"Is het toegestaan als een mens, een Romein en onveroordeeld, gegeseld wordt?"
(58 n. Chr. – Handelingen 22:25;SW)
Sommigen geloven dat passages als deze uit het boek Handelingen, op de een of andere manier aantonen dat Paulus actieve betrokkenheid bij het nationalisme bepleitte. Echter, dingen zijn niet altijd zoals op het eerste gezicht schijnen.
Men moet voorzichtig zijn met het vestigen van een doctrine uit het boek Handelingen. Dit boek werd niet door Paulus geschreven, noch werd het geschreven om een leer vast te leggen voor het Lichaam van Christus, noch werd het ontworpen om als patroon te dienen voor ons praktische leven. In plaats daarvan is Handelingen een boek dat de transnationale geschiedenis onthult van de val van Israel en de opkomst van het Lichaam van Christus. Daarom, om de waarheid te verkrijgen voor de kerk, het Lichaam van Christus, moet men zich richten tot de brieven van Paulus.
Paulus deed, bij gelegenheid, een beroep op de Romeinse wet; maar dit kan in de verste verte niet vergeleken worden met het zijn van een actieve deelnemer aan het beïnvloeden en vaststellen van de politiek van een regering. Noch Paulus, noch Jezus probeerden ooit Caesar of de Romeinse regering te hervormen.
Om te begrijpen wat Paulus aan het doen was toen hij een beroep deed op de Romeinse wet, hebben we de historische achtergrond nodig om de passages te verstaan waar Paulus de zaak van burgerschap naar voren brengt (59 n.Chr. – Handelingen 22-25).
Laten we ons eerst bewust worden dat doorheen heel Paulus’ vroegere 20 jarige apostolische bediening, zoals opgetekend in het boek Handelingen, er van hem nooit is opgetekend dat hij ook maar enige verwijzing maakt naar burgerschap, zelfs als hij zware martelingen tegemoet moet zien. Een Romeins burger was gevrijwaard van zo’n behandeling, maar toch ontving hij, zonder enig kenbaar beroep van hem, bij vijf verschillende gelegenheden 39 zweepslagen, en werd hij drie maal met stokken geslagen (alles vóór 57 n.Chr. – 2 Korinthe 11:24). Dus waarom de plotselinge verandering en een beroep doen?
De achtergrond van gebeurtenissen zal ons voorzien van het antwoord. Paulus had al vele jaren (Romeinen 15:23) verlangt een reis naar Rome te maken, maar hij werd “zeer gehinderd” (Romeinen 15:22) door voortdurend uitstel door vervolging van ongelovige Joden. Paulus plande een reis naar Jeruzalem te maken om hulp al te leveren die hij opgehaald had voor de arme heiligen daar. Zijn plan was om dan daarna door te gaan naar Rome, op voorwaarde dat “ik gered zou worden van de koppigen in Judea”(Romeinen 15:31;SW.
“Toen nu deze dingen vervuld waren, nam Paulus zich in de geest voor, gaande door Macedonië en Achaia, naar Jeruzalem te gaan, zeggend dat: "Na mijn komst daar moet ik ook Rome zien.”
(Voorjaar 54 n.Chr. - Handelingen 19:21;SW)
Paulus schreef aan de heiligen in Rome om hen op de hoogte te stellen van zijn plannen om naar het toe te komen.
