Ik Mij aan jou zal laten zien; Ik zal jou wegrukken uit de gemeenschap en uit de volkeren tot wie Ik je uitzend om hun ogen te openen, opdat zij zich wenden van duisternis naar licht en van het gezag van Satan naar God.

Handelingen 26:14-18, Concordant Literal New Testament
Zie ook www.schriftwoord.nl

Paulus zag Jezus Christus op die weg, inderdaad. Dit was echter pas de eerste ontmoeting van vele die nog zouden volgen. Let op het feit dat Paulus een getuige moest zijn zowel van wat hij had ervaren (op de dag dat Christus hem verblindde) ‘als van alles waarin Ik Mij aan jou zal laten zien (verdere openbaringen aan Paulus)’ (Handelingen 26:16).
    Paulus’ bediening ging ‘van heerlijkheid tot heerlijkheid’ (2Korintiërs 3:18). Paulus zag – en daarna zag hij meer. En vervolgens zag hij nog meer. Voor Paulus ging het trapsgewijs. God ontvouwde de geheimen stukje bij beetje aan Paulus. Na Paulus zijn er geen nieuwe openbaringen geweest. In Kolossenzen 1:25 zegt Paulus één van de stoutmoedigste dingen die een mens ooit zou kunnen zeggen. Deze man is óf de grootste, zelfingenomen eigenwijs die ooit op aarde rondwandelde, óf hij schreef de waarheid. Ik onderschrijf het laatste.

Nu verheug ik mij over het lijden voor jullie en ik vul in mijn vlees de tekorten aan van de verdrukkingen van Christus, ten behoeve van Zijn lichaam, dat is de ecclesia, waarvan ik dienaar werd, naar de bediening van God, die aan mij is gegeven voor jullie, om het woord van God te voltooien - het geheim, dat verborgen geweest is tijdens de aionen...
    
Kolossenzen 1:24-25, Concordant Literal New Testament Zie ook www.schriftwoord.nl

Deze gekke ex-Farizeeër voltooide het Woord van God.
    Wat duizenden jaren eerder begon bij Mozes toen hij de eerste vijf Bijbelboeken schreef werd voltooid door Paulus toen hij het laatste beetje inkt op perkament zette in zijn tweede brief aan Timoteüs. De boekrol werd opgerold; iemand nam hem mee de gevangenis uit, bezorgde hem bij Timoteüs – en dat was dat. God had Zichzelf geopenbaard aan de mensheid. Elk laatste ding dat God nog tegen ons wilde zeggen in dit grauwe en stoffige bestaan – inclusief Zijn laatste geheim van de verzoening van het universum door het lichaam van Christus – zei God door Paulus.
    Hoe verheugd moeten de engelen zijn geweest bij de geboorte van deze man. Hoe moeten ze hem bekeken hebben in zijn kinderjaren, getuige zijnd van zijn naderende volwassenheid, ineengekrompen bij het zien van zijn toenemende vijandigheid ten opzichte van de Godheid waarvoor hij ooit zou willen sterven, en opnieuw verheugd bij zijn roeping en vervolgens hemelse salto’s uitvoerend toen hij Gods laatste instructies neerpende voor ons stervelingen aan deze kant van de onsterfelijkheid.
    De brieven van Paulus zijn de laatste, grootste openbaringen van de Schepper van het universum aan ons mensen.

