God, Redder van alle mensen

door

Dieter Landersheim


"De levende God, Die Redder is van alle mensen" (1. Tim.4:10)

Wat een heerlijke boodschap hebben wij te verkondigen! God is Redder van alle mensen! We doen dit niet zomaar, omdat wij daartoe aangewezen zijn (1 Tim. 4:11), maar omdat wij ons van harte daarover verheugen. Laten we vervolgens luisteren naar bepaalde Drieklanken in de eerste Timotheüsbrief en in de brief aan de Kolossenzen.

God's Wil

Het begin van ons thema uit de eerste Timotheusbrief gekozen woord luidt: "van God, onze Redder, Die wil dat alle mensen gered worden en komen tot besef van de waarheid" (1 Tim. 2:3,4;SW).

Overwegen we vervolgens het feit dat God onze Redder is.

Hij redt ons van de straf voor onze zonden (Rom. 8:1,33). Hij redt ons van het toenemen van de heerschappij van de zonde (Rom. 6). We werden bovendien van de toorn van God gered, want we zijn gerechtvaardigd in het bloed van Christus. God heeft Zijn liefde voor ons aangetoond in het feit dat Christus voor ons stierf toen wij nog zondaren waren. Maar nu zijn wij gerechtvaardigd. Des te zeker zal God's toorn ons niet aangrijpen (Rom. 5:8,9). "Want indien wij, vijanden zijnde, verzoend werden met God door de dood van Zijn Zoon, veeleer zullen wij, verzoend wordend, gered worden in Zijn leven" (Rom. 5:10;SW). Ja, wij scheppen er over op in de verwachting van de heerlijkheid van God (Rom. 5:2)!

En wij worden uit de dood gered, "Want het rantsoen van de zonde is de dood. De genadegave van God echter is aionisch leven, in Christus Jezus, onze Heer" (Rom. 6:23;SW). We zullen ook in beide toekomstige aionen leven, terwijl de ongelovigen dan nog dood zijn. De lofprijs en de verheerlijking zijn aan onze God, de God en Vader van onze Heer Jezus Christus.

In 1 Tim. 2:4 stelt het Schriftwoord niet alleen dat God onze Redder is, maar dat Hij alle mensen wil redden. De gelovigen worden hier tegenover alle mensen gesteld. Dat wat Hij ons doet toekomen, de redding, zal Hij allen deel doen worden. Door Satan verblindt opdat de lichtglans van de heerlijkheid van Christus niet overstraalt (2 Kor. 4:4), kunnen die mensen niet uit zichzelf tot erkentenis van de waarheid komen. Maar het is God die bevel gaf: "Vanuit duisternis zal licht schijnen, dat doet schijnen in onze harten tot verlichting van de kennis van de heerlijkheid van God in het gezicht van Jezus Christus"(2 Kor. 4:6;SW).

God wil iets. Kan Hij Zijn wil doorzetten? Dat is geen vraag, want Hij bewerkt alles en wel naar het alles overweldigende raadsbesluit van Zijn wil (Efe. 1:11). Kan een mens of de Satan het doorvoeren van Zijn wil verhinderen? Nee. De Schrift staat vol met berichten over weerstand, maar God bereikt steeds Zijn doel. Zo getuigde bijvoorbeeld de gemeente in Jeruzalem na de vrijlating van Petrus en Johannes: "De koningen van de aarde staan er bij en de oversten werden verzameld op dezelfde plaats, tegen de Heer en tegen Zijn Christus ... om te doen zoveel als Uw hand en Uw raad tevoren bestemt om te gebeuren" (Hand. 4:26,28;SW). En Stefanus schilderde in zijn verdedigingsrede het veelvoudige verzet van Israël tegen hun van God gegeven leider en redder, bijvoorbeeld tegen Jozef, die door de oervaders naar Egypte verkocht werd, en tegen Mozes, die zij niet als eerste, verlosser en rechter wilden erkennen. Maar God vervulde Zijn beloften! Dat God ondanks de weerstand tot Zijn doel komt toont Zijn almacht aan. Zonder weerstand zou Zijn almacht niet zo duidelijk worden. De apostel Paulus mocht ons nog meer laten zien: God sluit allen tezamen in weerstand op - ja, God Zelf doet het, want alleen Hij is God; Hij is Die in alles voorziet en alles bewerkt - opdat Hij Zich over allen in genade uit (Rom. 11:32; Efe. 1:11).

