Wanneer wij onze paspoorten nemen en een vreemd land bezoeken, dan zouden we altijd ons beste gedrag moeten tonen terwijl wij daar zijn. Omdat wij als gelovigen burgers van de hemelen zijn, betekent niet geen ontzag zouden moeten hebben voor de gezaghebbers van het vreemde land waarin we tijdelijk verblijven.
In Christus is er “geen slaaf en geen vrije” (Galaten 3:28;SW), maar toch draagt Paulus slaven op “onderschikt [te] zijn aan de eigen heren” (Titus 2:9;SW). In Christus is er “noch mannelijk noch vrouwelijk”(Galaten 3:28;SW), maar Paulus leert vrouwen nog steeds “onderschikt [te zijn]…. De vrouwen aan de eigen man” (Efeze 5:22;SW). In Christus zijn we hemelse burgers, maar Paulus staat er toch op dat we onderschikt zijn aan regeringen en gezaghebbers (Romeinen 13:1-7; Titus 3.1; verg. 1 Petrus 2:13-14).
Noah Webster definieert gezag als “kracht of recht om opdracht te geven of om te handelen.” Het zou duidelijk moeten zijn aan de gelovige dat het God Zelf is Die de Gezaghebber van het universum is. In feite is het Zijn gezag dat het enig natuurlijke en absolute gezag is. Al het andere gezag in het universum is gedelegeerd en afgeleid van het Zijne.
Wanneer God gezag delegeert is het een zeer serieuze zaak voor degenen aan wie het wordt toevertrouwd, en voor degenen die zich er aan onderschikken. Allen die door God met gezag worden bekleed, zijn dienaren van God, of dat nu gezag thuis is (Efeze 5:22-6:3; Kolossenzen 3:18-22), regeringsmacht (Romeinen 13:1-7; Titus 3.1; 1 Petrus 2:13-14) of op de werkplek (Efeze 6:5-7; 1 Timotheüs 6=1; Titus 2:9-10). Zij aan wie God gezag delegeerde zijn aanspreekbaar voor Hem voor dat gezag.
Het voornaamste antwoord op gezag is onderschikking. Het is de tegenhanger van gezag. Onjuiste houdingen ten opzichte van gezag zijn een belediging voor de bron van alle gezag – God Zelf.
Onderschikking is een afstotende term geworden in onze dagen. In het denken van velen heeft het vaak de klank van minderwaardigheid, zwakte, ongelijkheid, of zelfs slavernij en onderdrukking. Maar, onderschikking beschrijft in de hoofdzaak de manier waarop een relatie wordt geordend, gestructureerd en uitgevoerd. Onderschikking betekent niet dat iemand minder belangrijk of minderwaardig is. Het is van groot belang dat wij een helder begrip hebben dat onderschikking niet een zaak van “minderwaardigheid” is, maar gewoon een van “functie.”
Het Griekse woord voor onderschikken is hupotasso (hupo = onder, en tasso = op volgorde zetten). Onderschikking is de daad van toegeven aan het gezag van iemand anders. Het is het tegengesteld aan weerstand of verzet. Zoals in het geval van een verkeerslicht, is toegeven een daad van “voorrang verlenen” of “een ander het recht van voorrang verlenen.”
“En Hij [Jezus] daalde met hen (Jozef en Maria] af en kwam in Nazareth en was hen onderschikt”
(Lukas 2:51;SW)
De aard van onderschikking kan hier in dit vers duidelijk gezien worden. Christus Zelf stond onder gezag. Betekent dit dat Hij minderwaardig was aan Jozef en Maria? Nee! Waren zij beter dan Hij? ABSOLUUT NIET! Laten we het nog een keer zeggen: gedelegeerd gezag en onderschikking hebben niets van doen met minderwaardigheid en meerderwaardigheid, maar met functie!
Onderschikking is de door God verordende manier waardoor individuen met elkaar kunnen omgaan en op juiste wijze en ordelijk al hun daden, kundigheden, ideeën, wijsheid, talenten, opvoeding enz. kunnen kanaliseren.
