“Wordt mijn navolgers, zoals ook ik van Christus” (1Korinthe 11:1;SW)
“Wordt mijn navolgers!” (1Korinthe 4:16;SW)
“Wordt mijn imitatoren” (Filippenzen 3.17;SW)
Beroep op het hebben van een aandeel.
Zoals we opmerkten in het laatste hoofdstuk, is er in het boek Handelingen een verslag over het leven van Paulus dat ons een voorbeeld nalaat voor het doen van een beroep op de natiën voor het hebben van een aandeel.
“Terwijl zij hem nu uitrekken met de riemen, zei Paulus tot de naast hem staande centurion: "Is het toegestaan als een mens, een Romein en onveroordeeld, gegeseld wordt?”
(Handelingen 22:25;SW)
“Bij Paulus' beroep vastgehouden te worden voor onderzoek door de keizer, beveel ik hem vast te houden tot wanneer ik hem zal zenden naar Caesar”
(Handelingen 25:21;SW)
Het doen van zo’n beroep heeft een getuigenis voor het geweten van de ongelovigen, ongeacht hun daarop volgende acties en bevelen – zelfs indien die volkomen onrechtvaardig zijn. Paulus’ beroepen brachten de regeringambtenaren in aanraking met het evangelie en ook met hun eigen aansprakelijkheid voor het goddelijke gezag dat zij uitoefenden.
Wij mogen een beroep doen op de burgerregering, in het bijzonder waar het betrekking heeft op een Schriftuurlijk principe, of waar de erkenning van geloof wordt geweigerd, of in enige zaak waar het werk van het koninkrijk van God gehinderd zou worden. We mogen een beroep doen op passende behandeling onder de wet.*1)
Berichten over gevaren
Een ander verslag uit het leven van Paulus, zoals te vinden in het boek Handelingen, gaat over het berichten over gevaarlijke toestanden voor bedwinging door de regering.
“De zoon nu van Paulus' zuster, horend van de hinderlaag, meekomend en het kamp binnen gaand, bericht het aan Paulus. Paulus nu, een van de centurions naar zich toe roepend, verklaart: “Deze jonge man, leidt hem weg naar de kapitein. Hij heeft iets aan hem te berichten.” Hij dan, hem inderdaad meenemend*, leidde hem naar de kapitein, en hij verklaarde: “De gevangene, Paulus, riep mij naar zich toe en vraagt mij deze jonge man naar u te leiden, iets aan u te zeggen hebbend.” De kapitein nu, zijn hand vastpakkend en zichzelf terugtrekkend, vroeg om vast te stellen: “Wat is het dat jij aan mij te berichten hebt?” Hij nu zei “Dat de Joden ingestemd hadden u te vragen, zodat u morgen °Paulus naar beneden zou leiden in het Sanhedrin om enigszins meer vast te stellen wat hem betreft. U dan zou niet door hen overtuigd moeten zijn, want zij liggen met meer dan veertig mannen voor hem in een hinderlaag, die zichzelf vervloeken, noch te eten, noch te drinken, totdat zij hem zullen vermoorden. En nu zijn zij klaar, afwachtend uw belofte.” Zo laat dan de kapitein de jongeman gaan, hem opdragend niet tegen iemand te zeggen dat je deze dingen aan mij bekend hebt gemaakt.”
(Handelingen 23:16-22;SW)
Paulus’ voorbeeld zou door ons als precedent gebruikt kunnen worden om de politie te roepen, of andere passende gezaghebbers, indien wij een insluiper zouden zien in een achtertuin, of indien we er getuige van waren dat onrecht werd begaan.
Het regelen van geschillen tussen gelovigen
Aan de andere kant vertelt Paulus ons niet naar het nationale rechtssysteem te gaan voor het oplossen van conflicten met andere gelovigen.
De era van de heidenen heeft een doel dat tegengesteld is aan dat van het Koninkrijk van God
A.E. Knoch |
“Durft iemand van jullie, die iets met de ander heeft, geoordeeld te worden door de onrechtvaardigen en niet door de heiligen? Of hebben jullie niet waargenomen dat de heiligen de wereld zullen oordelen? En indien door jullie de wereld wordt geoordeeld, zijn jullie dan onwaardig voor de onbeduidendste rechtszaken? Hebben jullie niet waargenomen dat wij boodschappers zullen oordelen? Dan toch zeker ook de dingen van het leven! Indien jullie inderdaad rechtszaken zouden hebben over de dingen van het leven, laten jullie dan hen, die veracht zijn in de ecclesia, zitting nemen? Ik zeg het om jullie te beschamen. Is er dan onder jullie niet één wijze die in staat zal zijn om te midden van zijn °broeders te oordelen? Nu wordt een broeder met een broeder geoordeeld. En dat voor ongelovigen! Maar voor jullie is het dan reeds geheel fout dat jullie rechtszaken tegen elkaar hebben. Waarom worden jullie niet liever gekwetst, waarom worden jullie niet liever bedrogen? Maar jullie kwetsen en bedriegen zelf, en dat onder broeders!”
(1 Korinthe 6:1-8;SW)
Kwaad in de wereld
Paulus geeft ons ook duidelijk opdracht voor onze houding tegenover en antwoord op al het kwaad in de wereld.