Het is niet oneerlijk dat God tijdens de aionen Zich ontfermt over wie Hij wil en verhardt wie Hij wil (Rom. 9:18), want door dat onderscheid zal Hij allen instrueren (Rom. 9:23); ons voorgetrokken zijn maakt door het voor de hand liggend verschil met de niet geroepenen de waarde van het gezegend zijn bekend. En Hij brengt ze toch allen naar het doel: naar Hem toe, want "vanuit Hem en door Hem en tot Hem alle dingen zijn" (Rom. 11:36).

God's weg

In 1 Timotheus 2:5,6 lezen we: "Want er is één God en ook één Bemiddelaar van God en van mensen: de Mens Christus Jezus, Die Zichzelf geeft als een overeengekomen loskoopsom ten behoeve van allen (het getuigenis in de eigen perioden),"

Er is één God voor alle mensen en één Middelaar tussen God en de zonen van Adam, Christus Jezus, die hier als mens afgebeeld wordt. Want Christus is niet alleen de Zoon van Abraham, die alle gelovigen zegen brengt, en zoon van David, die het koninkrijk van Israel tot stand brengt, maar ook de zoon van Adam en als zodanig de Bemiddelaar voor heel het gezamenlijke menselijke geslacht.

Christus Jezus gaf Zichzelf voor allen, voor allen, zonder uitzondering, want woe heeft Zijn bloed niet nodig? In plaats van een losgeld gaf Hij Zichzelf. Hijzelf is onvergelijkelijk meer waar dan welg losgeld dan ook.

Hij gaf Zich daarin voor allen. Hij stond daar voor iedereen. Zou Hij op deze wijze ook maar één mens niet aan Zijn hart brengen? Hij zei het Zelf: "En Ik, in het geval dat Ik verhoogd zal worden vanuit de aarde, zal allen naar Mijzelf toe trekken" (Joh. 12:32).

Dat is de weg die God gaat": De overgave van Zijn Zoon. God voert alles door door Christus, zodat de Here Jezus met alle zekerheid zou kunnen zeggen: "Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven. Niemand komt naar de Vader toe anders dan door Mij" (Joh. 14:6).

Het resultaat

Door Christus verrijkt God Zijn ziel: Hij zal de Redder van alle mensen worden. Dit staat zo vast dat Hij Zich als hun Redder vaststelt, wat Hij zodoende kan, terwijl er tussen Zijn willen en Zijn kunnen geen leemte valt. Zo is er in 1 Tim. 4:9-11 te lezen: "Betrouwbaar is het woord en alle verwelkoming waardig, want tot in dit zwoegen wij en worden wij gesmaad, omdat wij gehoopt hebben op de levende God, Die Redder is van alle mensen, vooral van gelovigen. Geef opdracht voor deze dingen en onderwijs ze!"

Gehoor gevend aan deze aanwijzing van onze Heer wordt met vreugde gezegd en geleerd: "Zijn woord is geloofwaardig, God is Redder van alle mensen, voor alles van de gelovigen!" Overigens, de innerlijke logica van deze zin is dwingend. Aangezien Hij de Redder van de gelovigen is, moet Hij ook de Redder van een andere groep mensen zijn. Hij is - zoals een ieder lezen kan - ook de Redder van allen. De gelovigen zijn volgens 2 Thess. 2:13 tijdelijk voorgetrokken om gered te worden en dit echt alleen in de genade.

