Wereldzaken en nationale politiek
de hoge roeping door God in Christus Jezus


"Hoofdstuk 3 - Gods Natie - haar vestiging en val"

door Clyde L. Pilkington Jr.

“Ik zal jou tot een grote natie maken” (Genesis 12:2;SW)

Bij Babel gaf God de mensheid over aan de ijdelheid van het nationalisme, hen terzijde plaatsend als Zijn voornaamste instrument, en keerde Hij Zich naar het vestigen van een enkele nieuwe natie die (op den duur) Zijn contrast zou zijn voor alle andere natiën.

Menselijke regering, net als alle andere inspanningen “onder de zon” (door hen die nog steeds hun identiteit vinden in Adam), is “vol van kwaad” (Prediker 9:3). Met andere woorden, de natiën van de wereld zijn nu onder het beheer van Satan.

Een nieuwe goddelijk gevestigde natie

Wat volgt op het verslag van de rebellie van samenwerking bij Babel is de selectie van een andere man, een andere nieuw beheer. De man is Abram, later Abraham genoemd. God koos hem om een nieuwe natie op te zetten, een nieuwe nationaliteit van volk:

En JAHWEH zegt tot Abram: "Ga uit jouw land en uit jouw familie en uit het huis van jouw vader, naar het land dat Ik jou zal tonen. En Ik zal jou tot een grote natie maken”
(Genesis 12:1,2;SW)

Gods ultieme plan is alle andere natiën te zegenen doorheen de bemiddeling van Abrahams natie.*1) Let er zeer nauwkeurig op hoe de rest van de tekst is samengesteld:

“Ik zal jou zegenen en Ik zal jouw naam groot maken. En wordt een zegen! En Ik zal zegenen die jou zegenen en die jou niet achten zal Ik vervloeken. En in jou worden alle families van de grond gezegend”(2-3)

Let er op dat deze zinsnede “alle families van de grond” herhaald wordt in Genesis 28:14.

“Het land waarop jij ligt, Ik zal het aan jou en aan jouw zaad geven. En jouw zaad zal worden als de grond van het land. En jij breekt uit naar de zee en naar het oosten en naar het noorden en naar de Negev. En alle families van de grond worden in jou gezegend en in jouw zaad”

Maar let er ook op dat in andere passages deze belofte anders gefraseerd wordt:

“En alle natiën van het land zegenen zich in jouw zaad, omdat jij naar Mijn stem luisterde."
(Genesis 22:18;SW)
“En Ik doe jouw zaad toenemen als de sterren van de hemelen en Ik geef aan jouw zaad al deze landen. En zij zegenen zichzelf in jouw zaad, alle natiën van het land”
(Genesis 26:4;SW)

Zag u het verschil? Het woord “families” werd vervangen door het woord “natiën.” Dit is niet alleen een verandering in onze taal, hetzelfde is waar voor het Hebreeuws. God beschouwt de woorden “natiën” en “families” als onderling uitwisselbaar op dit punt.

Let er daarom op dat “de natie Israel” ook “de kinderen van Israel” en “het huis van Israel” wordt genoemd.

Israel werd verder ook opgebroken in families: “de twaalf stammen van Israel”.

“Israel” was natuurlijk de veranderde naam van “Jakob.”

En hij zegt: "Jouw naam zal niet langer Jakob genoemd worden, maar veeleer Israel, want jij bent rechtschapen met Elohim en met stervelingen. En jij hebt de overhand."
(Genesis 32:28;SW)

Dus wanneer we spreken van de natie Israel, spreken we van Jakobs natie, de kinderen van Jakob, het huis van Jakob (dwz. zijn afstammelingen). Jakob was de aartsvader van Israel. De natie werd in kleinere familie clans of stammen verdeeld, vernoemd naar hun belangrijkste patriarchen*2) (bijvoorbeeld de stam van Juda). In de Schrift wordt zelfs natie Egypte “de familie van Egypte” genoemd (Zacharia 14:8).

