Steeds wanneer je aan de aarde denkt, denk dan aan Israël. Israël – en niemand anders – is het door God aangewezen instrument om deze derde planeet vanaf de zon de herstellen en te zegenen.
De roeping van Israël begon, gek genoeg, met een man die met gekruiste benen voor zijn tent zat en wellicht een pijp rookte. Met andere woorden, de man zag het niet aankomen.
Tenzij je de belofte begrijpt die God deed aan Abraham, zul je niet snappen waarom Jezus naar Israël kwam (in plaats van, laten we zeggen, Egypte of China); waarom Christus sleutels gaf aan Petrus; wat deze sleutels eventueel openden; waarom de discipelen als een stelletje hordelopers de trap van de bovenkamer afrenden; waarom de woorden die Petrus die dag letterlijk schreeuwde vanaf een letterlijk dak vreugde brachten in de harten van alle aanwezige Israëlieten; en waarom een andere Israëliet, genaamd Saulus (het onderwerp van dit boek, de radicaal, de man die Paulus werd hernoemd, de man die ook in Jezus Christus zou geloven) uiteindelijk gehaat zou worden en bijna vermoord door deze zelfde, lieve, beste, heilige Israëlieten die naar Petrus luisterden. En – nog veel verontrustender – waarom het koninkrijk voor een paar duizend jaar werd uitgesteld en nog altijd niet is gekomen.
O, en dan nog iets. Tenzij je de belofte begrijpt die God deed aan Abraham, zul je niet snappen waarom je zo’n moeite hebt met zachtmoedig zijn of met leven zoals Jezus.
oo0oo
Wie was Abraham? Abraham was letterlijk de grootvader van Israël. Abraham had een zoon genaamd Izaäk, die een zoon had genaamd Jacob, wiens naam door God werd veranderd in Israël. Het was deze man – Israël – wiens nakomelingen de naam van hun vader aannamen. Dit zijn de Joden zoals je die nu kent.
God deed deze belofte aan Abraham in Genesis 12:1-3 ...
De Heer zei tegen Abraham: ‘Ga weg uit uw land en weg van uw familie en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal. Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn; en Ik zal zegenen wie u zegenen en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken. En in u zullen alle families van de aarde gezegend worden.’
New American Standard Bible
Over dat laatste gedeelte droomden de Israëlieten ’s nachts. De zonen van Abraham – de natie Israël – zou ooit aan het hoofd staan van alle naties en alle families van de aarde zouden uiteindelijk door hen gezegend worden. Israël zou de voornaamste natie zijn van een werkelijk, politiek koninkrijk dat dezelfde afgeplatte aardbol in beslag zou nemen die bijna is verwoest door corrupte politici (sorry dat ik het zeg). Jezus verwees voortdurend naar dit koninkrijk toen Hij op aarde was. Het was dit aardse koninkrijk waarvan Jezus aan Petrus de sleutels gaf.
Laten we Abraham nu van dichtbij gaan bekijken en ons gaan bezig houden met hoe de roeping van Israël verliep.
Het volgende is uit Genesis, hoofdstuk 12. Ik ben zo vrij geweest om het literair weer te geven, maar de essentiële delen stemmen overeen met de Schrift.
Abraham kon deze nacht de slaap niet vatten, dus kwam hij naar buiten om na te denken en te roken. Het is een maanloze hemel en de lucht ligt stil als een dooie vis. Dit is Mesopotamië, lang voordat iemand ooit hoorde over Saddam Hoessein. Ergens in het dal van de bergen achter hem blaft een hond. En op dat moment arriveert de vreemdeling.
Abraham ziet niets; hij voelt slechts een overweldigende aanwezigheid. Verschrikt springt hij overeind.
(Zo kwam God gewoonlijk. Hij kwam nooit zwevend in een wit gewaad. Hij kwam als een gewoon mens. Het was niet eens Hem – God is tenslotte onzichtbaar: 2Korintiërs 4:4 – maar een door God aangewezen, hemelse vertegenwoordiger die Gods gedachten volmaakt weergaf en zelfs waardig was Zijn naam te gebruiken. Je wist nooit zeker Wie het was totdat Hij begon te spreken. Maar dan wist je het ook snel. Elke haar in je nek stond overeind en je luisterde zoals je nog nooit van je leven naar iets geluisterd had.)
Terwijl hij overeind komt denkt Abraham erover zijn mes te trekken. De vreemdeling, dit aanvoelend, zegt: ‘Dat zul je niet nodig hebben.’
‘Wie bent u?’
‘Saraï is in je tent.’
Abraham weet niet wat hij daarop moet zeggen.
‘Je vrouw, Saraï,’ zegt de vreemdeling weer, ‘is in je tent.’
‘Ja, maar hoe weet u…’
‘Ze zal je een zoon baren.’
Toen wist hij het.
‘Mijn Heer…’ begon hij.
‘Je bent vijfenzeventig jaar oud, vriend.’
‘Ja. En Saraï is onvruchtbaar,’ zei Abraham.
‘Dat weet ik. En toch zal zij je een zoon baren. Wat ik je nu ga vertellen zul je morgenochtend pas geloven. Morgen, in het midden van de ochtend, zal ik je begrip verstrekken. Het is niet dat je geloof tekort schiet – je zult er de vader van worden. Maar je zult het niet bevatten. Niet vanavond. Het is teveel voor je. En toch zal ik je dit vertellen: Ik ben de aarde aan het herstellen. Begrijp je dat?’
‘Nee.’
‘Nou, prima. Ik breng vrede op aarde. Maar het zal nog lang duren. Niets over het tijdschema of de tijdstippen zal jou worden verteld. Maar het begint nu. Op deze avond begint het met jou. En dit programma van herstel zal worden voltooid in een volk dat van jou zal afstammen.’
‘Sorry. Ik begrijp er niks van.’
‘Dat komt nog wel. Het gebod dat je zult gehoorzamen is dit: ‘Ga weg uit je land en weg van je familie en uit het huis van je vader, naar het land dat Ik je wijzen zal. Ik zal je tot een groot volk maken, je zegenen en je naam groot maken…’ (Genesis 12:1-2).
Abraham staart voor zich uit, er nog steeds niets van begrijpend.
‘En zo zul je tot een zegen zijn,’ ging de bezoeker verder. ‘En Ik zal zegenen wie jou zegenen en wie jou vervloekt, zal Ik vervloeken’ (Genesis 12:3). Toen pauzeerde de bezoeker, maar niet om indruk te maken. Dit was het grote moment. Omdat miljarden engelenogen afwachtend toekeken, moest het nu volgende volkomen juist zijn. Hij berekende zijn cadans meer dan ooit. Nog één ademteug en nu was het zover:
‘En in jou, Abraham…’ (daar kwam het), ‘zullen alle families van de aarde gezegend worden’ (Genesis 12:3).
De Bezoeker verdween. De nacht ging voorbij. Abraham deed geen oog dicht. Tegen één uur de volgende middag, lagen de bezittingen van Abraham en zijn huishouden bovenop de ruggen van zestien kamelen. Waar de karavaan moest stoppen wist niemand.
Israëls grootvader kneep zijn ogen dicht tegen de woestijnzon.
Het herstel van de aarde was in gang gezet.
oo0oo
Abraham verliet Mesopotamië en verhuisde naar Haran. Toen zijn vader stierf immigreerde hij naar de plaats die we tegenwoordig kennen als Israël. De stamvader van Israël was nu in het land van Israël voordat er zelfs maar een kleinzoon was die Israël heette.