Dat is de drieklank van de 1 Timotheus brief.

  • God wil
  • Christus gaf Zich daartoe voor allen
  • God is de Redder van allen.

Nu kunnen we de instructie van 1 Tim. 2:1, voor alle mensen te danken, met totaal begrip nakomen, aangezien God namelijk alle mensen bereikt en redt.

Overwegen we nu de drieklank van de brief aan de Kolossenzen in samenhang met ons thema.

De schepping in Christus

Christus, de Afbeelding van de onzichtbare, God, is de Eerstgeborene van elke schepping (Kol. 1:15). "Want in Hem wordt het al geschapen, dat in de hemelen en dat op de aarde, de zichtbare dingen en de onzichtbare dingen, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij autoriteiten, het al is door Hem en tot in Hem geschapen" (Kol. 1:16;SW).

Op deze Schriftplaats zien we hoezeer Christus met Zijn schepping is verbonden. "Er is voor ons maar één God, de Vader, vanuit Wie het al is en wij tot in Hem, en één Heer, Jezus Christus, door Wie alles is en wij door Hem" (1 Koer. 8:6;SW). In de meest innige gemeenschap is het allemaal in het leven geroepen, ingesloten in Zijn hart. We zagen in Kol. 1:16 dat ook de Satan in Hem geschapen is; ook hij is een schepsel, van God afhankelijk. De Satan is een mensendoder vanaf het begin en hij heeft nooit in de waarheid gestaan - nooit (Joh. 8:44). Dat moet zo zijn; bij onze God en Vader bestaat er niets dat ongeordend is, ongerijmd, want alles heeft z'n aanleiding en doel.

Op deze Schriftplaats zien wij hoezeer Christus met Zijn schepping verbonden is. "...vanuit Wie het al is en wij tot in Hem, en één Heer, Jezus Christus, door Wie alles is en wij door Hem" (1 Kor. 8:6;SW). In de meest innige gemeenschap met Christus is alles geschapen, ingesloten in Zijn hart. We zien vanuit 1 Kor. 16 dat ook Satan in Hem geschapen is; ook hij is een schepsel, van God afhankelijk. Satan is een mensenmoordenaar van den beginne en heeft nooit in de waarheid gestaan (Joh. 8:44). Dat moet zo zijn; bij onze God en Vader bestaat niets dat ongeordend, ongerijmd is, maar alles heeft zijn bedoeling en doel.

Het tegenwoordige bestaan van alles is in Christus

Kolossenzen 1:17 luidt: "en Hij is vóór alles en het al staat samen in Hem." Hij, Christus, is het Die ook in de tegenwoordige boze aion de wereld in Zijn binnenste bijeen houdt. Satan zou geen stap kunnen doen wanneer Hij, Die het leven is, het hem niet mogelijk zou maken. Niets, hoewel destijds door de zonde vervreemd, is buiten Christus om. Alles is door de Vader aan Hem overgedragen (Matt. 11:27). Hij draagt alles door zijn machtige woord (Hebr. 1:3). Ook hieraan is Zijn liefde voor Zijn schepping herkenbaar.

De verzoening van het al door Christus

Het gevolg van het reeds bekendgemaakte is: "...want heel de volheid heeft een welbehagen in Hem te wonen en door Hem het al wederzijds te verzoenen tot in Hem, vrede makend door het bloed van Zijn kruis, door Hem, hetzij de dingen op de aarde, hetzij de dingen in de hemelen" (Kol. 1:19,20;SW).

Alles wordt in Christus vervuld. Wij zijn dat al (Kol. 2:10).

Het al zal nog in Hem vervuld moeten worden (Efe. 1:23; 4:10). Vervullen - dat is de voleinding, de vervulling, de volkomen verhouding tussen God en de geschapenen en dezen onder elkaar.