De onderverdeling van de regering van Israels afstammelingen hield daar niet op. De stammen werden vervolgens per familie verdeeld in kleinere takken van regerings- autoriteit, met als voorbeeld:

“de familie van de Amramieten” (Numeri 3:27) zijn “de Amramietenen”(1 Kronieken 26:23)

De familie van de Izrahieten” (Numeri 3:27’ zijn “de Izrahieten” (1Kronieken 26:23)

De familie van de Hebronieten” (Numeri 3:27; 26:57) zijn “de Hebronieten” (1Kronieken 26:23)

“De familie van de Uzziëlieten” (Numeri 3.27) zijn “de Uzziëlieten” (1Kronieken 6:23)

“De familie van de Gileadieten” (Numeri 26:29) zijn “de Gileadieten” (Richteren 12:5)

“De familie van de Gershonieten” (Numeri 26:57) zijn “de Gershonieten” (1Kronieken 23:7)

“De familie van de Kohatieten” (Numeri 26:57) zijn “de Kohatieten” (Numeri 10:21)

“De familie van Juda” (Jozua 7:17) is “Juda” (Jozua 18:5)

de familie van de Zarieten” (Jozua 7:17) zijn “de Zarieten” (1Kronieken 27:11)

De familie van de Danieten” (Richteren 13.2) zijn “de Danieten” (1Kronieken 12:35) enz….

Deze kleinere regerende familiegroepen werden geleid door de familie-oudsten. Het Engelse woord “elder” komt van het Duitse “Eltern”, dat “ouders” betekent.*3) In feite vertaalde Coverdale Romeinen 1:30 met “Ongehoorzaam aan hun oudsten”. De oudsten waren de oudere mannen, volwassen senioren van de familie (dwz. de grootvaders).*4) Waar we over spreken is de natuurlijke en nationale bediening door grootvaders.*5)

Waarom Israel?

Gods plan met Israel is hen te maken tot een zegen voor de natiën. Ze zouden zijn, en zullen dat eens zijn, Zijn kanaal van verbinding met de aarde.

“En de natiën gaan bij jouw licht en koningen bij de helderheid van jouw straling”
(Jesaja 60:3;SW)

Dit zal uiteindelijk vervuld worden door hun beloofde Messias:

“Want een Jongen is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en het leiderschap komt op Zijn schouderblad, en men zal Zijn naam noemen: Wonderlijk, Raadsman, sterke El, Vader van de toekomst, Leider van de vrede. Aan de toename van Zijn leiderschap en de vrede komt geen einde, op de troon van David en over Zijn koninkrijk, om het te vestigen en om het te versterken met oordeel en met recht, van nu tot aan de aion. De ijver van JAHWEH van menigten zal dit doen.”
(Jesaja 9:6,7;SW)

Toen de Here Jezus Christus kwam, was Hij de nationale hoop van Israel:

“En de boodschapper zei* tot haar: "Vrees niet, Maria, want jij vond* genade bij °God! En zie*, jij zal bevrucht worden en zwanger zijn en jij zal een zoon voortbrengen en jij zal Hem Zijn naam geven: Jezus. Deze zal groot zijn en Hij zal Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. En de Heer God zal Hem de troon van David geven, Zijn °vader. En Hij zal heersen over het huis van Jakob in de aionen en Zijn °koninkrijk zal geen voleinding hebben."
(Lukas 1:30-33;SW)

Deze passage is van belang. Israel, ten tijde van de geboorte van Christus, had, ook al was men in het eigen land, hun nationale regeringscontrole verloren aan een andere natie. Ze waren bezet door een vreemd leger. Maar in plaats van zich te verheugen over hun lang verwachte Messias, verwierpen zij Hem, in plaats van Hem kiezend voor de heerschappij over hen door Rome:

Maar zijn burgers haatten hem en zij zonden een afgevaardigde achter hem aan, zeggend: 'Wij willen niet dat deze man over ons regeert’”
(Lukas 19:14;SW)

“Weg* met jou! Weg met jou! Kruisig hem!" ….. "Wij hebben geen koning dan Caesar!”
(Johannes 19:15;SW)

De Babel – Pinksteren connectie

De gebeurtenissen van Pinksteren waren een teken voor Israel van hun ongeloof en aanstaande val. Een bezonnen blik zal de correlatie onthullen tussen de natiën bij Babel en de natie van Israel bij Pinksteren.