Hij stond op de plek die tegenwoordig elke dag in het nieuws is; de plek die Arabieren willen bombarderen; het geografische centrum van de aarde, waar boosdoeners de Zoon van God kruisigden; waar kuddes toeristen rondtrekken en voortdurend kaalgeplukt worden; en waar ooit op een dag de hoofdstad van het komende aardse koninkrijk zal verrijzen.
Op dat verre ogenblik, echter, was Abraham slechts op bezoek. God gaf hem nog geen hectare van dit toekomstige, beroemde onroerende goed. Hij beloofde echter wel dat Hij dit land aan hem en later aan zijn zoon zou geven. Bijna 30 jaar later beloofde Hij dit land aan Abraham op een avond zoals die hiervoor beschreven werd, alleen dit keer schenen de sterren helder.
Deze keer lag Abraham in zijn tent te broeden op Gods belofte dat zijn zaad eens de aarde zou zegenen. Er was maar één klein probleempje: Abraham was negenennegentig jaar oud en zijn vrouw Saraï had haar vruchtbare jaren al lang achter zich. Twee problemen dus: Abrahams vertrouwen in Gods belofte was net zo gammel als Saraï’s zwangerschapsapparatuur.
God verscheen aan Abraham op gelijke wijze als voorheen, maar dit keer schudde Hij aan diens tentflap. ‘Kom naar buiten,’ zei Hij. Ook nu is het volgende een Martin Zender weergave van Genesis 15, maar ik neem de belangrijkste gedeelten over:
Bezoeker: Kijk naar de hemelen, Abraham.
Abraham (omhoog starend): Oké.
Bezoeker: Tel nu de sterren, als je kunt.
Abraham: U meent het.
Bezoeker: Als het niet teveel gevraagd is.
Abraham: Eén… twee… drie… dit is belachelijk.
Bezoeker: Dank je wel. Zo zullen jouw nakomelingen zijn.
Abraham: Belachelijk?
Bezoeker: Zo talrijk als de sterren, vriend. Maar, ja - ook belachelijk. Jouw volk zal getuige zijn van een reeks van ongekende wonderen. Ze zullen niet trouw zijn, in de verste verte niet. Maar God is trouw en zal grote dingen voor jou doen. Onthoud, Abraham, jouw mensen zullen ooit over de aarde regeren en haar herstellen tot heerlijkheid.
‘Toen geloofde Abraham in de Heer en Hij rekende hem dat tot rechtvaardigheid’
(Genesis 15:6).
God houdt ervan om geloofd te worden, vooral wanneer Zijn beloften en voorzeggingen belachelijk lijken.
God liet ook doorschemeren dat de weg naar de belofte niet bepaald zonder kuilen zou zijn. Als het uitgangspunt van de geschiedenis van een volk wonderbaarlijke bevrijding is, dan zijn problemen onvermijdelijk.
‘Jouw volk zal naar een vreemd land verhuizen waar het vierhonderd jaar lang in wrede slavernij gehouden zal worden,’ zei God. (Meer van het contrastprincipe.) ‘Maar Ik zal tussenbeide komen en afrekenen met de slavenhouders en Mijn volk uitleiden zodat ze Mij kunnen aanbidden op de plek waar jij nu staat’ (Genesis 15:12-14).
Met ‘vreemd land’ en ‘wrede slavernij’ profeteerde God over Egypte en de Exodus, lang voordat de naam Mozes dagelijks gebruik werd.
Abraham wilde een teken dat God Zijn beloften zou vervullen, dus gaf God Abraham het teken van besnijdenis. Met dit antwoord zou ik spijt hebben gekregen van mijn vraag. Ik had gezegd: Nee, laat maar zitten God. Ik heb echt geen teken meer nodig.
Te laat.
Bij besnijdenis wordt de voorhuid van de penis naar voren getrokken, van het lichaam af en afgesneden. Waarom zou God een dergelijk ritueel instellen?
Wanneer er aan Abraham een zoon wordt beloofd en van die zoon een menigte van zonen, zo talrijk als de zichtbare sterren, om op te staan en te regeren over de aarde, dan zal er veel seksuele gemeenschap plaats gaan vinden. En als er veel seksuele gemeenschap gaat plaatsvinden, dan is de penis van Abraham de Almachtige Openingsact. Maar als de penis van Abraham de Almachtige Openingsact is, dan zal de eigenaar van die penis ongetwijfeld gaan glunderen van zijn fysieke capaciteiten. Hij zal naar zijn omvangrijke nageslacht kijken, dan naar zijn penis, dan naar zijn omvangrijke nageslacht, dan naar zijn penis en denken: ‘Ik ben dé man. Toekomstige, aardse heerlijkheid komt door mij.’
Om dergelijke trots in de kiem te smoren voerde God het ritueel van besnijdenis in. Besnijdenis was bedoeld als een immer aanwezige verlegenheid voor een Israëlische man. (Hoe merkwaardig en ongepast dat de mannen er uiteindelijk over begonnen op te scheppen.) God had het bedoeld als een voortdurende herinnering dat de kracht van voortplanting – evenals de wijsheid en macht om te regeren – uiteindelijk van Hem komt, niet van het vlees. Het vlees speelt zijn rol, inderdaad, maar God is Degene Die het kracht geeft.
Ik geef je deze achtergrondinformatie omdat de boodschap van het koninkrijk – het koninkrijk dat God aan Abraham beloofde; het koninkrijk dat de aarde zou herstellen; het koninkrijk waartoe Christus als offer kwam en waarvan Petrus de sleutels bewaarde – uiteindelijk ‘Het Evangelie van de Besnijdenis’ werd genoemd (Galaten 2:7).
Het Evangelie van de Besnijdenis was een coöperatief evangelie, waarin God Zijn deel deed en mensen het hunne. Besnijdenis was hier weliswaar slechts het symbool van, maar het vereiste nog altijd een letterlijke uitvoering. Het was een metafoor, dat is waar, maar men moest na de ingreep wel een week lang zijn mannelijkheid in het verband houden.
God verplichtte Israël om zich voor te bereiden op Zijn goddelijke aanwezigheid en wonderen. Dit begon met vlees, namelijk het vlees aan het uiteinde van het mannelijke geslachtsdeel. Later, toen Johannes de Doper kwam, voegde God de doop toe. Op de beroemde Pinksterdag, die volgde op de opstanding van Christus, luidde de boodschap van Petrus: besnijdenis, doop en berouw. Al die tijd ging het om vrucht voortbrengen die bekering waardig is. Dit waren allemaal dingen die een Israëliet moest doen.
God eiste deze dingen van geen enkel ander volk – alleen van Israël. Dit is belangrijk om te onthouden, omdat het later groter zal opdoemen.
Besnijdenis werd het patroon van werken die een Israëliet moest volbrengen en het bevestigde Gods basisvereiste van Zijn uitverkoren volk: Toon met concrete middelen jullie erkenning van Mijn toereikendheid. Erkenning moest in die tijd gevolgd worden door goede werken. Als een Israëliet deze dingen deed dan zou hij of zij het koninkrijk binnengaan dat door God aan Abraham werd beloofd. Welk koninkrijk? Het koninkrijk waarin een letterlijk volk – Israël – zou regeren over een letterlijke aarde gedurende letterlijk 1000 jaar.