Meer dan iets anders is onderschikking een houding van het hart ten opzichte van gezag. Zoals we in de laatste passage zagen, onderschikte zelfs Christus, toen Hij op Aarde was, Zich aan goddelijk ingesteld gezag.
Onderschikking en gehoorzaamheid dienen niet door elkaar gehaald te worden.*1) Onderschikking heeft in hoofdzaak met houding te maken. Gehoorzaamheid heeft, aan de andere kant, voornamelijk met inschikkelijkheid aan gezag te maken (dwz. met daden).
Watchman Nee duidt aan,
Wanneer gedelegeerd gedrag (mensen die Gods gezag vertegenwoordigen) en direct gezag (God Zelf) met elkaar in conflict komen, kan men zich onderschikken maar niet gehoorzaam zijn aan het gedelegeerde gezag.*2)
Gehoorzaamheid wordt vaak ingewikkeld gemaakt door de complexe, veel lagige regeringen die in westerse samenlevingen vaak voorkomen.
Voorbeeld: In de Verenigde Staten heeft men lokale, county , staat en federale instellingen en gezaghebbers, om maar niet de internationale te noemen, zoals de Verenigde Naties. Deze instellingen of gezaghebbers kunnen niet altijd in harmonie zijn. Hoe zou het ook kunnen, met honderden miljoenen wetten in de boeken, letterlijk dagelijks toenemend en miljoenen regeringsambtenaren?
Er is ook het mogelijke conflict tussen regeringsdocumenten en de persoonlijke richtlijnen door gezaghebbende regeringsvertegenwoordigers. Wat nu als een individu (zoals een president, een gouverneur, een ambtenaar, een politieagent enz.) of een groep individuen (zoals het parlement, een bureau, een comité, een raad, een directie enz.) die met macht zijn bekleed, van ons daden verwacht die tegen regeringsdocumenten in gaan (zoals de grondwet, een andere wet, de “Bill of Rights, enz.)?
We spreken hier zeker niet over slechts hypothetische gevallen. Absolute gehoorzaamheid aan menselijke gezaghebbers is zo nu en dan onmogelijk. Zoals een bron stelt,
Er zijn zoveel wetten over misdaden, de kans dat je er één tijdens je leven breekt zo astronomisch, dat het DNA er doet uitzien als eenvoudige wiskunde! (*3)
Indien iemand absolute gehoorzaamheid aan alle menselijke gezaghebbers bepleit, dan, wanneer zulke gezaghebbers met elkaar van mening verschillen, is de vraag: welke methode kan duidelijk vanuit de paginas van de Schrift worden getoond om zulk een conflict op te lossen?
Zij die bekend zijn met de Schrift weten dat het woord “god”*4) een breed gebaseerd woord is – het is de titel van een magistraat. Wanneer we het gebruiken met een hoofdletter “G”, verwijzen we naar de allerhoogste Magistraat – “God.” Wanneer het wordt gebruikt met een kleine “g”, dan is het een verwijzing naar een mindere magistraat – een onder “God.” Dat is de reden waarom God dit gebod aan Israel gaf,
“Er komen bij jullie geen andere elohims [goden] voor Mijn aangezicht”
(Exodus 20:3;SW)
De zaak is niet dat Israel geen andere “goden” konden hebben die ze eerden, of gehoorzaamden. De zaak was dat er geen vóór Hem kon zijn. We zien dit benadrukt in de Concordant Literal Old Testament as
“There shall not come to be other elohim for you in preference to Me.”
(Dit “in preference” heeft met “voorkeur geven aan” te maken.Vertaler)
Hij, en Hij alleen, moest Israels “God” zijn, met een hoofdletter “G”. Uiteraard delegeerde Hij onder hen die het gezag zouden hebben van een lagere magistraat.