“Want ik verlanger naar jullie te zien, zodat ik enige geestelijke genade met u mag delen*, opdat jullie versterkt worden; …. waardoor ik ook werd verhinderd vaak naar jullie toe te komen. Maar nu heb ik geen plaats meer in deze regionen en ben al vele jaren verlangend naar jullie te komen, zodra ik naar Spanje mag gaan. Want ik hoop op mijn doorreis jullie met verwondering te zien en door jullie daarheen doorgezonden te worden, nadat ik eerst enige mate van jullie vervuld zal zijn, maar nu ga ik naar Jeruzalem, bedienend aan de heiligen. Want Macedonië en Achaje verheugen zich een bijdrage te geven aan de armen onder de heiligen die in Jeruzalem zijn. Want zij verheugen zich en zijn ook schuldenaren van hen, want indien de heidenen deelnemen aan hun geestelijke goederen, horen zij ook met hen hun vleselijke dingen te dienen. Dit dan volbrengend en hen deze vrucht verzegelend, zal ik via uw stad doorreizen naar Spanje. Ik heb waargenomen dat, naar jullie komend, ik zal komen met een vullende zegen van Christus. Maar ik moedig jullie aan, broeders, door onze Here Jezus Christus en door de liefde van de geest, samen met mij te worstelen in de gebeden tot God voor mij, opdat ik gered zou worden van de koppigen in Judea en mijn bediening voor Jeruzalem goed ontvangen moge worden door de heiligen, opdat ik in blijdschap tot jullie komend, door de wil van God, samen met jullie zou rusten.”
(Voorjaar 54 n.Chr – Romeinen 1:11; 15:22-32;SW)
Terwijl hij in Jeruzalem was, brak er zware tegenstand tegen hem uit. De gelegenheid grijpend om verlost te worden van de ongelovige Joden, zodat hij eindelijk zijn bediening naar de hoofdstad van het Romeinse Rijk kon brengen, vraagt hij eenvoudig: “Is het toegestaan als een mens, een Romein en onveroordeeld, gegeseld wordt?" (Handelingen 22:25;SW).
Paulus deed een beroep op de burgerlijke gezaghebbers te handelen in overeenstemming met de wet die hen bond. Hij deed een beroep op de Romeinse wet, een tussenkomst die hem verloste uit de handen van de Joodse vervolging. Met zijn tegenstand bedwongen, had Paulus alleen nog maar de middelen nodig om in Rome te komen.
Hij zag deze gelegenheid door op zijn Romeinse rechten te gaan staan en een beroep te doen op Caesar (voorjaar 59 n.Chr. – Handelingen 25:11). De regering zag Paulus als een Romeins burger, en Paulus voegde zichzelf in hun behandeling van hem als zodanig – op hen de standaard van hun eigen wet drukkend – en als gevolg daarvan was hij in staat zijn lang gewenste reis naar Rome te maken, onder Romeins gezag.
Nu, voordat we aannemen dat de verklaringen die in het boek Handelingen te vinden zijn enige opdracht hebben voor de gelovige om politiek actief te worden, moeten we eerst zorgvuldig zijn niet een onthulling te verwachten. Dit is van groot belang bij het lezen van de Schrift. Wij moeten herkennen dat Paulus een overvloed aan steeds verder gaande onthullingen ontving tijdens zijn ongeveer dertig jaren durende apostelschap.
“ik zal komen met gezichten en openbaringen van de Heer … opdat ik niet verhoogd zou worden vanwege de voortreffelijkheid van de openbaringen”
(57 n.Chr. – 2 Korinthe 12:1,7;SW)
We moeten ons herinneren dat, ook al had Paulus bedoeld een vroeg burgerschap te bepleiten in het boek Handelingen, hij later, bij het ontvangen van grotere onthullingen van de Heer, deze zaak geheel verduidelijkte. Terwijl hij in een Romeinse gevangenis was gaf God hem aanvullende onthullingen die hij opschreef in zijn brief aan de Filippenzen. Dit was een onthulling van eenheid van denken, en een Romeinse gevangenis was een behoorlijk verbazingwekkende plaats voor zo’n hemelse onthulling.
“ons burgerschap behoort in de hemelen, waaruit ook wij de Redder verwachten, de Heer, Jezus Christus”
(62 n.Chr. – Filippenzen 3:20;SW)
Paulus schreef niet: “een van onze burgerschappen behoort in de hemelen” of “wij hebben een ander burgerschap in de hemelen.” In plaats daarvan schrijft hij absoluut en eenvoudig over één enkel burgerschap. Vanuit zijn Romeinse gebonden zijn verklaart hij vrijmoedig en zonder kwalificatie dat dit burgerschap hemels is.
Terug naar de index.