‘Zij zullen priesters van God en van Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen regeren, duizend jaar lang’
(Openbaring 20:6)
Op het eerste gezicht lijkt het tegenstrijdig om te spreken van fysiek iets moeten doen om Gods toereikendheid te erkennen. Als God werkelijk toereikend is, waarom moet men dan iets doen? Toch is dit hoe God aan Israël redding presenteerde: Het was een coöperatieve redding, een mengsel van werken en genade. Gods toereikendheid vereiste tekenen.
God zou uiteindelijk de wet van Mozes geven als iets dat Israëlieten konden en zouden volbrengen ter voorbereiding op het regeren en onderwijzen van alle andere volkeren.
Het uiteindelijke doel, echter, van die wet was om aan Israël te laten zien (en aan de rest van ons, toekijkend vanaf de zijlijnen) dat het onmogelijk was dat vlees en bloed God zouden behagen (Romeinen 8:6-8). Israël moest dit leren door lange en moeilijke ervaringen. Na al deze jaren heeft zij dat nog steeds niet geleerd. En, eerlijk gezegd, dat geldt ook voor de Christelijke religie. Religieuze lieden van elke rang en stand proberen nog steeds om God te behagen door de wet – elke wet (inclusief de regels die ze voor zichzelf en anderen bedenken).
In het ideale geval moest een Israëliet niet de wet opgeven, maar zijn of haar vermogen om de wet te houden. De levensles voor ons allen is het menselijke onvermogen beseffen in het gezicht van goddelijk vermogen. Maar nogmaals, een Israëliet moest voortdurend en met fysieke daden een erkenning laten zien van die ontoereikendheid. Israëlieten moesten hun Messias vertrouwen, hun zwakheid erkennen, vervolging doorstaan en vruchten tonen die bekering waardig waren.
Let op al die actieve werkwoordsvormen.
Het Judaïsme was en is nog steeds een religie van: ‘Eerst Geld Zien.’ Dit zou in tegenstelling zijn met, laten we zeggen, een boodschap van zuivere, alles overtreffende genade. Als een boodschap van zuivere, alles overtreffende genade op zekere dag op het toneel zou verschijnen (herinner je dat de boodschap voor Israël een mengsel was van werken en genade) dan zou het nog altijd gaan over menselijk onvermogen. Het verschil zou zijn dat dit onvermogen zou gedijen, los van elke fysieke handeling in de hoop om het te erkennen. In werkelijkheid zou ‘eerst geld zien’ een boodschap van zuivere, alles overtreffende genade alleen maar beledigen. Zuivere, alles overtreffende genade zou zeggen: ‘Ik heb jouw stinkende geld niet nodig. In feite, hoe minder je me geeft, hoe mooier ik ben.’
Om onze aandacht bij Hem te houden, stelt God ons op de proef. Beproevingen zijn er voor een Israëliet om hem of haar er aan te herinneren te blijven vertrouwen, erkennen, verdragen en werken. Beproevingen voor de toekomstige mens van zuivere en alles overtreffende genade zijn er om hem of haar juist te weerhouden om deze dingen te moeten doen.
Stel je voor dat er een boodschap van zuivere, alles overtreffende genade werd gebracht. Zouden de beproevingen ophouden? Nee. Nogmaals, alle mensen, ongeacht hun nationaliteit, vergeten voordurend hun status van schepsel en falen in hun dankbaarheid naar God. Beproevingen zijn een vriendelijke draai om de oren die zeggen: Hallo? Alles wat je hebt heb je van God gekregen.
Nogmaals, echter, de beproeving voor de mens van zuivere en alles overtreffende genade bewerkstelligt een andere afloop dan voor de Israëliet. De Israëliet stoot zijn teen en zegt terecht: ‘Sorry God. Ik moet blijven vertrouwen, erkennen, verdragen en vrucht dragen, want anders zal ik het aardse koninkrijk mislopen dat U aan Abraham beloofde. Dank U dat U me daaraan herinnerde.’ Een mens van zuivere, alles overtreffende genade, aan de andere kant, stoot haar teen en zegt: ‘Dank U wel voor de herinnering God. Wanneer zal ik ophouden met te proberen waardig te leven omdat U zoveel voor mij deed?’
Als het ritueel van besnijdenis de kern van een boodschap vertegenwoordigde die werken en genade combineerde en als die boodschap bekend werd als ‘Het Evangelie van de Besnijdenis’, wat zou dan de beste naam zijn voor een boodschap die de genade behoudt, maar de werken verwijdert? Ik zou het ‘Het Evangelie van de Onbesnijdenis’ willen noemen (Galaten 2:7). Door het zo te noemen zou ik verwijzen – ter vergelijking – naar de eerste boodschap, maar het een nieuwe, radicale wending geven. Als het uitgangspunt van de eerste boodschap (werken gecombineerd met genade) een ritueel is, dan is het uitgangspunt van de tweede boodschap (genade alleen, zonder werken) helemaal geen ritueel.
Anders gezegd, terwijl Israël zou zeggen: Snij het puntje van je penis af om te laten zien dat je het serieus meent met God, zou mijn boodschap zijn:
“Blijf van je penis af.
Herhaling: Doe op dit ogenblik helemaal niks met je penis.”
En nu terug naar onze korte geschiedenis van Israël.
oo0oo
Herinner je je de scene uit Field of Dreams waarin Ray Kinsella (Kevin Costner) naar Boston rijdt in een poging om met de teruggetrokken schrijver Terence Mann (James Earl Jones) te praten om zich bij hem aan te sluiten in een doldwaas geloofsavontuur? Kinsella klopt op de deur van Mann met als enig resultaat te worden afgewezen. Bij de tweede poging van Kinsella rukt Mann de deur open en gromt: ‘Zijn wij misschien een beetje hardleers?’
Heel de Schrift door is Israël hardleers: Zij vergeet voortdurend dat ze alles te danken heeft aan God.
God liet Abraham op zijn beloofde zoon wachten totdat hij honderd jaar oud was. Lang daarvoor, toen er maar geen zoon kwam, stelde zijn vrouw Saraï (‘Sarah’ hernoemd door de Godheid) voor dat hij seks zou hebben met haar dienstmeisje Hagar. Abraham had daar geen enkel probleem mee en produceerde Ismaël. Door een reeks pijnlijke openbaringen realiseerde het koppel zich uiteindelijk dat Ismaël niet de beloofde zoon was. Nadat Sarah en haar man hun intriges staakten, bracht God de beloofde zoon voort door een wonder: Hij bracht de geslachtsorganen van Abraham en Sarah weer tot leven en zij verkregen Izaäk.
Izaäk kreeg uiteindelijk zoon Jacob en Jacob (wiens naam God veranderde in ‘Israël’) werd vader van twaalf zonen, die de stamvaders werden van de twaalf stammen van Israël, die eens over de aarde zullen regeren en haar tot vrede zullen herstellen.
Sinds Abraham was besnijdenis aanwezig bij de geboorte van elke zoon. Acht dagen na de geboorte neemt pa het kind mee naar de priester en het kind komt thuis met een klein stukje huid minder. Waarom dit generatie op generatie in stand blijven houden? Gods middelen om het toekomstige, aardse koninkrijk voort te brengen moeten altijd duidelijk zijn. Steeds wanneer een vader een nieuwe babyzoon naar de priester brengt, denkt de vader: ‘Het koninkrijk komt. Dat is wat deze kinderen zijn: Toekomstige regeerders van de aarde. God herstelt de aarde; Hij beloofde dat aan onze voorvader Abraham en Hij volbrengt dat door ons en geen enkel ander volk. Ik voel me opzwellen van trots. (Voorhuid stoot tegen prullenbak.) Oeps. Wacht even. Dit is wat God doet, niet ik.’
