Deze zijn alle nauwkeurig ontworpen tegenstellingen uit Gods hand – en vergis u niet, deze tegenstellingen zijn alle Zijn schepping. Ze zijn Zijn stevig gegrondveste methoden voor ons onderwijs.
God gebruikt tegenstellingen om ons naar goddelijke kennis te brengen en naar een echte waardering van Wie Hij echt is, zodat wij met vreugde en dankzegging alles wat uit Zijn weldadige aard voortvloeit kunnen waarderen. In dit principe van tegenstellingen zullen we uiteindelijk de antwoorden vinden op al onze levensvragen.
Indien wij ons dit principe bewust kunnen worden, kunnen we leren diep adem te halen en te ontspannen.
A.E.Knoch (1874-1965), in zijn klassieke werk, The Problem of Evil (Het probleem van het kwaad), helpt ons de goddelijke noodzaak voor zulke tegenstellingen te begrijpen.
Voordat ze zondigden hadden Adam en Eva geen kennis van het goede. Het goede was overal om hen aanwezig, ongemengd met kwaad. Gezondheid, kracht, eer, kameraadschap met elkaar en met God was hun voortdurende bezit en voorrecht. Toch kenden ze niets van de zegen van deze weldaden. Dit leren we uit de naam die werd gegeven aan de boom die de verboden vrucht droeg. In het denken van velen suggereert hij eerder alleen de kennis van kwaad, dan ook van goed. Toch was het bovenal de boom van de kennis van (het) goed(e) (Gen. 2:9, 3:4-14).
Zo wordt ons helemaal aan het begin van Gods openbaring het principe gegeven dat de sleutel vormt tot het oplossen van de grote problemen die ons het meest in verwarring brengen. En wel dit: Onze kennis is relatief: het is op contrast gebaseerd. De kennis van goed hangt af van de kennis van kwaad. Daarom was de boom in de hof niet louter het middel tot het kennen van het kwade, wat we gewoonlijk denken; het was in de eerste plaats het middel tot kennis van het goede. Adam en Eva hadden het goede, maar ze realiseerden zich dat niet want ze hadden geen ervaring met kwaad.
In die volmaakte hof van Eden ontbrak het ten zeerste aan het ene element dat het meest dierbaar voor Gods hart was. Adam begreep Gods goedheid niet, ja, kon die niet begrijpen. Er is niets dat wijst in de richting van waardering, dank, verering of aanbidding van de kant van Adam. Hij ontving alles als een vanzelfsprekende zaak en was totaal niet in staat tot onderscheid of respons, zelfs niet ten opzichte van die goddelijke liefde die aan het oppervlak van Zijn goedheid ligt. Als wij plotseling zouden worden omgevormd in heerlijke zondeloze wezens en worden overgebracht naar zo'n toneel van landelijke volmaaktheid, zouden we juichen en de bewerker van ons geluk prijzen. Maar Adam deed dat niet. Hij kende geen vreugde, want hij kende geen ellende. Hij kende geen goed, want hij kende geen kwaad.
Dit punt is bijzonder belangrijk, en we onderstrepen het omdat het door iedereen wordt genegeerd en verkeerd schijnt te worden voorgesteld. De hof van Eden is een symbool van volkomen geluk geworden. Ons wordt altijd de heerlijkheid ervan voorgespiegeld, en het geluk van het eerste mensenpaar is spreekwoordelijk geworden. Toch is er niet de minste reden om aan te nemen dat Adam het zo geweldig vond of het hem toegeschreven geluk genoot.
Alleen het bezit van het goede geeft nog geen kennis of realisering daarvan. Zelfs vandaag, terwijl er zoveel kwaad is om met het goede te contrasteren, waarderen velen hun zegeningen pas als ze die verliezen. Adam had een perfecte gezondheid, maar wat betekende dat voor iemand die nog nooit zelfs maar van ziekte had gehoord? Hij had voedsel in overvloed, maar het betekende niets voor hem, die nog nooit honger had geleden. Zelfs vreugde sprak hem niet aan omdat hij nooit pijn had gekend.