De grondlegger en instandhouder is ook Die vervult. God heeft Zijn welgevallen aan de vervulling; iets anders zou niet aan Hem ontspruiten. In de vervulling zullen allen in Christus wonen, dat wil zeggen: in Hem thuis en gelukkig zijn. Christus Jezus' offer zal zijn volle loon krijgen: de verzoening van al het geschapene met God. Door Hem zal God het al met Zich verzoenen. Alverzoening: Er bestaat geen vijandschap meer, er heerst volkomen vrede, er bestaat de meest innige gemeenschap met God, en wel door en in Christus! Het erbarmen van God is zo overstromend, omdat het allemaal uit Zijn liefde voortkomt. De lof en de verheerlijking zei met de God en Vader van onze Heer Jezus Christus!!!

Dat is de drieklank van de Kolossenzenbrief:

  • In Christus is alles gschapen.
  • In Hem bestaat het.
  • Door Hem zal het verzoend worden.

Een andere drieklank staat in Romeinen 11:36:

  • vanuit Hem
  • en door Hem
  • en tot Hem zijn alle dingen

Einden

Het niet dovende vuur

Nu zal iemand tegenwerpen: Maar de profeet Jesaja zei toch dat de lijken van de overtreders van de wet alle tot een afstotende aanblik zullen zijn en dat hun work niet zal sterven en hun vuur niet geblust zal worden (Jes. 66:24)? Hier is de tegenvraag die we kunnen stellen: Over welke tijdspanne gaat dit woord van God? Onze Heer knoopte het Jesaja-citaat aan het tijdsbestek van het Koninkrijk van Israel, toen Hij zei: "En in het geval jouw hand je zou verstrikken, hak hem af! Het is beter voor jou verminkt binnen te komen tot in het leven, dan, twee handen hebbend, weg te komen tot in het Gehenna, tot in het niet uitgeblust wordende vuur, waar ook hun worm niet overlijdt en het vuur niet wordt uitgedoofd"(Mark. 9:43;SW). Het vuur in het Gehenna is tijdens het duizendjarig Vrederijk onblusbaar, in het dal van Hinnom beneden Jeruzalem, waar het afval van de stad verbrand wordt.

Eigenlijk kunnen we zeggen dat alle in de Schrift aangekondigde gerichten plaats zullen vinden. Maar de gerichten van God zullen ook hun doel bereiken, namelijk de mensen op Zijn erbarmen voorbereiden. Het is in elk geval te beproeven wanneer het gericht plaats zal vinden en te vragen naar wat daarna komt, in het bijzonder naar het laatste gericht waarover Johannes schrijft, het gericht voor de grote witte troon (Open. 20:11-15).

De aionen

Deze uitleg zal tezamen met de uitleg van de begrippen "aion" en "aionisch(e)" beantwoord worden, want iemand zou kunnen tegenwerpen: In Johannes 3:16 staat geschreven: "Want God heeft de wereld zo lief, dat Hij Zijn Zoon, de enigverwekte, geeft, opdat elke in Hem gelovende" ... hierna wordt volgens Luther geciteerd ... "niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe" (Joh. 3:16;SW). Concordant vertaald - overeenstemmend met de grondtekst ... luidt deze tekst: "niet verloren zal gaan, maar dat hij aionisch leven zal hebben." Het is vast te stellen - door te controleren kan men zich zekerheid verschaffen - dat het zevenvoudig gelauterde woord van God niet van "eeuwig" en van "eeuwigheid," of zelfs van "eeuwigheid tot eeuwigheid" spreekt, maar de woorden "aion" en "aionen" gebruikt. Een aion is een wereldtijd, een grote heiltijds-ruimte. Een aion is een lang tijddeel met een begin en een einde. Een aion is iets tijdelijks en daarmee vergankelijk. God heeft door Christus de aionen, de tijd en de delen daarvan gemaakt (Hebr. 1:2).

De afloop van de aionen wordt kort geschetst: wij beginnen met het gebeuren van voor de aionen.