Spoedig daarna slaat de hardleersheid weer toe en de Israëliet voelt zich zelfvoldaan omdat zijn penis onnatuurlijk korter is dan die van een Griek.
Het klassieke Israëlische leerprobleem is er in verschillende vormen. Eén van de voornaamste vormen is jaloezie. Israëlische jaloezie zal later nog een belangrijke rol gaan spelen wanneer ik je voorstel aan Paulus, maar kijk hoe het er aan toe ging in haar vroegere geschiedenis. Israël is een trots volk en zij haat het wanneer Gods voorkeur ook nog naar andere volken uitgaat. Dit geldt zelfs voor haar eigen volksgenoten.
De elf aartsvaders hadden een jongere broer, Jozef. Zij haatten Jozef omdat hun vader, Israël, dol op hem was en een prachtige, kleurrijke mantel voor hem liet maken, terwijl hun eigen mantels – eh, weet ik veel – zwart-wit waren. Daarnaast had Jozef aanhoudende dromen waarin zijn broers en zijn vader zich op een dag voor hem zouden neerbuigen en hem zouden aanbidden. Dit kon de broers geen barst schelen (de vader zag het door de vingers) en dus verkochten ze de jongen als slaaf aan Egypte.
Dit was niet Jozefs Plan A, maar dat van God.
God heeft Jozef nooit in de steek gelaten. Door een reeks van goddelijke beproevingen en reddingen (de beproevingen waren net zo goddelijk als de reddingen) ging Jozef eindelijk het principe van contrast begrijpen en werd hem na verloop van tijd een audiëntie verleend bij Farao, koning van Egypte. Farao was zo onder de indruk van Jozefs wijsheid en gedrag dat hij hem aan het hoofd stelde van het hele land, zelfs van zijn eigen persoonlijke zaken.
Israëlieten zijn geboren om te regeren en te besturen; het zit in hun bloed. Maar kijk wat er voor nodig is. (Het verhaal van Jozef staat er model voor.) Er wordt hun waarheid getoond – die vervolgens in een put wordt gegooid.
Op de één of andere manier is dit altijd wat er gebeurt. Waarom? Israël is trots en hebzuchtig, voortdurend bezig met het hamsteren van haar voordelen. Zij is, volgens de Schrift, ‘een halsstarrig volk’ (Jeremia 17:23). Ja, zelfs Jozef. In de put, in de gevangenis en onder druk van andere volken leert Israël vanwaar haar genoegzaamheid komt.
Wanneer de les is geleerd, trekt God haar uit de put en vervult Hij Zijn beloften aan haar, maar tegen die tijd is Israël een goed onderwezen en betrouwbaar instrument geworden.
Eens gaf God Farao een vreemde droom, vol vette en magere koeien, in die volgorde. Farao vertelde de droom aan Jozef die hem als volgt interpreteerde: Er zou een hongersnood van zeven jaar komen die Egypte en omliggende gebieden zou verwoesten, inclusief Jozefs Kanaänitische vaderland. Daar zouden zeven jaren van overvloed aan vooraf gaan. Farao zei tegen Jozef: ‘Wat moet ik doen?’ Jozef, een sluwe Israëlische zakenman (sorry dat ik het zeg) wist precies wat er gedaan moest worden. Gedurende de zeven jaren van overvloed hamsterde hij voedsel, dat hij later uitdeelde tijdens de hongersnood.
En zo kwam de wereld naar Jozef voor brood – zelfs die broers die hem als slaaf verkochten.
In gelijkenisvorm is dit een microkosmos van het Duizendjarig Rijk. Tijdens het Duizendjarig Rijk zal Jeruzalem de kliniek van de wereld worden voor geestelijke voeding.
Jozefs naaste familie, natuurlijk onwetend dat Jozef het genie was achter de voedselmagazijnen van Egypte, reisde naar Farao voor hun portie graan. Jozef onthulde uiteindelijk zijn ware identiteit aan zijn vader en broers en dat was de eerste keer in de Bijbelse geschiedenis – en voor wat dat betreft in alle andere geschiedenissen – dat twaalf volwassen mannen tegelijkertijd in hun broek pisten. De familie Israël verhuisde op aandringen van Farao naar Egypte (in totaal vijfenzeventig man). Mooi hè? Toch?
Ja en nee. Maar het deed Israël in ieder geval in Egypte belanden, dus konden de Israëlieten uiteindelijk vierhonderd jaar in slavernij leven en Charlton Heston verzekeren van een klassieke filmrol.
Is God niet leuk? Nee, niet op korte termijn. Maar, verlies nooit uit het oog dat Israël leerde te regeren. Haar hele geschiedenis heeft ze doorgebracht in bootcamp – trainen voor het Duizendjarig Rijk. Alles verwijst daarnaar. Door beproevingen leert Israël de belofte te vervullen die God deed aan Abraham: de wereld regeren in rechtvaardigheid.
De rest van dit boek blijf ik verwijzen naar het gezegde: ‘De belofte die God deed aan Abraham.’ Ik doe dat omdat God Zelf daarnaar blijft verwijzen. Je zult weldra zien dat de Zoon van God dat ook doet, wanneer Hij naar de aarde komt als een man die sandalen draagt. Niemand dient te vergeten dat het grootste gedeelte van de Bijbel (behalve dan een dun stukje van dertien brieven) gaat over één belofte (die aan Abraham), één volk (Israël) en één enorme groep van tweederangs burgers, die óf worden genegeerd, óf worden vermoord (de rest van de wereld).
Zonder Israël zijn de andere volkeren verloren.
oo0oo
Israël in Egypte was de droom van elke vroedvrouw; zij vermenigvuldigde zich als de broden en vissen van een toekomstig tijdperk. Weldra begon Farao zich zorgen te maken over het enorme aantal Israëlieten. Alleen was het tegen die tijd niet meer dezelfde Farao die Jozef kende. Het was een nieuwe koning die, als je hem over Jozef vroeg, zei:
‘Welke Jozef?’ Hij beschouwde het volk als goedkope arbeidskrachten en hield hen in slavernij. Hij liet hen piramides bouwen en sloeg hen als ze misbruik maakten van hun koffiepauzes. Erger nog, hij dwong hen hun pasgeboren baby’s in de steek te laten, door hen aan de elementen over te laten om een wrede dood te sterven. Het laatste dat deze Farao wilde was nog meer Israëlieten.
En daar is schattige baby Mozes. Uiteraard vrezen zijn moeder en zuster voor zijn leven en dus stoppen ze hem in een mand en duwen hem de rivier af waar de dochter van Farao baadt. Een riskant plan, maar ze hopen dat als de jonge prinses ziet hoe snoezig de baby is, ze hem naar binnen zal halen.
En dat is precies wat er gebeurt.
Farao’s dochter bemoedert baby Mozes alsof het haar eigen zoon is en Mozes ging uiteindelijk naar de beste scholen in Egypte. Toen hij veertig jaar oud was (beter laat dan nooit) vroeg hij zich af hoe het met zijn Hebreeuwse familieleden ging. Dus op een dag schreed hij naar buiten naar waar de Sfinx verrees.