Het rampzalige tekort te midden van al Edens perfectie was de volkomen afwezigheid van enig teken van lof of dankbaarheid. Geen goed kennend, en volkomen onbekend met barmhartigheid of genade, was Adams hart absoluut niet in staat tot liefde, aanbidding of verering. Gods goedheid ontving niet het minste antwoord, omdat ze onbekend was. Alles wat Hij Adam geschonken had wekte in hem niet de genegenheid waarnaar Hij verlangde, het doel van al Zijn gaven.
Hoe kon dit ernstige gebrek verholpen worden? Er was maar één manier, en daarin was in Gods wijsheid voorzien door de boom die Hij in het midden van de hof plaatste. Hadden Adam en Eva het goede gekend dan zouden ze Gods goedheid als een schat hebben gekoesterd en deze nooit hebben verspeeld door Zijn gebod ongehoorzaam te worden. Echter, toen ze wel van de boom aten, zetten ze juist die krachten in beweging die het gebrek zou verhelpen dat maakte dat ze het deden. Welk een goddelijke wijsheid zien we hier tentoongesteld! Gods zegeningen miskennend, krenken ze Hem door hun daad en tegelijkertijd plaveien ze daarmee de weg naar een waardering die beiden tevreden stelt. Liefde smeed wonderlijke plannen!
Als Adam nooit gezondigd had zou hij een neutrale, een met waarneming uitgeruste kluit aarde zijn geweest, ongeschikt voor de kameraadschap van zijn Schepper. Van één ding kunnen we zeker zijn. Hij zou nooit kwaad hebben gekend. En we kunnen er even zeker van zijn dat hij nooit goed zou hebben gekend. Hij zou God niet hebben vervloekt vanwege de zonde, noch zou hij Hem hebben gedankt voor Zijn weldaden, noch Hem hebben aanbeden vanwege Zijn genade. Hij zou volkomen hebben gefaald om het doel van zijn schepping te vervullen. We moeten ons altijd in acht nemen dat de boom van de kennis van goed en kwaad een dubbele functie had. Niemand vergeet dat hij de kennis van kwaad bracht. Maar hij was in de eerste plaats de boom van de kennis van goed. Adam had geen waardering voor het goede waarmee hij werd omringd. Omdat hij niets anders kende, was het geen goed voor hem. Hij ontving het als een vanzelfsprekende zaak, zonder een gedachte van dankbaarheid.
Adam kon onbeperkt hebben doorgeleefd in zo'n ongewaardeerd paradijs, maar dat zou een onnoemelijk verlies voor zichzelf en Zijn Schepper zijn geweest. Hij zag alleen Gods hand, Zijn hart bleef verborgen. Er moet een of ander middel worden gevonden om een antwoord van Adams hart op de Goddelijke verlangens op te wekken. Hij moet leren om het goede te waarderen. Hoe kan dit worden bereikt?(
Het is opvallend en vol van betekenis, dat de boom waarvan Adam at geen latere overweging van God was. Adams negeren van het goede leidde niet tot het planten ervan. Hij was al volgroeid en vruchtdragend. Bovendien was hij niet verborgen in een uithoek, in ondoordringbaar struikgewas, onbenaderbaar en onaantrekkelijk. Hij stond juist in het midden van de hof, toegankelijk en in elk opzicht begeerlijk. Als het er alleen om ging Adam te weerhouden de vrucht ervan te eten, had hij eenvoudig verwijderd kunnen worden. Of nog eenvoudiger, hij had nooit geplant hoeven worden. God alleen was verantwoordelijk voor alle omstandigheden van Adams overtreding.
Maar het is van nog grotere betekenis dat hij twee onscheidbare functies in zich verenigde. Misschien zouden wij liever één boom hebben gehad om de kennis van het goede te leren en een andere om ons in de kennis van het kwade in te wijden. Doch dit is vanuit de aard der dingen onmogelijk. Wij kunnen proberen ons een idee van licht te vormen zonder duisternis erbij te betrekken, maar dat blijkt onmogelijk te zijn. Licht kan alle duisternis verdrijven, doch het kennen ervan steunt op z'n tegenpool. Evenzo kan door menselijke wezens het goede niet worden gekend los van het kwade.(*2)