Zullen miljarden mensen voor eeuwig verloren gaan?
---
Hoofdstuk 49
BIJBELWOORDEN, DIE ONS LEREN DAT GOD MENSEN NIET EINDELOOS ZAL PIJNIGEN IN DE HEL
(met enig commentaar)

door J. van A.

   

HET OUDE TESTAMENT

Genesis 2:17 "maar van de boom van kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten, want ten dage dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven."
Het moet toch opvallen, dat de eerste mensen wel hoorden van dreiging met de dood, maar met geen woord over een hel, waarin ze eindeloos zouden branden. Merkwaardig is dat.

Genesis 15 God sluit een verbond met Abraham, maar vertelt hem niets van de straf, die nooit ophouden zal. Ook Jacob en Izak werden daar niet van op de hoogte gesteld. Was dat dan niet van levensbelang?

Exodus 20 Ook is het Mozes blijkbaar onbekend geweest, dat er zoiets zou zijn als die "eeuwige" ellende in de hel. Er werd ook niet over gesproken bij het bekend maken van de tien geboden. Inderdaad merkwaardig.

Leviticus 25. Het Jubeljaar was in Israel het ultieme feest. Was een Israeliet in slavernij of in schulden geraakt of was hij zijn bezittingen kwijtgeraakt in de loop van de jaren, dan kwam hij in het Jubeljaar vrij. Hij kreeg zijn bezittingen terug en hij werd vrij van welke schuld dan ook. Lees het hoofdstuk met aandacht en dan vooral vers 54: "maar indien hij op deze wijze niet gelost wordt, dan komt hij in het Jubeljaar vrij." Laat dit feest bij uitnemendheid niet in de voorafschaduw zien, dat elk schepsel ooit alles zal terug ontvangen, wat hij door eigen schuld is kwijtgeraakt?

Deuteronomium 28 Het hoofdstuk van zegen en vloek. En ook hier geen informatie over een altijd doorgaande vuurstraf.

Psalm 22:28"alle einden de aarde zullen het gedenken en zich tot de Here bekeren; alle geslachten der volken zullen zich neerbuigen voor uw aangezicht"
Dan wordt vervuld wat God aan Abraham beloofde zonder daaraan voorwaarden te verbinden: alle geslachten van alle volken in zijn zaad, dat is in Christus, gezegend.

Psalm 30:6 "want een ogenblik duurt zijn toorn en een leven lang zijn welbehagen"
Een psalmwoord, dat niet misverstaan kan worden. Merk op, hoe de verhoudingen liggen: een blik met het oog en een mensenleven lang!!

Psalm 67:3 "Hoorder van het gebed, tot U komt al wat leeft."
Alleen wanneer al wat leeft, tot de Eeuwige komt, wordt het woord waar, dat zegt, dat God alles zal zijn en in allen.

Psalm 67 "God zij ons genadig.. Hij doe zijn aangezicht bij ons lichten, opdat men op aarde uw weg kenne, onder alle volken uw heil."
Het is goed deze hele psalm te lezen. Zo treffend komt daarin uit, dat God wil dat alle mensen behouden worden. Het boek van de psalmen is daar trouwens vol van.

Psalm 78:34 "Als Hij hen doodde, dan vroegen zij naar Hem, bekeerden zich en zochten God."
Ook in deze psalm weer gericht en gevolg.

Psalm 83:17-19 "overdek hun aangezicht met schande, opdat zij uw naam zoeken, o Here. Laten zij voor immer beschaamd worden…en te gronde gaan, opdat zij weten, dat alleen uw naam is: HERE."
Het oordeel heeft een doel: opdat..

Psalm 86:9 "Alle volken, die Gij hebt gemaakt, zullen komen en zich voor U neerbuigen, o Here, en uw naam eren."
Dat zijn dus niet alleen de volken, die nog op aarde zijn, als dat eerbetoon zal plaatsvinden, terwijl de volken uit de voorbije eeuwen daaraan geen deel zouden hebben. Nee, "alle volken, die gij gemaakt hebt."

Psalm 89:31-34 "indien zijn zonen mijn wet verlaten …en mijn geboden niet onderhouden, dan zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken en hun ongerechtigheid met plagen: maar mijn goedertierenheid zal Ik hen niet onthouden, mijn trouw zal Ik niet verloochenen."
Paulus zegt het later zo: Als sommigen ontrouw zijn geworden, zal dan hun ontrouw de trouw van God tenietdoen?

Psalm 96: 11-13 "Hij zal de volken richten in rechtmatigheid. De hemel verheuge zich, de aarde juiche, want Hij komt om de aarde te richten".
Vreugde om het komende gericht. Het is toch niet zo, dat de Heilige Geest geen besef zou hebben van de verschrikkingen van het oordeel? Maar de dichter van deze psalm wist, dat God door de oordelen heen de schepping zou bevrijden. Inderdaad, het oordeel heeft een heerlijk doel voor Israel, de gemeente en de ganse schepping.