“Jullie zijn elohims en jullie zijn allen zonen van de Allerhoogste”
(Psalm 82:6;SW)
We leren in dit alles een simpel principe. Hoewel er andere magistraten zijn (dwz. “goden”) op Aarde, kan geen van hen een plaats vóór Hem innemen, de Allerhoogste Magistraat – “God.” Daarom, wanneer er een direct conflict is (door God verordend, natuurlijk!), tussen een lagere magistraat en de Hoogste Magistraat, dan zullen we buigen voor de Hoogste en Hem gehoorzamen, ook al betekent het dat we de lagere ongehoorzaam moeten zijn. Zij mogen dan een “god” zijn, maar zij zijn niet de “God.” Alleen God kan onze hoogste trouw, aanbidding en gehoorzaamheid bezetten. Alle andere “goden” zijn aan Hem onderworpen. Daarom, indien Gods onthulde wil voor de gelovige tegengesteld is aan de wil van aardse gezaghebbers, is dat omdat Vader een getuigenis verlangt dat door Zijn gekozenen gegeven dient te worden, een demonstratie van de dwaasheid van de mens om in contrast gesteld te worden met Zijn wijsheid en suprematie.
Hoewel onderschikking aan aardse gezaghebbers duidelijk in de Schrift wordt geleerd, bepleiten sommigen dat die ook absolute gehoorzaamheid vereist. Dat is niet het geval.
De belangrijkste passages die gewoonlijk worden gebruikt om zo’n standpunt te verdedigen zijn Romeinen 13:1-7; Titus 3.1 en 1 Petrus 2:13-14. In alle drie passages is het onderwerp “onderschikking” en niet “gehoorzaamheid.”
“Laat iedere ziel onderschikt zijn … onderschikt te zijn”
(Romeinen 13:1,5;SW).
“onderschikt te zijn”
(Titus 3:1;SW)
“onderschikt zijn”
(1 Petrus 2.13;SW)
In elk van de bovenstaande gevallen is het woord “onderschikt” het Griekse woord hupotasso. Zoals eerder opgemerkt, is het een samengesteld woord: hupo – dat “onder” betekent, en “tasso” dat “ in volgorde zetten” betekent; dus: “in volgorde zetten onder.”
Hier zijn een paar bronnen in verband met hupotasso:
ONDER-ZET (Concordant Keyword Concordance)
Zich onderschikken (James Strong #5293)
Zich voegen onder (Josepg Thayer)
In hoofdzaak een militaire term, onder rangschikken (W.E. Vine)
Zich in rangorde opstellen (Robert Young)
In volgorde plaatsen, plaatsen op ordelijke wijze (Spiros Zodhiates).
Hupotasso geeft orde en structuur aan. Zoals een lexicon stelt:
Het betekent ten eerste de exacte plaats aanvaarden die God heeft toegewezen, je rang houden in de een of andere gemeenschap.*5)
Daarom verhoudt het gebruik van hupotasso in de Griekse Schrift zich met onderschikking, niet met gehoorzaamheid. Laten we een paar van de andere relaties overwegen die hupotasso beschrijft. In Romeinen 13 staat hupotasso in de middle voice,*6) net zoals in al deze volgende passages:
Gelovigen onderschikken zich aan elkaar (Efeze 5:21)
Vrouwen onderschikken zich aan hun echtgenoten (Efeze 5:22; Kolossenzen 3:18; Titus 2:5; 1 Petrus 3;1,5)
Dienaren onderschikken zich aan hun meesters (Titus 2:9; 1 Petrus 2.18).
In elk van deze gevallen, beschrijft hupotasso de manier waarop een bepaalde relatie wordt geordend of gestructureerd. Er dient een onderschikkende geest van eer te zijn, respect en eerbied; maar zou iemand serieus willen beweren dat in één van deze absolute gehoorzaamheid thuishoort?
Hoewel gelovigen zich aan elkaar dienen te onderschikken, vrouwen aan hun mannen, en dienaren aan hun meesters, betekent dit op enige manier dat gelovigen elkaar absoluut zouden gehoorzamen, dat vrouwen hun mannen absoluut gehoorzamen en dat dienaren hun meesters absoluut gehoorzamen – elk zonder enige uitzondering? ZEER ZEKER NIET!
Indien een man zijn vrouw vraagt hun kinderen te doden, zou zij dan moeten gehoorzamen?
