“Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende: Maak u op, en ga af in het huis des pottenbakkers, en aldaar zal Ik u Mijn woorden doen horen. Zo ging ik af in het huis des pottenbakkers; en ziet, hij maakte een werk op de schijven. En het vat, dat hij maakte, werd verdorven, als leem, in de hand des pottenbakkers; toen maakte hij daarvan weder een ander vat, gelijk als het recht was in de ogen des pottenbakkers te maken. Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Zal Ik ulieden niet kunnen doen, gelijk deze pottenbakker, o huis Israels? spreekt de HEERE; ziet, gelijk leem in de hand des pottenbakkers, alzo zijt gijlieden in Mijn hand, o huis Israels!”
(Jer. 18:1-6;SV)
In de Schrift wordt over de Vader vaak gesproken als over een pottenbakker, een overeenkomst die grote nadruk plaatst op Zijn altijd aanwezige hand en Zijn goed ontworpen plan voor onze levens.
De pottenbakker heeft altijd de volledige macht over zijn klei. Hij ontwerpt en maakt zijn klei-creaties naar zijn eigen plan. Zo is hij actief in zijn vakmanschap, met zijn vakkundige handen aan het werk.
De passage die we hier hebben van Jeremia, de profeet, beeldt de Vader uit als de Pottenbakker over Israel. Jesaja, de profeet, bevestigt ook dit belangrijke principe.
“Doch nu, HEERE! Gij zijt onze Vader; wij zijn leem, en Gij zijt onze pottenbakker, en wij allen zijn Uwer handen werk”
(Jes. 64:8;SV)
Paulus bekrachtigt dit universele principe van de Vader als Pottenbakker, en wij als Zijn klei.
“O mens! Maar wie ben jij, God tegensprekende? Het geboetseerde zal niet tot de boetserende zeggen: Waarom maak jij mij zo? Of heeft de pottenbakker niet het gezag over de klei, om uit hetzelfde kneedsel het ene te maken tot waardevol voorwerp en het andere tot waardeloos?”
(Rom. 9:20,21;SW)
Het is voor de gelovige van het grootste belang “af te gaan naar het huis van de pottenbakker.” Het is hier dat we de ware werkelijkheid van het goddelijk perspectief kunnen verkrijgen. Toen Jeremia afdaalde naar het huis van de pottenbakker, zag hij daar de pottenbakker “een werk op de schijven” maken.
Natuurlijk kon Jeremia duidelijk de klei zien voor wat het was – passief materiaal – en dat het de pottenbakker was, en alleen de pottenbakker, die met vaste hand zijn belangrijke werk aan het doen was.
Het was de pottenbakker die “een werk op de schijven” maakte. Een bezoek aan het huis van een pottenbakker onthult dat het alleen maar gaat om de pottenbakker. De klei was, uiteindelijk, alleen maar grond van de Aarde – geheel zonder macht over het eigen ontwerp en bestemming.
“tevoren bestemd zijnde naar het voornemen van Die alles werkt naar de raad van Zijn wil”
(Efe. 1:11;SW)
Wat er van ons, de klei op de schijf van de Pottenbakker, wordt gemaakt is geheel de verantwoordelijkheid van de Pottenbakker. Klei heeft niets de kracht om iets van zichzelf te maken, noch heeft het de kracht om het doel van de Pottenbakker te weerstaan.
Door naar deel 16.