Het eerste dat hij zag was een Egyptenaar die een oudere, Hebreeuwse man mishandelde. Verbolgen nam hij wraak voor zijn onderdrukte broeder door de Egyptenaar in elkaar te rammen, waarna deze korte tijd later stierf. Hij dacht dat zijn volk hier blij mee zou zijn en dat ze hem als een instrument van Gods verlossing zouden beschouwen. In plaats daarvan zagen ze in hem een onruststoker. De volgende dag waren er twee van hen aan het vechten en Mozes probeerde hen uit elkaar te halen, zeggende: ‘Jullie mannen zijn allebei Israëlieten. Waarom vechten jullie met elkaar?’ Degene die het gevecht begon zegt: ‘Wie heeft jou over ons aangesteld? Wat ben je van plan, ons te doden zoals je gister deed met die Egyptenaar?’ (Exodus 2:11-15).
Toen begreep Mozes dat het ontdekt was en hij vreesde voor zijn leven. Zijn veelbelovende Egyptische carrière was voorbij, hij verbande zichzelf naar de buitenwijken van Midian.
Veertig jaar later, in de wildernis van de berg Sinaï, verschijnt er een engel aan Mozes, vermomd als een brandende struik die om onduidelijke redenen niet verteert. Mozes kan zijn ogen niet geloven, dus sluipt hij naderbij om een kijkje te nemen. Terwijl hij zo dichtbij is dat zijn gezicht een oranje gloed krijgt, hoort Mozes de stem van God:
‘Ik ben de God van jouw voorvaderen, de God van Abraham, Izaäk en Jacob.’
Wat heb ik je gezegd? Het gaat allemaal over Abraham – nog steeds. De Stem zegt niet: ‘Ik ben God’ en laat het daarbij. Nee, juist: ‘Ik ben de God van jouw voorvaderen, de God van Abraham, Izaäk en Jacob.’ Het gaat nog steeds over de belofte die God deed aan Abraham: Dat zijn nakomelingen voor de mensheid de aarde zouden herstellen in Zijn naam. Van de wieg tot het graf, van Abraham tot Mozes, van de verbannen profeten tot de sandalendragende Zoon van God, dit is waar de Israëlieten voor leefden. En waarom niet? Dit is alles wat God hen heeft geopenbaard.
Met de stuipen op het lijf draait Mozes zich om om weg te rennen van het brandende struikgewas. God houdt hem tegen, zeggende:
Trek je sandalen uit en kniel. Je bent op een heilige plaats, op heilige grond. Denk niet dat ik de kwellingen van mijn volk in Egypte niet gezien heb, want die heb ik wel gezien. Ik heb hun gekerm gehoord en ben gekomen om hen te helpen.
Exodus 3:5, The Message
Ik stel me voor dat het zo verder ging:
‘Neem me niet kwalijk,’ zegt Mozes, ‘maar… het is al bijna vierhonderd jaar zo.’
‘Neem me niet kwalijk, maar… is dit jouw timing of de Mijne?’
‘De Uwe, God.’
‘Hou dan alsjeblieft je mond en ga je spullen inpakken. Ik stuur je terug naar Egypte.’
De rest van het verhaal ken je. En zo niet, huur dan de film ‘De Tien Geboden’ met in de hoofdrollen Charlton Heston en Yul Brynner.
Over contrast gesproken. Zonder de eeuwen van slavernij en een stompzinnig koppige Farao die de redelijke verzoeken van Gods ambassadeur weerstond (‘Laat Mijn volk gaan’), worden er geen wandelstokken veranderd in slangen, geen rivieren in bloed, geen vreugdevol en-nu-als-de-donder-wegwezen uit Egypte (de Exodus), geen splijten van de Rode Zee, veel minder verdronken Egyptenaren en een bedroevend kleine hoeveelheid aanbiddingsliederen. Geen manna in de wildernis, geen kwakkels en geen enorme rots die op één of andere manier water levert.
Aan de voet van de berg Sinaï werd Israël officieel een natie. Boven de boomgrens, op 2000m hoogte, stond Mozes tussen God en het volk de woorden van de Godheid te graveren op twee stenen tabletten, die de Magna Carta van Gods uitverkoren volk zou worden. Mozes nam de tabletten mee naar beneden en begon met veertig frustrerende jaren van leidinggeven aan het meest hardnekkige volk dat ooit geleefd heeft. En toch was – en is – dit Gods uitverkoren volk.
Mozes zegt tegen hen: ‘Als jullie nu naar mij luisteren – of dat proberen – dan zullen jullie daar wel bij varen. Echter, een Profeet uit jullie midden, uit jullie broederen, zoals ik ben, zal de HERE, jullie God, jullie verwekken; naar Hem zullen jullie luisteren’ (Deuteronomium 18:15).
Mozes profeteerde over Jezus Christus. Wijkt deze komende, Grote Profeet af van de boodschap van Mozes? Dat zou je kunnen denken. Je zou kunnen denken dat de Zoon van God, gezonden uit de hemel, Zijn verhaal zou komen doen op een fonkelend nieuwe, hemelse wereld en met een nieuw Woord, dat het refrein van het bekende lied ‘Old Man Moses’ in het stof van de Sinaï achter zou laten. Maar luister nog maar eens naar Old Man Moses: ‘Een profeet uit jullie midden, uit jullie broederen, zoals ik ben, zal de HERE, jullie God, jullie verwekken.’
Hoe zou het Beeld van de Onzichtbare God zelfs maar kunnen lijken op de arme sterveling die in eerste instantie wilde vluchten voor Gods stem? Hij is als Mozes in dit opzicht: ‘Christus is een Dienaar van de besnijdenis geworden, ter wille van de waarheid van God om de beloften aan de vaderen te bevestigen’ (Romeinen 15:8).
Het voorgaande vers nam ik uit het Concordant Literal New Testament [zie ook: www.schriftwoord.nl]. Hier is hetzelfde vers uit The Message: ‘Jezus, trouw blijvend aan Gods doeleinden, benaderde de Joodse ingewijden op een speciale manier, zodat de oude, voorouderlijke beloften waarheid zouden worden voor hen.’
Waaraan refereren ‘de beloften aan de vaderen’ en ‘de oude, voorouderlijke beloften’ hier? Aan niets anders dan de beloften die God deed aan Abraham: zijn zaad zou talrijk zijn; zij zouden het hoofd worden van de naties en niet de staart; en door hen zouden alle bewoners van de aarde worden gezegend. Voor het geval je het vergeten bent, hier is het citaat:
De Heer zei tegen Abraham: ‘Ga weg uit uw land en weg van uw familie en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal. Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn; en Ik zal zegenen wie u zegenen en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken. En in u zullen alle families van de aarde gezegend worden.’
Genesis 12:1-3, New American Standard Bible
De profeten verwezen hier onophoudelijk naar. Lees Jesaja. Lees Jeremia. Lees Ezechiël. Lees Amos, Obadja en Joël. Als je daarmee klaar bent, lees dan Haggai, Sefanja en Zacharia. Als je nog iemand kunt vinden wiens naam eindigt op ‘ia’, lees die dan ook. Zij spreken allemaal over Israël. Zij spreken allemaal over de beproevingen die Israël bekwaam zullen maken om eens de wereld te regeren en de aarde te herstellen in Zijn naam.