“Zie er op toe dat niemand kwaad met kwaad vergeldt, maar jaagt altijd het goede na, voor elkaar en voor allen”
(1Thessalonicenzen 5:15;SW)
“vergeldt niemand kwaad met kwaad, voorzie in het goede met het oog op alle mensen. Indien mogelijk en voor zover het uit jullie is: houdt vrede met alle mensen, wreekt jullie zelf niet, geliefden, maar geef ruimte aan de toorn, want het is geschreven: Mij*3) is de wreking*2). Ik zal vergelden, zegt de Heer. Maar indien uw vijand zou hongeren, geef hem de bete, indien hij dorst heeft, geef hem te drinken, want dit doende zul jij vurige kolen ophopen op zijn hoofd*4). Wees niet overwonnen door het kwaad, maar wees het kwade overwinnend door het goede!”
(Romeinen 12:17-21;SW)
Bidden en dankzeggen
Tenslotte geeft Paulus ons opdracht te bidden en dank te geven voor “Allen die gezag dragen.”
“Ik moedig dan bovenal aan verzoeken, gebeden, pleitingen, dankzeggingen te doen voor alle mensen, voor koningen en voor allen die hooggeplaatst zijn, opdat wij een kalm en rustig leven mogen leiden, in alle toewijding en ernst”
(1 Timotheüs 2:1,2;SW)
Wanneer onze aandacht van Christus wordt weggeleid en gericht op de mens met al zijn nooit eindigende regeringscorrupties, dan raken we op een zijspoor van ons huidige doel en taak op Aarde.
“Voor het overige, broeders, al wat waar, al wat eerwaardig, al wat rechtvaardig, al wat zuiver, al wat aangenaam, al wat vermaard is, als er enige deugd is, als er enig applaus is, neemt deze in overweging!”
(Filippenzen 4:8;SW)
“Want de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezindheid van de geest is leven en vrede”
(Romeinen 8:6;SW)
Nauwelijks enige gedachten die verbonden zijn met enige aardse regering zouden als waar, eerlijk, rechtvaardig, zuiver, lieflijk of als een goed bericht omschreven kunnen worden.
Velen zouden, met de beste bedoelingen, willen dat de gelovige goed geïnformeerd zou worden met betrekking tot de kwaden en gebreken van de regering en de samenleving. Paulus, echter, roept de gelovige op om…
“Maar ik wil dat jullie wijs zijn tot het goede, ook onschuldig van het kwade”
(Romeinen 16:19;SW)
De behoudende “Evangelische Christen” activisten zullen tot het uiterste gaan voor de shock behandeling van informatie over de kwaden van het nationalisme (dwz. de heidenen): “Kijk nou!” “Kun jij het geloven?” “Wat een schandaal!” “Schokkend!” Maar nogmaals pleit onze apostel, “want wat door hen verborgen wordt, is zelfs schandelijk om te zeggen!” (Efeze 5.12;SW)
De heer Hartzler heeft een paar interessante opmerkingen met betrekking tot de verantwoordelijkheden ten opzichte van het nationalisme, door aan te tonen wat ze niet zijn.
Geen identificatie: Jezus vertelde Pilatus, “Mijn koninkrijk is niet van deze wereld … nu is Mijn koninkrijk niet van hier.” Indien Jezus’ koninkrijk op dit moment van deze wereld zou zijn, dan zouden Zijn kinderen er een actief aandeel in hebben. Dan “streden Mijn afgevaardigden voor Mij” (Johannes 18:36;SW)
Geen hervorming: Sommige mensen voelen krachtig dat de Christen zou moeten helpen betere mensen te verkiezen, de politiek schoon te maken, het kwaad weg stemmen, en helpen een Christen aan de macht te brengen. Uit het oogpunt van de moralist klinkt dit goed. Maar hoe komt dit overeen met de Nieuw Testamentische Schriften?
De kerk heeft een hogere roeping dan deze zaken aan te pakken door verkiezingen. “Goede” mensen aan de macht verkiezen zal nooit de zonde weg doen uit het hart van mensen. “Maar nu één maal, bij de afsluiting van de aionen, tot vergeving van de zonden, door Zijn offer, is Hij[Jezus] openbaar geworden” (Hebreeën 9:26;SW). In de dagen van het Nieuwe Testament zetten de apostelen niet een campagne op om de slavernij af te schaffen. Noch deden zij een poging om de Romeinse politiek schoon te maken en burgerlijke onrechtmatigheden in orde te brengen. Dit is niet de benadering van de kerk op deze zaken, noch zal het de problemen oplossen. Alleen de kracht van het Evangelie zal doordringen tot de wortels van de behoeften van de mens. Indien de kerk betrokken raakt bij de samenleving of nationale pogingen tot hervorming, zal ze haar kracht verliezen.*5)
De bron van de vrijheid van de gelovige komt niet uit de een of andere “vrijheidsvechter” of uit enige natie. Paulus vertelt ons eenvoudig onze bron van vrijheid:
“Nu, de Heer is de geest en waar de geest van de Heer is, is vrijheid”
(2 Korinthe 3:17;SW)
Wat ook onze omstandigheden mogen zijn, we zijn altijd vrij!
“Want de in de Heer geroepen slaaf is de bevrijde van de Heer.”
(1 Korinthe 7:22;SW)
Geestelijk zijn gelovigen de enig echt bevrijden; alle anderen zijn in slavernij! Het “land van de vrije” is waar wij gezeten zijn in Christus, in de hemelen. Dit is de “hoge roeping van God in Christus Jezus.”
Noot:
1. Lloyd Hartzler, The Christian and the State, p. 17
2. “wreking” behoort alleen toe aan de God van liefde.
3. Goddelijke “wreking” gaat over het recht maken van het verkeerde, door het aanpassen of het herstellen was door onrecht was verloren.
4. Zie Appendix 1: Stapelen van vurige kolen.
5. Lloyd Hartzler, The Christian and the State, p. 5,6
Terug naar de index.