De genade, waaraan wij nu deel hebben, is ons in Christus Jezus óór aionische tijden gegeven (2 Tim. 1:9). Gods wijsheid, namelijk Jezus Christus, en Deze gekruisigd, is voor ons door God al ó de ionen voor onze heerlijkheid voorbestemd geworden (1 Kor. 2:7).

De eerste aion liep van de oerschepping (Gen. 1:1) tot aan het eerste gericht, de nederwerping van de wereld (Efe. 1:4), toen de Aarde een Tohuwabohu werd (Gen. 1:2).

De tweede aion begon met het herstellen van de Aarde en haar hemel in zes dagen (Gen. 1:3-2:2) en eindigde met het tweede gericht, de Zondvloed (Gen. 7 en 8).

Deze beide aionen worden door het begrip "vanaf de aionen" omsloten dat in Efeze. 3:9 en Kolossenzen 1:26 gebruikt wordt. In Prediker 1:10 is sprake van "in aionen vóór ons".

De derde aion is de huidige, die in Galaten 1:4 de "de tegenwoordig zijnde boosaardige aion," in Efeze 1:21, 2 Korinthe 4:4 en vele andere plaatsen "deze aion" wordt genoemd. Deze aion eindigt met het derde gericht, de dag van toorn, met de in het boek van de Onthulling van Jezus Christus (de Openbaring van Johannes) uitvoerig beschreven Apokalypse, de onthulling van onze Heer voor Zijn volk Israel.

De Schrift spreekt meerdere malen van een toekomstige, of komende, aion (bijvoorbeeld in Matt. 12:32 en Efe. 1:21). Die vierde aion omvat het koninkrijk van de hemel. De bij de eerste opstanding behorende Joden, waaronder zij die in de verdrukking God trouw gebleven zijn, zullen daarin met Christus duizend jaren lang op deze aarde als koningen heersen (Open. 20:4). Het gereinigde, herstelde en gelovige volk Israel zal alle natiën tot leerlingen maken (Matt. 28:19). De komende aion sluit af met het vierde gericht, dat voor de grote witte troon. Dan volgt de ondergang van de huidige hemel en de huidge Aard in vuur. Daarna wordt de belofte van de schepping van de nieuwe hemel en een nieuwe Aarde vervuld, die Petrus in zijn tweede brief, hoofdstuk 3:7 en 13, naar voren brengt en waar ook Johannes over schrijft (Open. 21:1).

De vijfde aion is de bekronende aion van alle aionen, in Efeze 3:21 de "aion van de aionen" genoemd. Het is de afsluitende aion. Hebreeën 9:26 spreekt van een voltooiing van de aionen en de apostel Paulus deelt ons mede dat die afsluiting van de aionen ons in die zin bereikt dat wij nu al zegeningen er van ontvangen, die Israel pas in de laatste aion genieten zal (1 Kor. 10:11).

De twee laatste aionen worden als de "aionen van de aionen" omschreven; het zijn de bekronende, meest zegenrijke in de rij van aionen. Zo verheerlijkt Paulus God meerdere malen met de woorden "Hem zei de heerlijkheid tot in de aionen van de aionen. Amen!" bijvoorbeeld in Galaten 1:5.

In deze beide komende aionen zal God - wat ons, de leden van het Lichaam van Christus, de gelovigen in Christus Jezus, betreft - de alles overstijgende rijkdom van Zijn genade in het goede in Christus Jezus middenin het hemelse gebied als een heerlijk getuigenis van Zijn overstromende genade voorstellen en meewerken aan het werk van Christus, om het al in allen te vervullen (Efe. 1:23).