Iemand kan tegenwerpen dat dit maar een hypothetisch voorbeeld is, maar dat is het niet. Er zijn boosaardige mannen, die steeds erger en erger worden (2Timotheüs 3:13), die gezag uitoefenen op alle niveaus van onderschikking (hupotasso); zij zijn boosaardige magistraten, boosaardige echtgenoten en boosaardige meesters.
Tegengesteld aan wat velen geloven en leren, is er niet zoiets als absolute gehoorzaamheid wanneer het aankomt op menselijk gezag. Zulk een gehoorzaamheid heeft altijd z’n beperkingen. Er zijn geen andere “goden” voor “God.”
“Men moet aan God meer gehoorzaam zijn dan aan mensen”
(Handelingen 5:29;SW)
Wij behoren hen die gezag dragen te eren en respecteren, omdat zij “Dienaren van God zijn”. Wij zouden ons aan hen moeten onderschikken. Maar terwijl een hartshouding van onderschikking aan menselijk gezag absoluut is, is gehoorzaamheid dat niet.
Wanneer de dictaten van de staat in conflict zijn met de duidelijk leer van de Schrift, dan krijgt een ander Bijbels principe voorrang.
“Laat iedere ziel onderschikt zijn” is door velen verkeerd verstaan, want er wordt niet gezegd: “Laat iedere ziel gehoorzaam zijn,” en er is een verschil.*7)`
Paulus houdt zich hier niet bezig met het probleem van wat de Christen moeten doen wanneer de staatsgezaghebbers hem opdragen dingen te doen die in tegenstelling zijn met zijn loyaliteit aan Jezus Christus.*8)
Er is zeker een punt waar voorbij wij geen gehoorzaamheid moeten geven aan heersers of aan iets anders dan aan God. Indien zij van ons zouden vragen wat alleen van of voor God is – aanbidding, bijvoorbeeld, zoals in het geval van Daniël of zijn drie vrienden – dan moeten we hartgrondig weigeren.*9)
Wanneer de dictaten van de staat in conflict zijn met de heldere leer van de Schrift, krijgt een andere Bijbels principe voorrang: “Men moet aan God meer gehoorzaam zijn dan aan mensen” (Handelingen 5:29;SW). Om precies deze reden zijn doorheen de geschiedenis Christenen hun geboorteland ontvlucht en hebben zelfs hun levens verspeeld.*10)
Hoewel de gelovige niet kan instemmen met een bepaalde filosofie of politiek van zijn natie, dient hij wel een goed burger er van te zijn. Zolang een wet niet zijn geweten voor God schendt, zou de Christen die moeten gehoorzamen. Ook wanneer hij zo’n wet weerstaat, zou hij voorbereid moeten zijn de gevolgen van zijn trouw aan God te verdragen.*11)
Jezus stelde in deze een precedent, want hoewel Zijn woorden, “Geeft de Caesar wat van Caesar is en aan God wat van God is” (Marcus 12:17;SW) gesproken werden met verwijzing naar het betalen van de belasting, drukken zij toch een principe uit van een meer algemene toepassing …. Wanneer Caesar goddelijke eer opeist, dan moet het antwoord van de Christen “Nee!” zijn. … Christenen zullen hun “Nee!” tegen Caesar met meer effect laten horen als zij zich bereid getoond hebben “Ja!” te zeggen op al zijn gezaghebbende vereisten.*12)
Men moet het geweten niet ongehoorzaam zijn bij het onderschikken aan burgerlijke gezaghebbers. Zonder een rebel te zijn kan men weigeren te doen wat men als verkeerd beschouwd, maar hij moet geduldig de straf ondergaan.*13)
De rechten van het geweten zijn heilig en mogen nooit beperkt worden door de burgerlijke magistraat. Alleen God is Heer over het geweten. … Dat dit de ware leer van de Schrift is wordt duidelijk uit het voorbeeld van Daniël, Shadrach, Meshech en Abednego, en van alle apostelen zelf, die openlijk verkondigden, “Men moet aan God meer gehoorzaam zijn dan aan mensen” (Handelingen 5:29;SW).*14)
De gehoorzaamheid die de Schrift ons oplegt om te geven aan onze heersers, is niet onbeperkt; er zijn gevallen waarin ongehoorzaamheid een taak is.*15)
We zijn bekend met de Schriftuurlijke zinsnede “gehoorzaamheid van geloof,” maar er zijn vele eerbare voorbeelden in de Schrift van de Ongehoorzaamheid van geloof.