Besef je waarom het lezen van het Oude Testament zo zwaar op je maag lag? Omdat het de Israëlische zender is. Het is allemaal Israël, de hele tijd door. Je denkt wat verlichting te krijgen bij aankomst in het Nieuwe Testament – en dan bedoel ik Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes – maar niks ervan. Het is nog steeds de Israëlische zender: allemaal Israël, de hele tijd door. Je denkt dat de Zoon van God op sandalen eindelijk de profeet voor jou is – totdat je leest wat Hij zegt tegen Zijn discipelen in Mattëus 10:5-7 –
Deze twaalf zendt Jezus uit en Hij gebiedt hun, zeggende: ‘Jullie mogen je niet op een weg begeven naar de heidenen en jullie mogen geen enkele stad van de Samaritanen binnengaan. Ga liever naar de verloren schapen van het huis van Israël. En als jullie op weg gaan, predik dan: Het koninkrijk der hemelen is nabijgekomen!’
Als je toen tussen de heidenen had gewoond, hoe zouden Jezus’ woorden (hier geparafraseerd) je dan in de oren hebben geklonken?
Wat je ook doet, ga niet naar de etnische buurten zoals Chinatown of Little Italy [stadswijken van New York]. Ik wil niet dat jullie daar door de straten lopen, laat staan praten met de mensen die daar wonen. Dit evangelie is niet voor hen. Begrepen?
Toen Jezus sprak over het ‘koninkrijk der hemelen’, wat bedoelde Hij daar toen mee? Is het koninkrijk der hemelen – hetzelfde als de hemel? Hoe zou dat kunnen, aangezien God Israël nooit iets over de hemel verteld heeft? Denk aan hoe Hij de hemelen en de aarde schiep in Genesis 1:1 en dan direct alles negeerde behalve de aarde. Het koninkrijk der hemelen is hetzelfde koninkrijk dat God aan Abraham beloofde, omdat: ‘Jezus, trouw blijvend aan Gods doeleinden, benaderde de Joodse ingewijden… zodat de oude, voorouderlijke beloften waarheid zouden worden voor hen.’ (Romeinen 15:8).
Dit koninkrijk is hemels van karakter (het is het koninkrijk der hemelen) maar zijn plaats is op aarde. Een aardgebonden koninkrijk is de enige boodschap die ooit aan Israëlieten werd gegeven: ‘Gij maakt hen ook tot een koninkrijk en tot priesters voor onze God en zij zullen als koningen heersen op de aarde’ (Openbaring 5:10); en ‘Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven’ (Matteüs 5:5).
Dus wat is er gebeurd met jouw Messias? Als de boeken van Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes de enige kans zijn voor de mensheid – en voor jou – om waarheid te horen of om voor altijd verloren te gaan, dan heeft de Heraut van die Waarheid een eigenaardige manier van verkondigen. Het punt dat ik hier wil maken is zo algemeen onbekend dat ik het niet nalaten kan om nog een andere Zender parafrase te geven van Matteüs 10:5-7 –
Ga met dit evangelie naar geen enkel ander volk dan het jouwe. En ik bedoel hierbij ook Samaria, maakt niks uit dat zij jullie naaste verwanten zijn. Luister en luister goed: Ga niet met dit evangelie naar iemand anders dan de verloren schapen van het huis Israëls. En hierbij bedoel ik ook al die niet-Israëlieten die deze evangeliën zullen lezen in Holliday Inn hotels uit Gideon Bijbels in het jaar 2012.
En dit is het evangelie, voor het geval je dat vergeten bent, alhoewel Ik niet zou weten hoe dat mogelijk zou kunnen zijn: Het koninkrijk, dat God aan jullie voorvader Abraham beloofde, is nabij. Ik ben een Dienaar van de Besnijdenis, om de beloften te bevestigen die God deed aan Abraham.
Je zoekt nog steeds naar iets dat op jouw betrekking zou kunnen hebben, dus je slaat Matteüs op, hoofdstuk 15. Ah! Eindelijk, daar heb je een niet-Israëlitische vrouw, die Jezus aanspreekt over haar demonisch bezeten dochter. Het volgende is uit Matteüs 15:21-28, uit The Message en uit het Concordant Literal New Testament, zie ook www.schriftwoord.nl.
Van daaruit maakte Jezus een reis naar Tyrus en Sidon. Ze waren net aangekomen toen een Kanaänitische vrouw vanuit de heuvels naar beneden kwam en smeekte: ‘Heb genade Heer, Zoon van David! Mijn dochter wordt wreed gekweld door een boze geest.’
Jezus negeerde haar.
De discipelen kwamen en klaagden: ‘Nu begint ze ons lastig te vallen. Wilt U alstublieft naar haar omkijken? We worden knettergek van haar.’
Jezus weigerde en vertelde hen: ‘Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls.’ Toen kwam de vrouw opnieuw naar Jezus toe, knielde neer en smeekte: ‘Heer, help mij!’
Hij zei: ‘Het is niet juist om het brood uit de monden van de kinderen te halen en het voor de honden te gooien. Ik ben een Dienaar van de Besnijdenis om de beloften aan de voorvaderen te bevestigen. God heeft aan jou geen beloften gedaan.’
De vrouw antwoordde snel: ‘U hebt gelijk, Meester, maar honden die bedelen krijgen de restjes van de tafel van de heer des huizes.’
Jezus gaf eindelijk toe: ‘O, vrouw, wat een geloof heb jij. Je zult krijgen wat je hebben wilt.’ Op dat moment werd haar dochter genezen.
De vrouw kreeg wat ze hebben wilde, ja, maar niet zonder te smeken. Ze smeekte Hem eerst aan met: ‘Heer, Zoon van David’ maar zette zich daarmee buitenspel want die gewaardeerde titel is exclusief voorbehouden aan Israël. Ze moet de reikwijdte vergroten, ‘Zoon van David’ laten vallen maar het algemene ‘Heer’ behouden, dat ‘Meester’ betekent.
Het resultaat? Hij noemde haar een hond. De Heer Jezus Christus, onze Redder, noemde de lijdende vrouw – die buiten haar schuld om werd geboren in een niet-Israëlitisch ras – een hond. En dus moet ze zichzelf beschouwen als iemand die feitelijk niet ter zake doet, slechts hopend op de overgebleven restjes van de uitverkorenen. Pas toen ze haar nederige status erkende, kreeg ze waarvoor ze gekomen was.
Wat moet je hier nu mee aan? Als je bent zoals veel Christenen, dan ontken je het. Als je Jezus van Nazareth altijd beschouwd hebt als een wereldwijde verkondiger van een wereldwijd evangelie voor alle mensen, dan zullen passages zoals deze en die uit Matteüs 10:5-7 je geloofssysteem doen ontsporen. Niemand wil zijn vooronderstellingen bedreigd zien worden, zelfs niet door feiten. Ik laat je dingen zien die al een hele tijd in de Bijbel staan, maar die verduisterd zijn door menselijke filosofie en tradities.
Het loopt uiteindelijk goed af, dus blijf bij me. De stoffige Man van Galilea in Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes keerde uiteindelijk terug naar de hemel, waar Hij Zijn sandalen inruilde om opnieuw een stralend wezen vol van licht en heerlijkheid te worden. En toen, van daaruit, enige maanden later –
- wacht even. Ik loop op mezelf vooruit. Laten we nu maar zeggen dat de vrouw die bedelde om restjes van Israëls tafel in Matteüs 15 weldra een boodschap zou horen die haar uit haar lage, tweedeklas rang zou bevorderen tot ver voorbij –
- oeps, daar ga ik weer.
