“IJdelheid der ijdelheden, zegt de prediker; ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid. Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid, dien hij arbeidt onder de zon? Het ene geslacht gaat, en het andere geslacht komt; maar de aarde staat in der eeuwigheid. Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees. Zij gaat naar het zuiden, en zij gaat om naar het noorden; de wind gaat steeds omgaande, en de wind keert weder tot zijn omgangen. Al de beken gaan in de zee, nochtans wordt de zee niet vol; naar de plaats, waar de beken heengaan, derwaarts gaande keren zij weder. Al deze dingen worden zo moede, dat het niemand zou kunnen uitspreken; het oog wordt niet verzadigd met zien; en het oor wordt niet vervuld van horen”
(Pred. 1:2-8;SV)
Salomo beschrijft de meedogenloze cyclus van het aardse leven. Het kan op een tredmolen lijken, een verdorven getuigenis van ijdelheid, de “rat race” van menselijk bestaan. U weet waarover ik het heb. Sommige dagen kunnen meer een verdoving zijn dan iets dat ergens op lijkt – en met alle zaken die een rommeltje worden en ongedaan blijven, loopt het er op uit dat we ons voelen als een mislukkeling.
Let er altijd op hoe het schijnt dat alledaagse dingen zich maar opstapelen; de dingen die gemaakt “moeten” worden of gewoon met dingen die gedaan “moeten” worden in het normale dagelijkse leven. We vinden ons terug in een oud spreekwoord “Hoe meer ik doe, hoe meer ik achter raak,” of “Hoe harder ik werk, hoe meer werk ik vind dat gedaan moet worden.”
De cyclus van het aardse leven zal meestal zwaar en moeizaam zijn; met herhalende rondjes teleurstelling, overweldigend en deprimerend. Het gevoel van nutteloosheid en falen is een bijproduct van het Adamische leven en ik vind mezelf vaker terug levend in die plaats dan me lief is. Ik geloof dat de Heer ons toestaat op het randje te leven, zodat we geen andere keuze hebben dan alleen in Hem te rusten. Uiteindelijk is al Zijn werk in ons van Hem “Die in jullie zowel het willen en het werken werkt, ten behoeve van het welbehagen” (Filip. 2.13;SW).
Geloof brengt ons altijd weer terug naar de plaats waar, als er al falen is, het van Hem zou moeten zijn! Want Hij is tenslotte alles wat we echt hebben en Hij is alles wat we echt nodig hebben – want is Hij niet onze Vader en de Meester van het universum?
Wanneer we zwak zijn, dan zijn we sterk! (2Kor. 12:10;SW). Dat is de waarheid die Paulus leerde en leefde! We neigen er vaak toe dingen “gedaan te krijgen” of “dingen niet gedaan te krijgen” door het oog van menselijke inspanning – door onze eigen inspanning – in plaats van door het goddelijk oogpunt van “wij zijn Zijn werkstuk” (Efe. 2:10). Alles wat echte gedaan wordt is niet zozeer over “wat wij doen”, of “wat wij bereikt hebben”; het is veeleer wat “voor ons” en “doorheen ons” wordt gedaan; wij zijn tenslotte het werk… “Zijn werkstuk”. Dus ook al schijnen we een mislukking, toch wordt er iets gedaan en alleen het oog van geloof kan dat zien!
Het menselijk oog schijnt altijd de oplossing en overwinning te willen zoeken in “dingen”, in “omstandigheden” en in “toestanden”. “Als die nou maar zouden veranderen,” zo denken we, “dan zouden we ‘succes’ hebben.” Maar God is bezig om ons in “de dingen”, de “omstandigheden” en in de “toestanden” te veranderen, zodat wat ook de toestand is waarin we ons kunnen bevinden, we het ware leven en de ware vreugde en tevredenheid in Hem kunnen vinden (Filip. 4:11).
Hoe vaak vergeten we dit en worden we terug getrokken naar “de dingen”, “de omstandigheden” en naar de “toestanden”. Het is in een fysieke wereld niet makkelijk om met geloofsogen te zien. Onze levens kunnen voor ons een totale ramp schijnen; op het punt van volkomen instorting. Het “gras is groener aan de andere zijde” syndroom is zo echt in onze harten. “Had ik maar …..,” wat zou dat een verschil zijn. En dan, wat komt er nadat we echt krijgen dat we denken nodig te hebben? Dan krijgen we weer een nieuw “Had ik maar …” om het eerste te vervangen. We moeten ons hierdoor niet in de maling laten nemen; het is alleen maar die meedogenloze cyclus van Adams oude zoektocht naar de zin in het leven. We moeten onszelf steeds aan deze waarheden herinneren.
Ik denk vaak aan dit vers:
“En het benauwt David zeer, want het volk zei hem te stenigen, want de ziel van heel het volk was bitter, elk vanwege zijn zonen en vanwege zijn dochters. En David bemoedigt zichzelf in JAHWEH, zijn Elohim”
(1Sam. 30:6;SW)
“En het benauwt David zeer,” maar “bemoedigt zichzelf in JAHWEH, zijn Elohim”.
We moeten leren te doen wat David deed. Ik kan u niet zeggen hoeveel malen ik me zo ontmoedigd heb gevoeld, op het punt de handdoek over ALLES heen te gooien; maar dan vertelde ik mijn hart die dingen die mijn Vader mijn leerde op mijn reis met Hem.
Laten we, terwijl we door deze “verdoving van onze levens” heen gaan, ons herinneren dat God in Zijn goedgunstigheid er voor heeft gekozen dat wij “Zijn werkstuk” zijn. Er is, in Zijn goddelijke werkzaamheid, iets heerlijks dat niet vergeten zou moeten worden, maar dat vaak wel is. Wat is dat? Het is omdat God ons heeft gekozen, we daarom: dwaas, zwak, slecht en veracht zijn (1Kor. 1.27). Gods werk in Zijn uitverkoren vaten wordt vaak niet (of is het “nooit”?) bereikt door een grootschalige manier van productie die de aandacht richt op Zijn vaten. Hij gebruikt het dwaze, zwakke, slechte en verachte. En prijs God, we voldoen aan de eisen! Ik in het bijzonder!
“Al het goede geven en ieder perfect geschenk is van boven, afdalend van de Vader van de lichten, in Wie geen verandering is of een schaduw van omkeer”
(Jak. 1:17;SW)
Dit vers bevat een van mijn favoriete beschrijvingen van Gods aard en karakter. Niet alleen is er in onze Vader “geen verandering,” Hij is altijd consequent en betrouwbaar, zonder de minste variatie van Zijn trouw, nee, zelfs Zijn schaduw is onomkeerbaar.
“geen … schaduw van omkeer”
Onze Vader is zo standvastig en onwankelbaar, dat Hij niet alleen niet van Zijn trouw af te krijgen is, maar er is zelfs niet de minste beweging van Zijn schaduw.
Dat is nog eens betrouwbaarheid!
“Want de Schrift zegt: iedereen die in Hem gelooft zal niet beschaamd worden”
(Rom .10:11,SW)
Door naar deel 21.