Na het laatste gericht

Terug naar de vraag wat er na het gericht voor de Grote Witte Troon zal gebeuren. Zij die daar tot de tweede dood veroordeeld worden zijn gedurende de laatste aionen dood. Wanneer worden zij weer levend gemaakt? "Want net zoals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden "(1 Kor. 15:22;SW). Wat een heerlijk evangelie!! Jezus Christus, Die het Leven is, geeft aan allen onvergankelijk leven. "...maar ieder in de eigen rangorde: de eerste vrucht van de oogst is Christus, vervolgens die van Christus zijn in Zijn aanwezigheid, daarna het einde, wanneer ook maar Hij het koninkrijk aan Zijn God en Vader zal overdragen, wanneer ook maar Hij alle overheid en alle autoriteit en macht buiten werking zou stellen. Want het is voor Hem bindend koning te zijn, totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten zal plaatsen. De laatste vijand wordt buiten werking gesteld: de dood ... " (1 Kor. 15:23-26;SW).

Toen had alleen Christus Jezus onsterfelijkheid (1 Tim. 6:16). Zij in de tweede afdeling, die Christus toebehoren, zij zijn de gelovigen, en wel tot een groep uit Israel tot dienst op de Aarde en naast hen die uit vroegere tijden (verg. Hebr. 11:4-21) tot anderen die uitgeroepen gemeente uit Israel en de natiën behoren, die het lichaam van Christus zijn, tot dienst temidden van de bovenhemelse plaatsen en -wezens. Wij zullen in Zijn aanwezigheid onvergankelijk leven verkrijgen en veranderen, alsook weggerukt worden en daarna altijd bij onze Heer zijn (1 Thess. 4:13-18; 1 Kor. 15:51-53). Dat is sowieso de meest nabije heilsgebeurtenis! Hoezeer mogen wij ons daarop verheugen en het verschijnen van onze Heer liefhebben (2 Tim. 4:18).

Jezus Christus heerst in de komende aionen als Koning van Israel over de hele Aarde, over alle natiën, in de deadline van de voltooiing, als Hoofd over alles (Efe. 1:10). Wij, de leden van Zijn Lichaam, zullen in de laatste twee aionen temidden van de Overhemelsen neergezet zijn(Efe. 2:6). Uiteindelijk zal het al in Christus onthoofd worden, een ieder zal Hem als Hoofd aannemen. Zodra deze laatste aion voltooid zal zijn, dan geeft de Zoon de heerschappij aan de Vader terug en de laatste vijand, de dood (er bestaat dan alleen de tweede dood), zal weggedaan worden en allen zullen levend gemaakt worden. De laatste vijand wordt buiten werking gesteld: de dood, want alles onderschikt Hij onder Zijn voeten. Maar wanneer ook maar Hij zal zeggen dat alles onderschikt is, dan is dat duidelijk buiten Hem Die aan Hem het al onderschikt" (1 Kor. 15:27,28;SW).

Overweldigd door de liefde van God, na de veroordeling tot de tweede dood onvergankelijk leven ontvangen te hebben, zullen ook deze mensen zich blij aan de Heer onderschikken en daarmee de Vader verheerlijken. God zal voor allen alles betekenen; Hij zal hun alles zijn.

Overeenkomstig staat in Romeinen 5:18,19 geschreven: "Dus dan, zoals het door één misstap tot in alle mensen kwam tot veroordeling (vanwege de zonde aan het kruis), zo komt het ook door één rechtvaardigheidsdaad tot in alle mensen tot rechtvaardiging ten leven. Want net zoals door de ongehoorzaamheid van de ene mens de velen tot zondaren werden aangesteld, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van de Ene de velen tot rechtvaardigen aangesteld worden"(Rom. 5:18,19;SW). Die daad van Adam werkte zich in allen uit; ze werden niet gevraagd toen ze als zondaar ingezet werden. De gerechtigheid God's komt overeen hen zonder hun toedoen als rechtvaardigen in te zetten, en dit door Christus. Dat is de rechtvaardigheid van God, waarvan in Romeinen 3:21,22 wordt gesproken, dat die door het geloof van Jezus Christus geopenbaard werd.