Sommigen veronderstellen misschien dat ik Jezus Christus, onze Redder, inperk. Dat doe ik niet. Toen Hij op aarde was perkte Hij Zichzelf opzettelijk in, door slechts de verloren schapen van het huis Israëls te dienen (Matteüs 15:24). Ik vertel je alleen maar iets dat - zonder de verduisterende filters van de menselijke traditie - duidelijk had kunnen zijn: de Man van Smarten beperkte Zijn boodschap tot de Israëlieten toen Hij op aarde was. Jezus deed dat met een goede reden. Zijn in rood gedrukte woorden [In een zogenaamde ‘rode letter editie’ van de Bijbel zijn de woorden van Jezus in rode inkt gedrukt] zijn niet alles wat Hij te zeggen had. Deze rode woorden kwamen uit Zijn mond, ja, maar Hij sprak opnieuw, enige maanden later, door een ander mondstuk, wiens woorden -
- laat maar. Ik loop weer op mezelf vooruit.
Blijf lezen en je zult dingen zien die je nog nooit hebt gezien. Je zult dingen voelen die je nog nooit hebt gevoeld. Jouw God gaat groter en liefdevoller worden dan je ooit hebt durven dromen. Dit gaat echter niet over fantasie, maar over openbaring. God is altijd al zo groot geweest. Een klein beetje de lens bijstellen en je zult Hem zien. De Schriftplaatsen die ik je zal tonen hebben de Bevlogen Bladzijden reeds lange tijd gesierd; je hebt ze gewoon nooit gezien. Niemand heeft jouw aandacht op hen gevestigd of je laten zien hoe en waarom ze verschillen van de woorden van de aardgebonden Christus.
De Schrift blijft hetzelfde; ik nodig je slechts uit om hem met nieuwe ogen te bekijken. Je hebt met afschuw toegekeken toen Mozes Joden stenigde in de schaduw van de Sinaï. Later zag je, in de Bijbelboeken die we nu ‘de brieven van Paulus’ noemen, hoe boomaanbiddende hoerenlopers baadden in de heerlijkheid van Gods genade. Zelfs in het Nieuwe Testament zegt Jacobus: ‘Toon mij uw geloof door uw werken’; Paulus, aan de andere kant, zegt: ‘Het is geloof alleen; vergeet de werken.’ In het licht van dit alles heb je tegen jezelf staan schreeuwen, of misschien in het openbaar:
Waarom spreekt de Bijbel zichzelf tegen? Waarom is het zo verwarrend? Ik haat het om de Bijbel te lezen omdat ik hem niet begrijp!
Ik voel met je mee wat dat betreft; ik heb dat ook gehad. Eén van de redenen waarom mijn Bijbel er zo haveloos uitziet is omdat ik hem uit pure frustratie zo vaak tegen de muur heb gegooid. Maar toen, in 1986, zag ik iets dat me nu zo voor de hand liggend lijkt. Wat ik zag veranderde mijn leven en mijn beeld van God. De Bijbel was niet het probleem, maar ikzelf. De Bijbel was niet het probleem, maar de manier waarop ik hem las. Het kwam door de manier waarop ik de Schrift door elkaar haalde.
God schrijft geen tegenstrijdige Geschriften. Het Woord van God is alleen verwarrend als we ongelijksoortige elementen door elkaar mengen. Als we alle ingrediënten uit de koelkast en het keukenkastje door een cakebeslag mengen, dan krijgen we geen cake, maar een ramp. Precies hetzelfde gebeurt er wanneer je alles wat God aan één volk vertelde op een hoop gooit met de dingen die Hij aan een ander volk vertelde, dan hebben we niet langer openbaring, maar opschudding.
Toen ik ophield met God de schuld te geven en lang genoeg pauzeerde om mijn eigen vooroordelen te overdenken, kwam er nieuw licht. Jij profiteert nu van mijn vroegere fouten. Ik ben een boodschapper en niets meer dan dat. Ik benijd je omdat je op het punt staat om deze openbaring voor het eerst te zien.
Wanneer je in je Bijbel de bladzijden omslaat van Maleachi naar Matteüs verandert de programmering niet. Het is net als wanneer je tijdens een belangrijk nieuws-item van de ene zender naar de andere zapt: ieder hoofd praat over hetzelfde onderwerp. Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes pakken de draad op waar Maleachi hem losliet. Het verhaal is hetzelfde, alleen de namen zijn anders. Het is nog steeds de Israëlische zender. Allemaal Israël, de hele tijd. Jezus kwam naar Nazareth, niet naar Athene. De Jezus Die sandalen droeg beschouwde niet-Israëlieten als honden (Matteüs 15:26). Als Matteüs dit niet had opgetekend door inspiratie van Heilige Geest, dan zou ik niet van je verwachten dat je dit geloofde. Ik zou het zelf ook niet geloven. Het is te raar; te onwaarschijnlijk. Het tart het algemeen onderwezen model dat de Jezus van de vier evangeliën een universele redding promootte aan de niet-Joodse wereld.
oo0oo
Laten we nu naar Johannes gaan, hoofdstuk 3. Nicodemus was bang wat zijn collega priesters van hem zouden denken, dus benaderde hij Jezus midden in de nacht en zei:
‘Rabbi, wij zijn ons ervan bewust dat U een door God gezonden leraar bent.’
Let op: Wij zijn ons ervan bewust. Nicodemus verwees naar zichzelf en zijn volksgenoten. Hij wilde wanhopig graag weten hoe hij en zijn volksgenoten het koninkrijk, dat God aan Abraham beloofde, binnen zouden kunnen gaan; hij zocht naar de details.
Jezus antwoordde: ‘Tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien.’
Nicodemus zei: ‘Hoe kan een mens de schoot van zijn moeder voor de tweede keer binnengaan?’
Jezus moet met Zijn ogen gerold hebben, tenminste in gedachten. Geduld bij elkaar rapend, antwoordde onze Heer: ‘Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden.’
‘Hoe kan dit geschieden?’ zei Nicodemus.
Jezus antwoordde: ‘Bent u een leraar van Israël en weet u deze dingen niet?’ (Johannes 3:10).
Nicodemus moet in elkaar gekrompen zijn van schaamte. Jezus sprak niets nieuws tot de verschrikte geestelijke. Nicodemus had op de hoogte moeten zijn van de wedergeboorte, want de profeet Jesaja schreef daarover in dezelfde Geschriften die op dat moment op een boekenplank in het kantoor van Nicodemus stonden. Jesaja 66: 7-9
Voordat zij weeën kreeg, heeft zij gebaard. Nog voor een wee over haar kwam, heeft zij een jongetje ter wereld gebracht. Wie heeft ooit zoiets gehoord? Wie heeft iets dergelijks gezien? Zou een land geboren kunnen worden op één dag? Zou een volk geboren kunnen worden in één keer? Maar Sion heeft nauwelijks weeën gekregen, of zij heeft haar zonen al gebaard. ‘Zou Ik ontsluiting geven en niet doen baren?’ zegt de HEERE. ‘Of zou Ik, Die doe baren, toesluiten?’
