“Jullie zelf weten dat voor mijn behoeften, en van die met mij zijn, deze handen mij dienstbaar zijn”
(Hand. 20:34;SW)
Werk is zoveel meer dan een manier van geld verdienen. Het is de gelegenheid voor God om Zijn leven in ons uit te leven. Werk is een deel van Zijn plan voor ons. Uiteindelijk is God onze Werkgever, omdat we in werkelijkheid voor Hem werken.
Zelfs Paulus, de apostel van de natiën(Rom. 11.13), werkte en wel met zijn eigen handen.
“En wij zwoegen, werkend met eigen handen”
(1Kor. 4:12;SW)
Paulus liep weg van zijn “mest” religie. Hij achtte het alles “schade” vanwege Christus (Filip. 3.7). Het was ecclesiastaal afval. In het proces verloor hij zijn “professionele bediening.” Paulus nam het maken van tenten ter hand als levensonderhoud (Hand. 18:1-3). Daarmee leerde hij ons de goddelijke waarde en het doel van werken.
Ook wij zijn een soort “tentenmakers.” Dat wil zeggen: we werken met onze eigen handen om in ons levensonderhoud te voorzien. “Tenten maken” vindt in ieder van ons z’n eigen vorm. Het maakt weinig uit, in het goddelijk perspectief van zaken, wat nu de bijzondere details zijn van ons eigen “tenten maken.” Het belangrijkste is dat we “tenten maken.”
Ons beroep is voor God niet hoger of doet Hem meer genoegen dan welk ander. Alle werk heeft betekenis als het voor de Heer wordt gedaan. Het leven van God in ons maakte alle dingen die we doen heilig.
Hoewel Paulus in zijn onderhoud voorzag door het maken van tenten, is dat niet wat zijn leven bepaalde. Hij was niet “Paulus, de tentenmaker.” Nee, hij werd bepaald door de hemel in het licht van zijn goddelijke roeping: “Paulus, de apostel.” Hij maakte alleen tenten opdat hij het werk van een apostel kon doen.
Als gelovigen moeten we ons “wereldse” werk als goddelijk beschouwen – “als voor de Heer” (Efe. 6:5-8; Kol. 3:22-24; Titus 2:9,10). Zo is ieders beroep een hoge roeping van God (Efe. 4:19). Zoals William Carey (1761-1834) eens zei: “Het is mijn werk het evangelie te preken, en ik ben schoenmaker om mijn rekeningen te betalen.”
Vaak wordt op de man die Gods Woord verkondigt neergekeken, alsof hij niet echt is als hij geen religieus salaris ontvangt. Het is verbazingwekkend hoe zaken zijn omgedraaid. Het is een feit dat Paulus niet “te koop” was. Nee, hij was de slaaf van Jezus Christus, die als nederig werkman in zijn onderhoud voorzag.
Watchman Lee geeft zijn eigen getuigenis:
“Paulus werkte met zijn handen, tenten makend, om zowel zichzelf als die met hem waren te ondersteunen. Hij werkte om zijn jonge medewerkers te kunnen helpen. Dit geeft aan dat Paulus’ weg niet die was van de hedendaagse geestelijkheid, die van het preken een beroep maakt” – Life – Study of Acts, p. 479.
Paulus herinnert ons er aan dat ook wij een hemelse roeping hebben. Hij dringt er bij ons op aan waardig te wandelen naar de roeping waarmee we geroepen werden. We moeten niet wat we doen voor levensonderhoud verwarren met het doel van onze goddelijke roeping. De omstandigheden van onze aardse werkzaamheden zijn niet meer dan het achterdoek van Gods werkzaam zijn in onze levens. Ze zijn het toneel van de Meester Artiest.
Iedere gelovige is groepen tot een “full time” bediening in de context van het persoonlijke dagelijkse leven. We zijn allemaal kleine zelfstandigen in voltijdse dienst. Ieder gebied en ieder aspect van het leven horen Hem toe. Wat ook de omstandigheden van het leven om ons heen zijn, wat ook welk aards beroep we gebruiken om te voorzien in wat wij en die van anderen rondom ons nodig hebben, we hebben een goddelijke roeping waarmee we geroepen zijn.