De natiën werden uiteindelijk terzijde gesteld volgend op de verwarring van de talen bij Babel.

“Wij zullen afdalen en Wij zullen hun taal uiteen doen vallen, zodat een man niet de taal van zijn naaste zal verstaan”
(Genesis 11:7;SW)

Israel werd op den duur terzijde gesteld volgend op de verwarring door de talen op de Pinksterdag.

“Maar toen dit geluid ontstond, kwam de menigte samen en werd verward, omdat een ieder hen in de eigen taal hoorde spreken”
(Handelingen 2:6;SW)

Verbonden met het wonder van talen bij Babel was de verstrooiing van de natiën “over de oppervlakten van heel het land” (Genesis 11:8;SW).

Verbonden met het wonder van talen bij de Pinksterdag is de verstrooiing van de Twaalf Stammen over heel de aarde. Beide gebeurtenissen waren een teken van het nationale oordeel van God.

Beide werden gevolgd door de selectie van een nieuwe leider.

Babel, in Genesis hoofdstuk 11, werd gevolgd door de afscheiding van Abram (wiens naam later gewijzigd werd in Abraham), in Genesis hoofdstuk 12.

Pinksteren, in Handelingen hoofdstuk 2, werd gevolgd door de afscheiding van Saulus (wiens naam werd veranderd in Paulus) in Handelingen hoofdstuk 9.

De natiën waren van God vervreemd, terzijde gesteld door de vorming van de ene nieuwe natie.

Nu werd Israel van God vervreemd, terzijde gesteld door de vorming van de ene nieuwe mens.

Israel had zich aangesloten bij de rebellie van de natiën en Stefanus gaf het rechterlijk oordeel van God; ze waren …

“Stijfnekkigen en onbesnedenen van harten en oren“
(Handelingen 7:51;SW)

Israel had de bediening en inspanningen van God verworpen (verg. Jesaja 6:9,10). Zijn Zoon (Mattheüs 13:14,15) en daarna door Zijn Geest (Mattheüs 12:31,32). Met de uiteindelijke verwerping van Gods Geest had hun natie nationaal de onvergeeflijke zonde gepleegd. De natie was “verlicht” en had ”geproefd van de hemelse gift, en waren deelnemers aan heilige Geest.” Zij hadden het “goede woord van God geproefd en aan de krachten van de toekomende wereld”. Maar ondanks dit alles verwierpen ze de enige bron van hun nationale hoop “en maakten Hem tot een openlijke schande.” Het was nu voor deze generatie onmogelijk hen opnieuw tot bekering te brengen (Hebreeën 6:4-6; verg. Handelingen 28:27,27).

Zij hadden (1) God verworpen, (2) Gods Zoon, en (3) Gods Geest.

Drie slag en ze waren “out”! Na Israels lange geschiedenis met God, waren ze de natiën bijgevallen in ongeloof en rebellie.

Vandaag heeft God geen begunstigde natie; alle natiën van de aarde zijn nu heidense natiën!

“er is geen onderscheid. Want allen zondigden en hebben gebrek aan de heerlijkheid van God.”
(Romeinen 3:22,23;SW)

(Voor een diepere kijk op Israel leze men het boek van de auteur “God’s Holy Nation – Israel and Her Earthly Purpose”).




Noten:

(1) “God voorzag in een nieuwe natie door het zaad van Abraham. Hij had met deze natie een drievoudige bedoeling: (1) het zijn van kanaal voor het inkomende zaad van de vrouw die het beheer over de aarde zou doen terugkeren naar de mens, onder het hoofdschap van God. (2) Als een bewaarplaats voor Zijn waarheid op de aarde, zoals we lezen in Romeinen 3:1-2, en dan (3), als een nationale getuigen voor Hemzelf voor de natiën van de aarde, die van Hem afgekeerd waren. De natie Israel is altijd een belofte van betere dingen die op deze aard zullen komen, zoals ook de profeten al getuigden.” Eugene F. Rueweler. A Dispensational & Prophetic Bible Study That Answers the Question WHY WAR? (St. Louis Daily Radio Bible Class, n.d.) p. 10.