En vervolgens zei Jezus:
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wij spreken over wat wij weten en getuigen van wat wij gezien hebben, en toch nemen jullie ons getuigenis niet aan. Als Ik u over aardse dingen vertel en u niet gelooft, hoe zult u geloven als Ik u over hemelse dingen zou vertellen?
Johannes 3:11-12, Concordant Literal New Testament - zie ook www.schriftwoord.nl
Toen Hij op aarde was diende de Zoon van God alleen de Israëlieten, daarbij de aartsvaderlijke beloften bevestigend die God deed aan Abraham. Als er überhaupt enige heidenen werden gezegend, dan gebeurde dat doordat zij hun rechtmatige rol van hond aannamen onder de tafel van Israël.
Wat was ook alweer de voornaamste belofte die God deed aan Abraham? ‘Ik zal zegenen wie u zegenen en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken. En in u zullen alle families van de aarde gezegend worden’ (Genesis 12:3).
Welke overeenstemming komt er nu naar voren als we lezen: ‘Als Ik u aardse dingen heb verteld en u niet gelooft, hoe zult u geloven als Ik u hemelse dingen vertel?’ (Johannes 3:12, New King James Version).
Jezus’ woorden tot Nicodemus passen perfect in de rol van een Man die naar de aarde kwam als ‘de Dienaar van de Besnijdenis, om de aartsvaderlijke beloften te bevestigen’ (Romeinen 15:8). De aartsvaderlijke beloften hadden betrekking op de aarde.
Maar nu dit: ‘Als Ik u aardse dingen heb verteld en u niet gelooft, hoe zult u geloven als Ik u hemelse dingen vertel?’
O. Mijn. God.
Jezus Christus hield – op aarde – iets achter de hand betreffende de hemel.
oo0oo
In de eerste dagen van wat bekend zou worden als de Pinksterperiode, zette een discipel, genaamd Stefanus, de religieuze hiërarchie volledig in zijn hemd. Sommige priesters sleepten hem voor het Sanhedrin om rekeningschap van zichzelf af te leggen als een volgeling van die ketter Jezus van Nazareth, Die tijdens Zijn leven beweerde de Messias van Israël te zijn. Die arme, misleide Man werd uiteindelijk door diezelfde mensen gedood, maar later waren er geruchten dat Hij uit de dood was opgestaan en dat Hij, door de Heilige Geest, de Inspirator was van die hinderlijke uitbraak van koninkrijkskoorts.
Getuigend voor zijn leven, overzag hij voor een aandachtig priesterschap hun eigen geschiedenis. Uiteindelijk kwam hij bij het gedeelte waar Israël tegen Mozes klaagde (opgetekend door Lucas in Handelingen, hoofdstuk 7) en zei: ‘Zij hunkerden naar de oude, Egyptische gewoonten en jammerden tegen Aäron: ‘Maak goden voor ons die we kunnen zien en volgen. Deze Mozes die ons hier, mijlenver van alles, naartoe heeft gebracht – wie weet wat er van hem geworden is!’’
Stefanus ging verder:
Dat was in de tijd toen zij een afgodsbeeld van een kalf maakten, er aan offerden en elkaar feliciteerden met het fantastische, religieuze programma dat ze in elkaar geflanst hadden. God was bepaald niet blij; maar Hij liet hen hun gang gaan en elke nieuwe god aanbidden die de hoek om kwam – en liet hen leven met de gevolgen, gevolgen beschreven door de profeet Amos: Bracht je Mij offers van dieren en graan in die veertig jaren van wildernis, o Israël?
Nauwelijks. Jullie waren te druk met het bouwen van heiligdommen voor oorlogsgoden, voor seksgodinnen, hen aanbiddend met al jullie kracht. Daarom heb Ik jullie in ballingschap gebracht in Babylon. En al die tijd hadden onze voorouders een heilige tent [tabernakel] voor ware aanbidding, gemaakt volgens de exacte aanwijzingen die God aan Mozes gaf. Die hadden zij bij zich toen zij Jozua volgden, toen God het land zuiverde van heidenen en zij hadden hem nog steeds in de tijd van David. David vroeg God om een vaste plaats voor aanbidding. Maar Salomo bouwde die.
Maar dat betekent niet dat de Meest Hoogverheven God in een gebouw woont dat door timmerlieden en metselaars gemaakt is. De profeet Jesaja zei het heel juist toen hij schreef: De Hemelen zijn Mijn troonzaal; Mijn voeten staan op de aarde. Dus wat voor soort huis willen jullie voor Mij bouwen? zegt God. Waar ik Mij kan terugtrekken en ontspannen? Dat is al gebouwd en wel door Mij.
Handelingen 7:39-50, The Message
Het Sanhedrin luisterde in gespannen afwachting tot op dit punt. Maar toen kwam dit:
En jullie gaan maar door, zo stijfkoppig! Eelt op jullie hart, kleppen op jullie oren! Opzettelijk de Heilige Geest negerend; jullie zijn precies hetzelfde als jullie voorouders. Was er ooit een profeet die niet dezelfde behandeling kreeg? Jullie voorouders vermoordden iedereen die durfde te spreken over de komst van de Rechtvaardige. En jullie hebben de familietradities in ere gehouden – verraders en moordenaars, stuk voor stuk. Jullie hebben Gods wet door engelen overhandigd gekregen - in cadeauverpakking! – en jullie hebben hem verkwanseld!
Handelingen 7:51-53, The Message
Kijk wat er vervolgens gebeurde:
Toen ze dit hoorden, sneed het hun door het hart en ze begonnen te knarsetanden... Maar ze schreeuwden en tierden, hielden hun handen voor hun oren en stormden met zijn allen op hem af. Ze dreven hem de stad uit en stenigden hem.
Handelingen 7:54; 57-58, Concordant Literal New Testament - zie ook www.schriftwoord.nl
Tot zover Pinksteren – en het koninkrijk. De eerste opwinding van Handelingen, hoofdstuk 2 doofde uit tot bijna niets in hoofdstuk 7. Het is pas hoofdstuk 7 in een boek van 28 hoofdstukken en toch was het koninkrijk dat God aan Abraham en zijn zaad beloofde blijkbaar ten onder gegaan. De voorwaarde voor het koninkrijk was nationale bekering – een wedergeboren natie in overeenstemming met de profetische uitspraak. In plaats daarvan hebben we hier een verbolgen priesterschap dat zijn grimmige traditie van het vermoorden van Gods boodschappers eer aan doet. En zo lag het vooruitzicht van wereldwijde, Israëlische heerschappij stuiptrekkend onder een stapel met bloed besmeurde stenen zijn laatste adem uit te blazen.
Maar er is een merkwaardige voetnoot bij dit zielige tekstgedeelte. De schrijver lijkt zich genoodzaakt te voelen om een vreemd, klein detail te noemen dat eigenlijk onder de radar door had moeten gaan. Het betreft, vreemd genoeg, de mantels van de mannen die Stefanus stenigen. Hier is het, in vers 58 van Handelingen, hoofdstuk 7: ‘En de getuigen legden hun mantels af aan de voeten van een jonge man, Saulus genaamd.’
Niemand had, in zijn wildste fantasieën, kunnen vermoeden wat er stond te gebeuren.
Terug naar de indexpagina van "De eerste idioot in de hemel"
U kunt meer van Martin Zender vinden, op deze website:
Martin Zender
the world's most unorthodox Bible Scholar