Het is zeer wel mogelijk zichzelf aan gezag te onderschikken en tegelijkertijd ongehoorzaam te zijn aan een specifiek bevel. Er is wijdverspreid Schriftuurlijke getuigenis voor de ongehoorzaamheid van gelovigen aan aardse gezaghebbers als een extreme uitdrukking van hun geloof. We zullen een paar bekijken.
De Hebreeuwse vroedvrouwen (Exodus 1:15-22)
De koning van Egypte eiste van de vroedvrouwen dat zij de mannelijke kinderen die in hun zorg waren zouden doden. Shifrah en Puah weigerden en “Maar de vroedvrouwen vrezen de Elohim, en zij deden niet zoals hij, de koning van Egypte, tot hen sprak. En zij hielden de jongens in leven … En Elohim doet goed aan de vroedvrouwen”.
Rachab (Jozua 2)
De koning van Jericho gaf Rachab opdracht de verspieders van Israel aan hem over te dragen. Ze was rechtstreeks ongehoorzaam aan het bevel door ze te verbergen en te helpen te ontsnappen. Voor het feit van haar ongehoorzaamheid van geloof, wordt ze nu vereerd in de Hebreeuwse “Hall of Faith.”
“Door geloof verging Rachab, de prostituee, niet met de koppigen, de spionnen met vrede ontvangend (Hebreeën 11:31;SW) en hen wegsturend via een andere weg”(Jakobus 2:25;SW)
De soldaten van Israel (1 Samuël 14:24-30; 43-45)
De soldaten van Israel waren ongehoorzaam aan de koning, weigerend de onschuldige Jonathan te doden.
Obadja (1Koningen 18:4, 13-15)
Toen koningen in Jezebel Gods profeten aan het doden was, verborg en beschermde Obadja honderd van hen.
De “Drie Hebreeuwse kinderen” (Daniël 3:1-7, 12-18)
Shadrach, Meshach en Abednego weigerden zich te voegen naar het bevel van koning Nebukadnessar om het gouden beeld dat hij had gemaakt te aanbidden.
Daniël (6:6-11, 16-28)
Daniël was ongehoorzaam aan koning Nebukadnessar’s dertig dagen verbod op gebed tot God.
De wijze mannen (Mattheüs 2:8,12)
De Magi waren ongehoorzaam aan het bevel van koning Herodes. Het is interessant dat het God Zelf was Die hen opdroeg ongehoorzaam te zijn. Herodes vertelde hen het ene te doen, God vertelde hen iets anders. De wijze mannen waren ongehoorzaam aan Herodes en gehoorzaam aan God.
Wanneer zij die menselijk gezag dragen bevelen uitvaardigen die tegengesteld zijn aan die van God, dan is het duidelijk God, en niet de mens, die gehoorzaamd dient te worden.
Petrus en Johannes (Handelingen 4:1-21; Handelingen 5:17-18, 26-29)
Toen de leiders van Israel (4:5,8) bevolen dat Petrus en Johannes op moesten houden met hun onderwijs (4:18), antwoordden zij:
“Maar Petrus en Johannes, antwoordend, zeiden tot hen: Als het juist is voor de ogen van God meer naar jullie te luisteren dan naar God, oordelen jullie dan! Want wij zijn niet in staat niet te spreken van wat wij waarnemen en van wat wij horen” (Handelingen 4:19,20;SW)
Sommigen beweren dat de apostelen alleen aan religieuze mandaten ongehoorzaam waren en niet die van de regering. Zij die proberen zulk een onderscheid te maken begrijpen de aard van Israel niet, noch hun status onder de Romeinse heerschappij. Israel functioneerde als een religieus-politieke eenheid, onder het gezag van het Romeinse Rijk. Deze heersers van Israel voor wie Petrus en Johannes moesten verschijnen, waren werkzaam onder Romeins gezag. Dat is de reden waarom , toen hun bevelen werden overschreden, zij het gezag hadden de apostelen te arresteren en hen in de gevangenis te zetten (5:18).