2. “Jakob verwekte de twaalf patriarchen” (Handelingen 7:8)

3. Richard Chevenix Trench, Dictionary of Obsolete English (New York Philosophical Library, 1958), p. 83.

4. Het Hebreeuwse woord dat met “oudsten” wordt vertaald, is door Strong(#2205) met “oud” vertaald. De KJAV vertalers gaven het woord weer met “ancient men” (oude mannen)(Ezra 3.12), “aged” (bejaard – Job 12:20), “eldest” (oudste – Genesis 24:2), “old” (oud – Genesis 18:11), “senators” (senatoren – Psalm 105:22 – waarvan wij ons woord senior gekregen hebben) en “utterly old” (zeer oud – Ezechiël 9:6).
“De term ‘elders’ werd zonder twijfel oorspronkelijk toegepast op de hoofden van families, op de oudste personen in stammen.” James M. Freeman, Manners & Customs of the Bible (Springdale, PA: Whittaker, 1996) p. 387.
“De basis betekenis van het Hebreeuwse en het Griekse woord voor oudste is ‘hoge leeftijd’.” Herbert Lockyer, editor Nelson’s Illustrated Bible Dictionary (Nashville, TN; Thomas Nelson,. 1986), p. 211.
Een oudste is iemand die “dankzij zij recht als eerstgeborene het hoofdschap van het huis van een vader opvolgde, van een familie, of van de stam zelf (1 Koningen 8:1-3; Richteren 8:14,16). In de gewone gang van zaken kwamen alleen mannen van hogere leeftijd in deze posities terecht, vandaar de benaming “oudste.” J.D. Davis, Illustrated Davis Dictionary of the Bible (Nashville, TN; Royal Publishers, 1898-1973), p. 211.

5. Ouders zijn ouders voor het leven, en de bescherming die zij leveren voor hun nakomelinge wordt steeds groter. De eer die zij ontvangen van hun kinderen is er een die ingesloten zit in hun erfenis. Wanneer mannen ouder worden, worden zijn aanzienlijke vaders, de vaders van vaders. In het oude Israel had ieder lotdeel van het land een dorp – een groep huizen waar een uitgebreide familiegroep leefde (3-5 geslachten), met hun bedienden, gehuurde knechten en hun families. Iedere man was hoofd van zijn eigen huishouding, maar de alles overheersende magistraat van dat bezit en allen die er op leefden was het leidende mannelijke lid. Over het algemeen was die man de oudste vader die de erfgenaam van dat land was. Zijn woord was wet. Het was hij die naar de stadpoorten ging om met de andere oudsten bijeen te komen als vertegenwoordiger van de familie.

Uiteraard was de grootvader geen tiran of despoot. Als hij dat al was, dan waren er Bijbelse wetten die met zijn zonden handelden. Hij bemoeide zich, in het algemeen, niet met de zaken van zijn volwassen kinderen of van bewoners. Hij had het overzicht over de zaken van het bezit. Hij had de hoogste heerschappij. Maar bovenal was hij er voor raadgeving en om te zitten als rechter bij familie vetes. Het doel van de Hebreeuwse opvoeding was kinderen te vormen voor de heerschappij over hun eigen bezittingen. De opvoeding eindigde niet bij het 18e levensjaar. Het was een gradueel proces van overdracht van macht.

Grootvaders beheerden binnen de familie het recht van beroep en hij was de vertegenwoordiger en de keurvorst voor de familie in de stadspoort. Het dorpsoudste zijn was niet onderschikt aan het stadsoudste zijn. Net zoals het gelijke kiesrecht van de verschillende Staten van de Senaat in de Verenigde Staten, stonden zij op gelijke voet, ongeacht de bevolkingen van hun wetgevende vergaderingen.

De verbinding tussen de private heerschappij binnen de familie thuis en binnen het familiebezit met de buitenwereld is het oudste zijn van de grootvader – James Wesley Stivers, Restoring the Foundations: Essays in Relational Theology, Patriarch Publishing House(2007). Pp. 59-60.




Terug naar de index.



Dit artikel is hier geplaatst met de toestemming van Clyde L. Pilkington Jr.
© www.hetbestenieuws.nl