oo0oo

Stel jezelf voor, zittend in de woestijn bij een nachtelijk kampvuur, je kont op de harde woestijngrond, benen gekruist, converserend met de Schepper van die woestijngrond, een Schepper wiens gezicht – gek genoeg – oranje oplicht door het vuur, net als bij jou. Hij vertelt je geheimen, verborgen sinds de grondlegging van de wereld – en schenkt je dan een kop koffie in.
    Zonder gekheid.
    Stel je dan voor dat je een jonge heidense man bent – een proseliet van het Judaïsme – slenterend naar een markt in Damascus om uien en granaatappels te kopen voor je moeder. Wie ook naar die markt toegaat is de man die onlangs terugkeerde van woestijnsessies in Arabië met de opgestane Redder van Israël. Deze man ziet eruit als alle andere mannen – misschien nog wat slechter – maar zijn wezen is doordrenkt met nieuwe openbaringen waar geen enkel ander mens weet van heeft.
    Iemand stoot je aan en zegt: ‘Kijk! Dat is hem nou!’
    Je heb altijd al spirituele gedachten en vragen gehad. Je kijkt al zo lang omhoog naar de sterren en vraagt je af: ‘Waarom?’ Daarom loop je op hem af (God heeft je een onverschrokken geest gegeven) en je stelt jezelf aan hem voor. De man is hier om olijven te kopen. Maar jullie beginnen te praten naast het stalletje met uien. Drie uur later neem je met hem de laatste slok koffie in Café Al-Kassour in de Oukaibehstraat. Een uur later help je je moeder haar boodschappen uit te pakken.

‘Waar bleef je nou, Hijaz?’
‘Ik kwam op de markt een man tegen. Hij vertelde me dingen over God die ik nog nooit eerder heb gehoord.’
‘Wij aanbidden de God van Israël. Wat kan daar nieuw aan zijn?’
‘Moeder! In onze generatie, slechts een aantal kilometers hier vandaan is de Zoon van God in het vlees verschenen. Denk je eens in. Wij zitten slechts negen dagen lopen daar vandaan. We hadden met Hem kunnen praten. Wat deden wij op de dag dat Hij gekruisigd werd? Weet je dat nog? De Messias, die profetisch voorzegd was, werd gekruisigd en wat deden wij?’
‘Was dat de dag waarop het donker werd?’
‘Ja! We zaten te kaarten. Weet je nog wel?’
‘Natuurlijk. Met de Roummahehs.’
‘Ja. Wij zaten te kaarten – terwijl zij Gods Zoon vermoordden. Nou, dat was zeker iets nieuws.’
‘Wie is deze man waar je het over hebt?’
‘Hij heet Saulus. Hij komt oorspronkelijk uit Tarsus, maar daarna behoorde hij tot de religieuze orde in Jeruzalem die…’
‘Pshah! Toch niet die hier naartoe kwam om ons weg te voeren. Om ons te doden. Die Saulus?’
‘Ik weet wat je denkt, maar zo is het niet.’
‘Wat vertelt hij jou? Zegt hij het met een mes op je keel?’
‘Moeder, alsjeblieft. De opgestane Christus…’
‘Ik vroeg je wat, Hijaz! Ik zei – wat vertelt hij jou?’
‘Hij vertelt me dingen die we nog nooit eerder gehoord hebben, zelfs niet van de Joden. Hij zegt dat we niet gedoopt hoeven te worden. Hij zegt dat God ons nu zegent buiten Israël om. Besnijdenis hoeft niet meer – geen rituelen meer. Geen enkel.’
‘Hijaz!’
‘En onze zonden zijn niet alleen maar vergeven. Luister: God rechtvaardigt ons. Hij geeft ons Zijn eigen rechtvaardigheid door het vergieten van Zijn bloed. Onze zonden worden ons zelfs niet meer aangerekend.’
‘Stop! Laat me zien waar iets dergelijks staat in de heilige geschriften van de Joden.’
‘Sommige dingen staan erin, moeder… maar andere niet.’
‘O, juist ja! Hij verzint dus dingen. En jij gelooft hem, Hijaz?’
‘Dit zijn nieuwe dingen. Het zijn geheimen die verborgen waren in God.’
‘Geheimen waarover de Messias Zelf niet sprak. Probeer je me dat te vertellen?’
‘Het was niet de juiste tijd. Maar Hij spreekt opnieuw. We moeten nog steeds heilig zijn, zoals Israël, maar God gaat verder met ons. Hij zegent ons met geestelijke zegeningen – zegeningen die niet op deze aarde zullen plaatsvinden.
‘Je bent gewoon dronken. Dat moet wel, want je slaat wartaal uit. Hoe bedoel je, ‘Hij spreekt opnieuw?’ Wie zou iets durven toevoegen aan de Geschriften? Zijn de Geschriften van de profeten en de vaderen niet goed genoeg voor deze Saulus?’
‘Maar hij zal zelf ook dingen schrijven…’
‘Godslastering!’
‘Het is geen godslastering. Ik begrijp dat dit vreemd klinkt.’
‘En zeg eens, Hijaz, als je kunt: Waar hoort hij deze kwade zaken?’
‘Het is geen kwaad. Hij hoort ze van de opgewekte Christus Zelf. Dat bedoelde ik toen ik zei ‘Hij spreekt opnieuw.’ Jezus Christus verscheen persoonlijk aan Saulus; Hij kwam tot hem als een licht, helderder als de zon.’
‘O, nu snap ik het. Natuurlijk. Het staat nergens in de Joodse Geschriften, maar natuurlijk. Jezus Christus komt tot hem. Persoonlijk. Had ik moeten weten. En Hij spreekt met hem. Ja. En ontmoet Hij hem regelmatig, Hijaz? Op de koffie misschien?’
‘Feitelijk wel. Hij spreekt met hem in de woestijn.’
‘Geweldig! In de woestijn. Hoeveel heb je betaald voor deze uien, mijn lieve jongen?’
‘Ik weet dat het absurd klinkt.’