Nog drie verdere bezwaren worden kort besproken:

De hel

Maar wat is er dan met de hel aan de hand? Zowel het woord alsook de inhoudelijke voorstelling daarvan zijn de Bijbel vreemd. Wat incorrect met "hel" vertaald werd, heet óf Gehenna (wat al uitgelegd werd) óf Tartarus, wat het oord is voor zondigende boodschappers(2 Petrus 2:4), of het Hebreeuwse Sheol en Griekse Hades. Hades betekent het onwaarneembare, vrij overdragen dodenrijk; de doden zijn niet meer en kunnen bijgevolg niet waargenomen worden (dit betreft zowel de gelovig als ongelovig ontslapenen).

Het aionische vuur en de aionische straf

En wat zijn dan het aionische vuur en de aionische straf waaraan de links van de Heer staande natiën zullen lijden op grond van het gerichtsoordeel van de Heer na Zijn aankomst aan het begin van het Koninkrijk van Israel? (In Matt. 25:31-46 wordt het oordeel gebaseerd op de scheiding van schapen en bokken vastgelegd). Vervolgens kunnen we zeggen dat de straf, waar hier van gesproken wordt, een straf ter verbetering is en omwille van de boosdoener opgelegd wordt. Grieks: kolasis (zeer te onderscheiden van timoria, de straf ter genoegdoening van de beschadigde).  "Vuur" staat voor lijden en druk. De Schrift beschrijft de druk van Israel onder de natiën als vuur (Deut. 4:20; 32:22,23; Psalm 66:12; Jes. 43:2; Jer. 4:4). Overeenkomstig betekent het aionische vuur voor de natiën in het duizendjarige Koninkrijk van Israel dat het uitverkoren volk streng over hen zal heersen. De veroveraars uit Israel zal volmacht gegeven worden om over hen met een ijzeren vuist te regeren zoals men een aardewerken vaten vernietigt (Openb. 2:26,27). De vrees daarvoor is al voldoende vuur waarin de met bokken-natiën vergeleken volken tijdens de aion zullen zijn, en met het weghouden van de regen. Volgens Zacharia 14:17 zal er op de natie niet naar Jeruzalem zal trekken om de Koning, Jahweh de Heer Jezus Christus, geen regen vallen.