Dit is het zelfde type van religieus-politieke eenheid dat de gelovigen tegemoet traden in de donkere Middeleeuwen.
Toen Maarten Luther verscheen voor de Diet van Worms, stond hij voor het burgerlijk-kerkelijk gezag. Toen hij weigerde zijn woorden te herroepen, weerstond hij de wet. Gevraagd door de Inquisiteur, “Geeft u toe dat deze boeken door u zijn geschreven? Zult u deze boeken en hun inhoud terugnemen of volhardt u in de dingen die u naar voren heeft gebracht?” antwoordde hij,
Tenzij ik door de Heilige Schrift overtuigd kan worden van een fout, kan noch durf ik iets terug te nemen, want mijn geweten wordt gevangen gehouden door Gods Woord. Hier sta ik, ik kan niet anders; God helpe mij. Amen.
Paulus, onze apostel
Voor sommigen schijnt er nogal een onoverbrugbaar verschil te zijn tussen wat zij menen wat Paulus’ leer van absolute gehoorzaamheid is en zijn regelrechte leven van burgerlijke ongehoorzaamheid. Zeker, als iemand de betekenis van Romeinen 13:1-7 en Titus 3:1 kent, dan zou het wel de auteur er van zijn, Paulus. Hij geloofde duidelijk niet dat zij een soort absolute gehoorzaamheid aan aardse magistraten sanctioneerden. Paulus had een lange geschiedenis van aanvaringen met de wet. Hij werd herhaaldelijk in de gevangenis gezet en uiteindelijke door burgerlijke gezaghebbers geëxecuteerd.
Het Christendom werd publiek illegaal verklaard in Rome. Hoe meer Paulus het onderscheid predikte van zijn evangelie, hoe meer hij zich distantieerde van het Judaïsme, des te meer verloor hij zijn “legale” paraplu van “religieuze vrijheid.” Iedere keer dat Paulus zijn geheimenisevangelie predikte, zorgde hij voor weer een nagel aan zijn doodskist. Paulus’ evangelie was illegaal!
Merrill C. Tenney (1904-1985) beschrijft voor ons de situatie waarin Paulus zich bevond:
[Cornelius] Tacitus (56-117), schrijvend over de tijden van Nero, noemt Christenen “vijanden van het menselijk ras” (Annalen xv. 44).
Het Judaïsme was een religo licita (legale religie), en de Christenen, als sekte van het Judaïsme, genoten het voorrecht van bescherming … [Maar toen] zij openlijk gescheiden werden van het Judaïsme [door de aparte bediening van Paulus], werden ze een religio illicita [illegale religie], zonder officiële positie, zelfs niet het recht om te bestaan. Ze waren onderhevig aan vervolging als de magistraten een aanvaardbare reden vonden om hen lastig te vallen, en zij konden geen immuniteit opeisen of herstel.*16)
Robert H, Gundry schrijft ook:
De Romeinse regering beschouwde het Christendom nog als een tak van het Judaïsme en daarom als een religio licita (legale religie). De Romeinse politiek was om vrijheid te schenken aan alle bestaande religies in het Rijk, maar nieuwe religies uit te bannen uit vrees voor de sociale beroering die door hun invasie zou kunnen ontstaan. Alleen op een latere datum, wanneer de Romeinen zich er van bewust werden dat het Christendom anders was dan het Judaïsme, deden zij het Christendom in de ban als een religio illicita (illegale religie).*17)
Er zijn zeldzame gelegenheden waarbij enkele gelovigen, in enkele steden, in enkele generaties, door hun eigen geweten zich gedwongen zagen aardse magistraten ongehoorzaam te zijn. Deze actie zou nooit te licht opgevat mogen worden – het is een serieuze zaak waarbij het geloof van een gelovige zwaar getest zou worden door hen die het zwaard niet tevergeefs dragen.