Psalm 103:9 "niet altoos blijft Hij twisten, niet eeuwig de toorn behouden"
Wie heeft toch ooit de leer van de altijd twistende God uitgedacht?

Psalm 135:6 "de Here doet al wat Hem behaagt in de hemel en op de aarde."
En Efeze 1:9-11 lezen we wat het welbehagen van God is: al wat in de hemelen en op de aarde is onder één Hoofd, dat is Christus, samen te vatten.

Psalm 145:9 "de Here is voor allen goed en zijn barmhartigheid is over al zijn werken."
Kan die Here tot eindeloze marteling hebben besloten?

Psalm 1-150 Psalm 1 bezingt de twee wegen: de weg van de Torah, die naar het leven voert en daartegenover de weg van de goddelozen, die naar het verderf leidt. Psalm 150 beschrijft de voltooiing "alles wat adem heeft, love de Here." De overige psalmen zijn als schakels tussen de eerste en laatste psalm met inbegrip van schuldbelijdenissen en bijna-wanhoopsliederen. De weg van God met ons, mensen, wordt in die psalmen bezongen, dynamisch, het stuwt voort van eeuwigheid tot eeuwigheid naar de voltooiing, waarin alles, wat adem heeft, de Here zal loven, zoals ook Filipenzen 2:10 profeteert.

Jesaja 25 "Hij zal op deze berg de sluier vernietigen, die alle natiën omsluiert, en de bedekking, waarmee alle volken bedekt zijn. Hij zal voor eeuwig de dood vernietigen, en de Here HERE zal de tranen van alle aangezichten afwissen."
Niet alleen Israel ook de andere volken liggen onder een bedekking en die zal eenmaal worden weggenomen. De wil van de mens bepaalt dat moment niet, maar de Almachtige zelf.

Jesaja 26:8 "ook in de weg van uw gerichten hebben wij U verwacht, o Here."
Die verwachting wordt begrijpelijk, als we ook vers 9 lezen.

Jesaja 26:9 "wanneer uw gerichten op aarde zijn, leren de inwoners der aarde gerechtigheid."
De traditie meende, dat er dan niets meer te leren zou zijn. Ook hier gericht met gerechtigheid als doel.

Jesaja 32:24 "want de burcht ligt verlaten, het rumoer van de stad is in eenzaamheid veranderd. Ofel en Wachttoren zijn voor eeuwig (zo staat het correct in de Statenvertaling. Hebr: in de olam) tot spelonken geworden, een vreugde voor de wilde ezels, een weide voor de kudde, totdat over ons uitgestort wordt de Geest uit de hoge."
Alle profeten, die spreken over het oordeel, weten van herstel.

Jesaja 40:5 "de heerlijkheid van de Here zal geopenbaard worden en alle vlees zal zien, dat de mond van de Here gesproken heeft."
Het is de lijn, die de hele bijbel door op te merken is: "alle volken", "alle vlees", "allen" en "alle mensen".

Jesaja 45:22,23 "Wendt u tot Mij en laat u verlossen alle einden der aarde want Ik ben God en niemand meer. Want Ik heb gezworen bij Mijzelf, waarheid is uit mijn mond uitgegaan, een woord, dat Ik niet zal herroepen: dat voor Mij elke knie zich zal buigen, dat bij Mij elke tong zal zweren."

Jesaja 45: 24,25 "Alleen bij de Here, zal men van Mij zeggen, is gerechtigheid en sterkte, tot Hem zal men komen, maar beschaamd zullen staan allen, die tegen Hem in woede ontstoken zijn; in de Here wordt het gehele nakroost van Israel gerechtvaardigd en zal het zich beroemen."
Oordeel met als gevolg beschaming bij hen, die zich tegen God keerden, waarna er rechtvaardiging zal zijn.
Het woordje "maar" wekt de indruk, dat het toch niet waar is, wat vers 23 zegt: elke knie en elke tong. (Elders in dit boek gingen we daar nader op in)

Jesaja 53:10,11 "Wanneer Hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal Hij nakomelingen zien en een lang leven hebben en het voornemen des Heren zal door zijn hand voortgang hebben. Om zijn moeitevol lijden zal Hij het zien tot verzadiging toe."
Het voornemen van de Here kennen we als zijn wil, dat alle mensen behouden worden. Hij zal het zien tot verzadiging toe. Van die verzadiging kan toch geen sprake zijn, als er slechts een klein deel van alle mensen gered zouden worden?

Jesaja 55:11 "Mijn woord zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen, wat Mij behaagt."
Is het nog nodig uiteen te zetten, wat God behaagt?