‘Hoeveel heb je voor deze uien betaald, Hijaz?’
‘Zes vijfentwintig.’
‘Goed, hak ze nu fijn voor de soep. Je bent gek en ik wil er niets meer over horen.’

Hijaz schreef later in zijn dagboek:

Moeder gelooft er niks van en wil er zelfs niet over nadenken. Dus ik kan me wel voorstellen hoe de Joden er zelf over denken, of zullen denken. Ik ontmoet Saulus morgen weer in Café Al-Kassour. Ik bid voor hem. Van één ding ben ik zeker: Deze man vertelt de waarheid. Ik ben nog nooit ergens zo zeker van geweest. Ik veronderstel dat dit alleen maar komt door het getuigenis van de Heilige Geest in mij. Een andere man in de gemeenschap, een gerespecteerd man, Ananias, is bevriend met hem. Ik vertelde dit aan moeder, maar ze wilde er niets van horen.

Het leven van Saulus kan nu alleen nog maar zwaar zijn. Ik kan me geen voorstelling maken van zijn lijdensweg. Hij weet het zelf ook. Saulus zei dat Jezus Zelf hem heeft verteld dat hij zou lijden vanwege de boodschap die hij zal brengen om ons te zegenen, om ons te zegenen die zonder God waren in de wereld, maar die nu boven alles gezegend zullen worden. Geprezen zij de naam van God! En dan te bedenken dat ik één van de eersten was die het hoorde. Lieve, Heilige God, bescherm alstublieft Uw boodschapper Saulus. Ik bid elke dag voor hem en soms elke minuut.

oo0oo

Na Petrus’ visioen van het laken en de onreine dieren en zijn ontmoeting met Cornelius in Caesarea, zou je denken dat Petrus’ motor nu wel zover opgevoerd was om enige van de andere apostelen bijeen te roepen en op weg te gaan naar de volkeren om het evangelie van het koninkrijk te verkondigen. Maar nergens in de rest van Handelingen gebeurt dit.
    Toen Petrus terug ging naar Jeruzalem, hadden de leiders al over zijn ontmoeting met Cornelius – in het huis van Cornelius – gehoord.