Und was sind dann das äonische Feuer und die äonische Strafe, was die zur Linken des Herrn stehenden Nationen erleiden werden aufgrund des Gerichtsurteils des Herrn nach Seiner Ankunft zu Beginn des Königreichs Israels? (In Matthäus 25:31-46 wird das Urteil anhand der Scheidung von Schafen und Ziegenböcken dargelegt.) - Zunächst ist zu sagen, dass die Strafe, von der hier die Rede ist, eine Strafe zur Besserung ist und um des Übeltäters willen verhängt wird, griech. kolasis (streng zu unterscheiden von timõria, der Strafe zur Ahndung und Genugtuung des Geschädigten). »Feuer« steht für Leiden und Drangsal. Die Schrift beschreibt die Drangsal Israels unter den Nationen durchweg als Feuer (5.Mose 4:20; 32:22,23; Ps.66:12; Jes.43:2; Jer.4:4). Dementsprechend bedeutet das äonische Feuer für die Nationen im tausendjährigen Königreich Israels, dass das auserwählte Volk mit strenger Gewalt über sie herrschen wird. Den Überwindern aus Israel wird Vollmacht über die Nationen gegeben werden, sie mit eiserner Keule zu regieren, wie man Töpfergefäße zertrümmert (Off.2:26,27). Die Furcht davor ist schon hinreichendes Feuer, in dem die mit den Ziegenböcken verglichenen Nationen für den Äon sein werden, und erst recht der Entzug des Regens. Nach Sacharja 14:17 wird kein Regen auf die Nation fallen, die nicht nach Jerusalem hinaufziehen sollte, um den König, Jewe der Heere, anzubeten, den Herrn Jesus Christus. So sieht die äonische Züchtigung zur Besserung der Nationen aus. Der Widerwirker Und was ist mit dem Satan? - Dieser ist ein Geschöpf Gottes, in Christus erschaffen wie alles Sichtbare und Unsichtbare. Die Belegstelle Kolosser 1:16 war bei der Behandlung des Kolosserbrief-Dreiklangs bereits genannt worden. Johannes schrieb: »Der Widerwirker sündigt von Anfang an« (1.Joh.3:8). So wurde er erschaffen. Er wird während des vierten Äons im Abgrund gebunden sein (Off.20:2) und am Ende des tausendjährigen Königreichs Israels für kurze Zeit losgelassen werden. Während des letzten Äons wird er zusammen mit dem Menschen der Gesetzlosigkeit - in der Offenbarung des Johannes als wildes Tier dargestellt - und dem falschen Propheten tags und nachts gequält werden (Off.20:10), bis auch diese sich dem Herrn unterordnen werden. Die Allaussöhnung umfasst alle ehemals widerstrebenden Geschöpfe. Alles, was in Christus erschaffen ist (Kol.1:16), wird auch durch Christus mit Gott ausgesöhnt werden (Kol.1:20). Zum Lobpreis Gottes Mögen wir angesichts der Aussöhnung des Alls heute schon mit Herzen, Mund und Händen Christus huldigen und Gott, unseren Vater, verherrlichen, wie in Philipper 2:5-11 für die Vollendung verheißen: »Diese Gesinnung sei in euch, die auch in Christus Jesus ist: der, als Er in der Gestalt Gottes war, es nicht für ein Rauben erachtete, ebenso wie Gott zu sein; sondern Er entäußerte Sich Selbst, nahm die Gestalt eines Sklaven an, wurde den Menschen gleichgestaltet und in der Art und Weise wie ein Mensch erfunden; Er erniedrigte Sich Selbst und wurde gehorsam bis zum Tode, ja bis zum Kreuzestod. Darum hat Gott Ihn auch überaus hoch erhöht und Ihn mit dem Namen begnadet, der über jedem Namen ist, damit in dem Namen Jesu sich jedes Knie beuge, der Überhimmlischen, Irdischen und Unterirdischen, und jede Zunge huldige: Herr ist Jesus Christus, zur Verherrlichung Gottes, des Vaters.« Christus kam vom höchsten Platz im Weltall, zur Rechten Gottes, des Vaters, und nimmt diesen Platz nach der am Kreuz vollbrachten Rettung wieder ein, nun aber noch höher erhöht als zuvor, denn jetzt ist Er zum Retter geworden. In der Vollendung werden Ihm auch die Letzten als ihrem Retter dankbar huldigen, und die Liebe aller wird Ihm entgegenströmen zur Verherrlichung Gottes, des Vaters. Alle werden sich dem Sohn unterordnen und in dem Sohn dem Vater, und zwar von ganzem Herzen. So ist das Ziel der Äonen erreicht! Jedem Herzen wird Gott innewohnen. Danach sehnt sich Seine Liebe. Gott alles in allen! Nichts anderes entspricht Seiner Liebe! »O Tiefe des Reichtums, der Weisheit und der Erkenntnis Gottes! Wie unausforschlich sind Seine Urteile und wie unausspürbar Seine Wege! Denn wer hat den Sinn des Herrn erkannt, oder wer wurde Sein Ratgeber? Wer hat Ihm etwas zuerst gegeben, damit es ihm vergolten werden wird? Denn aus Ihm und durch Ihn und zu Ihm hin ist das All! Ihm sei die Verherrlichung für die Äonen! Amen!« (Röm.11:33-36). Dieter Landersheim Höhenstr. 11, 65824 Schwalbach a. Ts., www.people.freenet.de/biblische_lehre

Dieter Landersheim.
www.biblischelehre.de


© www.hetbestenieuws.nl