Wij hebben de heerlijke gelegenheid om onze levens te leven voor de Heer, Hem dienend in de context van “tenten maken”. Vaker wel dan niet kan deze context het uiterlijk hebben van een monotone, dagelijkse routine, maar het leven van God, z’n volle baan lopend in onze dagelijkse omstandigheden, zal onze levens alles behalve monotoon en routineus maken.
“Want jullie zelf hebben waargenomen hoe het hoort ons te imiteren, omdat wij niet ordeloos zijn onder jullie, noch aten wij genadevol gegeven brood bij iemand, maar met zwoegen en arbeid, nacht en dag, werkend om niemand van jullie tot last te zijn. Niet dat wij geen recht hebben, maar opdat wij onszelf als voorbeeld mogen geven aan jullie, ter imitatie van ons. Want ook toen wij bij jullie waren, droegen wij dit aan jullie op, dat indien iemand niet wil werken, laat hem ook niet eten! Want wij horen dat sommigen onder jullie ordeloos wandelen, niet werkend, maar zich overal mee bemoeiend. Maar aan zulken dragen wij op en bemoedigen wij in de Heer, Jezus Christus, dat werkend met rust, zij het eigen brood mogen eten”
(2Thess. 3:7-12;SW)
“Slaven, weest gehoorzaam aan de heren naar het vlees, met vrees en beven, in eenvoud van jullie harten, als aan Christus, niet naar ogenslavernij, als mensenbehagers, maar als slaven van Christus, doende de wil van God vanuit de ziel, met goed gemoed slavend als voor de Heer en niet voor mensen, waargenomen hebbend dat al wat een ieder goed zou doen, dit zal hij terugontvangen van de Heer, hetzij slaaf, hetzij vrije”
(Efe. 6:5-8;SW)
Dit is een verbazingwekkende passage. Hier spreekt Paulus van hen die het grootste nadeel hebben in hun dagelijkse werk – slaven. Hij beschrijft de meest extreme werkomstandigheden, zodat we zouden weten dat alle werk, hoe moeilijk en beproevend ook, hoe belastend en vermoeiend ook, gedaan kan worden “als voor de Heer en niet voor mensen”, “hetzij slaaf, hetzij vrije.”
In feite moet alles wat we doen gedaan worden “als voor de Heer, en niet voor mensen.”
“En alles, wat jullie ook maar doen in woord of in daad, doet alles in de naam van de Heer Jezus, de God en Vader dankend door Hem … Wat jullie ook mogen doen, werkt uit de ziel, als voor de Heer en niet voor mensen”
(Kol. 3:17,23;SW)
“Of jullie dan eten, of jullie drinken, of jullie iets doen, doet alles voor de heerlijkheid van God!”
(1Kor. 10:31;SW)
Zelfs de meest zware van onze werkomstandigheden kunnen bewust voor onze Vader uitgevoerd worden. Ons werk is uiteindelijk voor Hem.
Paulus wilde dat wij iets wisten over ons werken, want in de context van dagelijks werk schrijft hij…
“waargenomen hebbend dat al wat een ieder goed zou doen, dit zal hij terugontvangen van de Heer, hetzij slaaf, hetzij vrije”
(Efe. 6:8)
“Wat jullie ook mogen doen, werkt uit de ziel, als voor de Heer en niet voor mensen,
waargenomen hebbend dat jullie van de Heer de compensatie van het lotdeel zullen ontvangen. Jullie slaven voor de Heer, Christus”
(Kol. 3:23,24;SW)
Werk dat gedaan wordt “als voor de Heer” zal beloond worden. Hoe kan dat niet zo zijn, want met hem levend en werkend doorheen ons zijn al onze werken “het werk van de Heer.”
“Daarom, mijn geliefde broeders, weest standvastig, onwrikbaar, overvloedig in het werk van de Heer, altijd wetende dat uw werk in de Heer niet vergeefs is”
(1Kor. 15:58;SW)
Onze werken kunnen levend zijn met het leven van God – zij kunnen Zijn broodwinning zijn in ons.
Heel het leven gaat over Hem! Geniet er van!
Door naar deel 10.