De apostelen en de broeders nu, afkomstig uit Judea, horen dat de volkeren ook het Woord van God ontvangen. Toen Petrus opging naar Jeruzalem, twijfelden degenen van de Besnijdenis aan hem, zeggende: ‘Jij ging naar binnen bij onbesneden mannen en jij at samen met hen.’
Handelingen 11:1-3, Concordant Literal New Testament
Zie ook www.schriftwoord.nl

Herinner je dat dit geen afvallige Joden zijn; het zijn gelovigen in Jezus Christus, net zozeer als Petrus een gelovige is in Christus Jezus. Ze weten dat ze voorbestemd zijn om uiteindelijk bekering en doop te verkondigen aan alle volkeren. Maar dit zal niet eerder gebeuren dan in het duizendjarig koninkrijk – het Millenium. Het oordeel begint in het Huis van God, dat weten ze. En zij zijn het Huis van God. God moet hen uitverkiezen en verfijnen voordat ze geschikt zijn om de wereld te bekeren.
    Een aantal honden laten proeven van het goede nieuws was één ding. Maar samen met hen eten?
    ‘Je at met hen!’
    Het was goed dat Petrus getuigen meegenomen had. De volgende verzen van Handelingen, hoofdstuk 11 beschrijven in detail Petrus’ verdediging tegenover de broeders. Alleen Petrus had het volgende resultaat kunnen verkrijgen: ‘Als zij deze dingen horen worden zij rustig, en zij verheerlijken God en zeggen: dus ook aan de volkeren geeft God de bekering ten leven!’ (Handelingen 11:18).
    Let op wat er vervolgens gebeurt. ‘Zij die inderdaad verstrooid zijn door de verdrukking die is geschied pal op Stefanus, komen tot in Fenicië, Cyprus en Antiochië, waar ze tot niemand het woord spreken dan alleen tot Joden’ (Handelingen 11:19).
    De broeders spraken ook tot Hellenen (vers 20), dat waren ontheemde Joden die er Griekse gewoonten op na hielden. Maar er was geen volwaardige nazorg van de kant van Israël op de openbaring aan Petrus. Veeleer, zoals ik al eerder zei, werd toen de weg geplaveid voor Saulus om een geheel nieuwe koers uit te zetten onder de heidenen, met de zegen van Petrus en de andere leiders.
    Petrus en de andere leiders hadden niet kunnen dromen hoe ver en hoe diep het evangelie naar de heidenen zou gaan.

oo0oo

Paulus stond op goede voet met Petrus en andersom. Steeds wanneer Paulus in de stad was brachten ze tijd met elkaar door. Binnen de kringen van hen die zich met Jezus Christus bezighielden waren Petrus en Paulus beroemdheden, vaak in één adem samen genoemd. Paulus schreef later zonder pardon aan een groep gelovigen in Galatië: ‘Paulus, apostel en afgezant, niet van mensen en niet door tussenkomst van een mens maar door Jezus Christus en God de vader’ (Galaten 1:1).
    Petrus had daar best beledigd over kunnen zijn, maar hij wist hoe waar het was. Hoe had het mogelijkerwijs de grootste naam binnen de Jeruzalemse kerk kunnen beledigen? Je leest het nog duidelijker in The Message: ‘Mijn bevoegdheid om jullie te schrijven komt niet door één of andere voorkeursstem van mensen en ook niet door de benoeming van een hooggeplaatst persoon’ (Galaten 1:1).
    ‘En ook niet door de benoeming van een hooggeplaatst persoon.’ Dit was voor Paulus een aardige manier om te zeggen: ‘Ik weet dat Petrus mijn vriend is. Ik weet dat jullie mij met hem samen hebben gezien. Ik weet dat we veel dingen gemeenschappelijk hebben. Maar jullie moeten één zeer belangrijk ding weten omtrent het speciale evangelie dat ik verkondig onder de heidenen: Ik heb het niet van Petrus gekregen.’
    Voor het geval dat iemand dit over het hoofd had gezien in het eerste deel van zijn brief, herhaalt Paulus het een paar alinea’s later: ‘Want van het evangelie dat door mij is verkondigd maak ik u bekend, broeders en zusters, dat dit niet naar de mens is; want ik heb dit ook niet van een mens aangenomen of onderricht gekregen, maar door een openbaring van Jezus Christus’ (Galaten 1:11-12).
    Dit bevestigt het fantastische feit dat ik al eerder indiende – het evangelie dat Paulus onderwees aan niet-Joden kwam via een directe openbaring van de verheerlijkte Christus. Anders hadden we Paulus wel onmiddellijk naar Jeruzalem zien reizen om aan de voeten van Petrus te zitten voor een cursus ‘Jezus 101’. Maar hier is hoe het echt gebeurde:

