“want, in veel getestheid van verdrukking, overvloeit de overvloed van hun blijdschap en de overeenkomstige diepte van hun armoede in de rijkdom van hun vrijgevigheid”
(2Kor. 8:2;SW)
De Macedonische gelovigen waren zelf arm – “diepe armoede” onthult de Schrift. Dit was hun bijzondere lot, zoals gewoon is bij de mensen. Toch waren het deze heiligen die zo overvloedig waren in hun geven. Lees zorgvuldig:
“want, in veel getestheid van verdrukking, overvloeit de overvloed van hun blijdschap en de overeenkomstige diepte van hun armoede in de rijkdom van hun vrijgevigheid, want volgens hun mogelijkheid, mag ik getuigen, en meer dan hun mogelijkheid, uit eigen beweging, met veel uitnodiging, van ons de genade vragend en de gemeenschap van het dienstbetoon aan de heiligen”
(2Kor. 8:2-4;SW)
Verbazingwekkend! Hun “gemeenschap van het dienstbetoon aan de heiligen” was tot het uiterste van hun kunnen. God gebruikte deze “diepe armoede” vaten zodanig dat ze de “rijkdom van hun vrijgevigheid” overstegen.
Het is niet nodig dat een man veel heeft om door God gebruikt te kunnen worden. Gods genade kan zelfs hen in “diepe armoede” tot vrijgevige gevers maken. Soms zijn zij met de meest overvloedige bronnen in feite behoudende gevers, terwijl God hen met armoedige bronnen gebruikt als Zijn kanalen van vrijgevig geven. Hoe kan dit?
“Want indien de bereidwilligheid er is, is ze zeer aanvaardbaar naar wat ze heeft, niet naar wat ze niet heeft”
(2Kor. 8:12;SW)
Het is niet wat in iemands hand is dat telt – veel of weinig – maar wat in het hart is. “Indien er bereidwilligheid is…” God werkt in beschikbare vaten aan wie Hij een “bereidwillige” geest geeft.
“Want God is het Die in jullie zowel het willen en het werken werkt, ten behoeve van het welbehagen”
(Filip. 2:13;SW)
Hij werkt in beschikbare vaten en maakt hen tot kanalen van Zijn bronnen. Kan Hij zulke bronnen in onze handen vertrouwen? Kan Hij ons vertrouwen in het omzetten van aardse bronnen in hemelse weelde? Kan Hij ons vertrouwen met de investering van voorbijgaande, tijdelijke voorzieningen in blijvende hemelse bezittingen?
Veel heiligen die veel bezitten zullen veel oppotten of de stroom uit de bronnen van God blokkeren. Vele heiligen in “diepe armoede” zouden op gelijke wijze de bronnen absorberen die in hun bezit kwamen voor hun eigen “noden.” Dat was niet het geval bij de Macedonische gelovigen. In plaats van tijdelijk gezind te zijn, alleen kijkend naar hun eigen welzijn, waren zij hemels gezind, kijkend naar het welzijn van anderen.
Ook dit is niet anders dan de “Geest van Christus” die Z’n leven leeft in onze levens.
“Want jullie kennen de genade van onze Heer, Jezus Christus, opdat, rijk zijnde, Hij ten behoeve van jullie arm is geworden, opdat jullie door Diens armoede rijk zouden worden”
(2Kor. 8:9;SW)
“Draagt elkaars lasten en vervult zo de wet van Christus”
(Gal. 6:2;SW)
Zij van ons die speciaal lijden moeten ondergaan dat verbonden is met onze goddelijk aangestelde roeping, hebben overvloedig gelegenheid voor hemelse heerlijkheid. In dit deel zullen we een catalogus maken van een paar van de gebieden van deze enorme gelegenheden.
Het verlangen om goddelijk te leven
“En al de willenden godvruchtig leven in Christus Jezus, zullen vervolgd worden”
(2Tim. 3:11;SW)
Het ontvangen van het woord van God
“En jullie zijn imitatoren van ons geworden en van de Heer, het woord ontvangend in veel verdrukking met blijdschap van heilige geest”
(1Thess. 1:6;SW)
Vergelijk dit met wat Jezus bad in verband met de twaalf apostelen:
“Ik heb hen Uw woord gegeven. En de wereld haat hen, …”
(Joh. 17:14;SW)
Het dragen van elkaars lasten
“Draagt elkaars lasten en vervult zo de wet van Christus”
(Gal. 6:2;SW)
We kunnen aanvullend lijden op ons nemen wanneer we niet alleen onze eigen lasten dragen (Gal. 6.5), maar ook die van onze kameraden.
“Maar wij, de sterken, zijn schuldig de zwakten van de niet-sterken te verdragen, en niet onszelf behagen”
(Rom. 15:1;SW)
Het verkondigen van het Goede Nieuws - Paulus’ evangelie
“Jij dan mag niet beschaamd zijn voor het getuigenis van onze Heer, noch voor mij, Zijn gevangene, maar lijdt mede kwaad voor het evangelie, naar de kracht van God”
(2Tim. 1:8;SW)
“Maar ik, broeders, indien ik nog besnijdenis verkondig, waarom wordt ik nog vervolgd? Dan is immers de aanstoot van het kruis verdwenen”
(Gal. 5:11;SW)
“… naar mijn evangelie, waarvoor ik kwaad lijd in boeien, als een misdadiger, maar het woord van God is niet gebonden geworden”
(2Tim. 2:8,9;SW)
“maar hoewel eerder lijdend en mishandeld wordend, zoals jullie hebben waargenomen in Filippi, zijn wij vrijmoedig in onze God om tot jullie het evangelie van God te spreken, in veel strijd”
(1Thess. 2:2;SW)
“want hierom zwoegen wij en worstelen wij”
(1Tim. 4:10;SW)
“Om deze reden wil ik alles verdragen om wille van de uitverkorenen, opdat ook zij de redding mogen verkrijgen in Christus Jezus, met aionische heerlijkheid”
(2Tim. 2.10;SW)
Al deze gebieden gaan verder en hoger dan wat normaal is voor de mens. Wij hebben grote en overvloedige gelegenheden voor ons liggen om onze hemelse investering nog verder te vergroten.
“Maar indien kinderen, dan ook lotdeelgenieters; jazeker, gezamenlijk lotdeelgenieters van God en van Christus. Indien wij samen lijden, dan is dat om ook samen verheerlijkt te worden. Want ik reken er op dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet op kan tegen de heerlijkheid die in ons geopenbaard zal worden”
(Rom. 8:17,18;SW)
Door naar deel 14.