Er zijn, echter, ergere dingen dan ongehoorzaamheid aan de mens. Hoewel de gelovige, in zulke situaties, altijd alles zou moeten doen wat in zijn macht is om vredig, vriendelijk, zachtmoedig en meewerkend te zijn – alle eer en respect tonend aan de magistraten – de ultieme Magistraat is God, aan Wie absolute gehoorzaamheid gegeven moet worden.
Wij zijn geroepen tot de bediening van verzoening en moeten niet hen tegenwerken die God goed heeft gevonden om boven ons te staan in enige zaak die niet ons geweten overtreedt.
Unsearchable Riches
Jaargang 10, 1918
Zoals met de vele voorbeelden die eerder werden gegeven, waar gelovigen voor de gezaghebbers stonden voor hun aardse ongehoorzaamheid, kan er gelegenheid zijn voor een niet te vergelijken getuigenis voor God. Er is iets buitengewoon krachtigs in de nederige, niet-weerstand biedend aanwezigheid van geloof, dat, met een helder geweten voor God, een magistraat recht en onbeschaamd in de ogen kan kijken en met vrijmoedigheid woorden als deze kan spreken:
“Zou het echt gebeuren, onze Eloah, Die wij dienen, is in staat om ons te verlossen van de gloeiende vlam van de oven en uit uw hand, koning, zal Hij ons verlossen. En indien niet, het zal u bekend zijn, koning, dat wij uw elohim echt niet dienen. En het beeld van goud, dat u oprichtte, zullen wij niet dienen."
(Daniël 3:17,18;SW)
“Maar Petrus en Johannes, antwoordend, zeiden tot hen: Als het juist is voor de ogen van God meer naar jullie te luisteren dan naar God, oordelen jullie dan! Want wij zijn niet in staat niet te spreken van wat wij waarnemen en van wat wij horen”
(Handelingen 4:19,20;SW)
“Men moet aan God meer gehoorzaam zijn dan aan mensen”
(Handelingen 5:29;SW)
Tenzij ik door de Heilige Schrift overtuigd kan worden van een fout, kan noch durf ik iets terug te nemen, want mijn geweten wordt gevangen gehouden door Gods Woord. Hier sta ik, ik kan niet anders; God helpe mij. Amen.
Noot.
1. “Onderschikking … zou niet verward moeten worden met gehoorzaamheid.” Ceslas Spicq, Theological Lexicon of the New Testament, jaargang 3, p.424
2. Watchman Nee, Spiritual Authority, p. 107
3. Answers.com. Answers Corporation
4. Hebreeuws: Elohim (Strong’s #430 – goden in gewone betekenis; maar specifiek gebruikt voor de allerhoogste God; bij gelegenheid toegepast als middel van achting voor magistraten; en soms als een superlatief). Grieks: Theos (Strong’s #2316 – een godheid, in het bijzonder (maar niet exclusief) voor de allerhoogste Godheid; figuurlijk, een magistraat.
5. Ceslas Spicq, Theological Lexicon of the New Testament, Jaargang 3, p. 426
6. “in de ‘middle voice’ wordt de onderschikte, min of meer, betrokken bij de actie (Concordant Keyword Concordance); betekenis: in het geval van hupotasso, “zichzelf in onderschikking plaatsen” – Spiros Zodhiates, The Complete Study Dictionary: New Testament.
7. R.E. Rhoades, The Apostle Paul’s Letter to the Romans, p. 286
8. James D. Smart, Doorway to a New Age: A Study of Paul’s Letter to the Romans, p.161
9. L.M.Grant, Comments on the Book of Romans, p. 134
10. Thoralf Gilbrant, The New Testament Greek-English Dictionary, volume 16, p. 391
11. Hershel H. Hobbs, Romans: A Verse Study; p. 153
12. F.F.Bruce, The Epistle to the Romans, pp. 233,234
13. Charles R. Erdman, The Epistle of Paul to the Romans, p. 152
14. William S. Plumer, Commentary on Romans, p.589
15. Charles Hodge, geciteerd door William S. Plumer, Commentary on Romans, p.589
16. Merrill C. Tenney, Exploring New Testament Culture: A Handbook of New Testament Times, pp.125, 303.
17. Robert H, Grundy, A Survey of the New Testament,(1978), p. 236
Terug naar de index.