Maar toen het Hem, Die sinds de schoot van mijn moeder mij heeft afgezonderd en door Zijn genade heeft geroepen, behaagde Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem zou verkondigen onder de volkeren, ben ik niet meteen te rade gegaan bij vlees en bloed en ook niet opgegaan naar Jeruzalem, naar hen die eerder dan ik apostelen werden, nee, ik ben weggegaan naar Arabië en toen weer teruggekeerd naar Damascus.
Galaten 1:15-17, Concordant Literal New Testament
Zie ook www.schriftwoord.nl

En dus was het Paulus die de nieuwe Jezuscursus (‘Jezus 202’) moest onderwijzen aan Petrus. Neem de eerste twee verzen van Galaten, hoofdstuk 2 er eens bij:

Vervolgens ben ik, veertien jaren verder, weer opgegaan naar Jeruzalem, met Barnabas en heb ik ook Titus meegenomen.

Ik trok op ten gevolge van een openbaring en legde hun het evangelie voor dat ik predik onder de volkeren, afzonderlijk nog aan de mannen van aanzien, opdat ik niet hoe dan ook tevergeefs hardliep of gelopen had.

Concordant Literal New Testament
Zie ook www.schriftwoord.nl

Dit zijn de verzen die mij tenslotte overtuigden van het feit dat Paulus een ander evangelie predikte dan Petrus, de man aan wie Jezus de sleutels van het aardse koninkrijk gaf: Paulus moest naar Jeruzalem om zijn evangelie uit te leggen aan Petrus.
    En laten we Titus niet vergeten, ‘Vervolgens ben ik weer opgegaan naar Jeruzalem, met Barnabas en heb ik ook Titus meegenomen.’ Wie was Titus? Titus was een onbesneden Griek – een niet-Jood met een ongeschonden penis. En om het nog wat simpeler te zeggen, Titus was een proefkonijn, een testcase. Als besnijdenis essentieel was voor een man om rechtvaardig voor God te zijn – zoals het altijd was geweest tot op dat punt – dan zou Titus zich daaraan moeten onderwerpen. Als het niet essentieel was dan zou Titus een levend getuigenis worden (en dat werd hij) van een nieuwe waarheid. ‘Maar zelfs Titus die bij mij was werd, hoewel een Griek, niet gedwongen zich te laten besnijden’ (Galaten 2:3).
    In deze huidige tijd kunnen we nauwelijks de betekenis hiervan bevatten; hoe belangrijk dit was – hoe radicaal het was. Maar, als ik Titus was, dan weet ik niet zeker of ik mijn nieuwe missie en levensdoel met vreugde had begroet:

‘Titus, jij gelooft toch in Jezus Christus?’
‘Ja meneer.’
‘Volledig geaccepteerd in de familie van God?’
‘Voor zover ik weet wel, meneer.’ ‘Wil je dan alsjeblieft – zodat ik met mijn eigen ogen kan controleren dat het geweldige nieuws dat ik over je heb gehoord klopt – zo vriendelijk zijn om je kleding omhoog te doen?’


U kunt meer van Martin Zender vinden, op deze website:
Martin Zender
the world's most unorthodox Bible Scholar



© www.hetbestenieuws.nl