Jesaja 54:8 "een ogenblik heb Ik u verlaten, maar met groot erbarmen zal Ik u tot Mij nemen. In een uitstorting van toorn heb Ik mijn aangezicht voor u verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid ontferm IK Mij over u, zegt uw Losser, de Here."

Jesaja 57:16,17 "want Ik zal niet altoos twisten, noch voor eeuwig toornig zijn, anders zou de Geest voor mijn aangezicht bezwijken, terwijl Ik toch zelf de levensadem heb gegeven"
Dit betreft dus allen aan wie God de levensadem gaf. Dat zijn de mensenkinderen van Klaagliederen 3: 31-33. Was het zo, dat God nooit met zijn toorn zou ophouden, dan zou de Geest voor zijn aangezicht bezwijken!! Wat is het toch, dat miljoenen christenen hebben geloofd en geleerd, dat God toch bleef twisten en altijd toornig zou blijven?
Merk op, dat er ook hier geen voorwaarden worden gesteld. Het is een belofte, die God zeker zal waarmaken.

Jesaja 61:2 "een dag der wrake van onze God."
Die dag moge langer duren dan 24 uur, wellicht eeuwen lang, maar dit woord doet ons zeker niet denken aan oneindigheid. En na die dag: "om alle treurenden te troosten."

Jeremia 30:24 "de brandende toorn des Heren zal zich niet afwenden, totdat Hij de plannen van zijn hart volvoerd en verwezenlijkt zal hebben; in het laatst der dagen zult gij dat inzien."
Waarom zagen we dat "totdat" over het hoofd?

Klaagliederen 3:31-33 "want niet voor eeuwig verstoot de Here, want als Hij bedroefd heeft, ontfermt Hij zich; immers niet van harte verdrukt en bedroeft Hij de mensenkinderen."
Dit woord beperkt zich niet tot Israel, maar geldt al de mensenkinderen. Eigenlijk zouden we kunnen volstaan met dit woord, als we zoeken naar de weg, die God met alle mensenkinderen gaat.

Ezechiël 16: 53 "Ik zal een keer brengen in haar lot, het lot van Sodom en haar dochters en in het lot van Samaria en haar dochters en tevens zal Ik een keer brengen in uw lot." ("uw lot" is het lot van Jeruzalem).
God komt ook met het oordeel over Sodom tot een einde en geeft de stad als dochter aan Jeruzalem.

Ezechiël 37 Oordeel: dat dal vol zeer dorre doodsbeenderen. Maar dat doodsoordeel is niet het einde. De doden staan op en we lezen in vers 10: "de Geest kwam in hen en zij herleefden en gingen op hun voeten staan, een geweldig groot leger." Vers 13 en 14: "en gij zult weten, dat Ik de Here ben, wanneer Ik uw graven open en u uit uw graven doe opkomen, o mijn volk. En Ik zal mijn Geest in u geven, zodat gij herleeft en gij zult weten, dat Ik, de Here het gesproken en gedaan heb." Vers 9 "blaas in deze gedoden". Hoevelen van Israel werden er in de voorbije eeuwen gedood? Maar zij zullen leven! God doet dat niet omdat dat volk zo gewillig is, maar om zijn heilige naam. (36:22)!! Naar het willen wordt aan doden niet gevraagd

Hosea 6:1 "Komt, laat ons terugkeren tot de Here! Want Hij heeft ons verscheurd en zal ons helen; Hij heeft ons geslagen en zal ons verbinden. Hij zal ons na twee dagen doen herleven en op de derde dag zal Hij ons oprichten en wij zullen leven voor zijn aangezicht."
Verscheurd en geslagen worden in het gericht door God, waarna diezelfde God zal helen, verbinden. Wie zou die God niet bejubelen? Hanna zei al: "Mijn hart juicht in de Here. De Here doodt en doet herleven, Hij doet naar het dodenrijk neerdalen en daaruit opkomen." (2 Samuël 2:1 en 6)

Hosea 6:5 "De oordelen over u waren een doorbrekend licht."
In ieder geval had Hanna het begrepen.

Hosea 11:8 en 9 "Hoe zou Ik u prijsgeven, Efraïm, u overleveren, Israel? (...) Mijn hart keert zich om in Mij, ten volle wordt mijn erbarming opgewekt. Ik zal mijn brandende toorn niet ten uitvoer brengen. Ik zal Efraïm niet verder verderven. Want Ik ben God en geen mens, heilig in uw midden en Ik zal niet komen in toorngloed."
God ontroert bij de gedachte, dat Hij zijn volk zou prijsgeven aan het verderf, hoewel Hij o.a. in vers 7 zegt dat volk niet meer zal opheffen, al roepen ze tot Hem omhoog. Wat een God mogen wij kennen!!

Hosea 14:5 "Ik zal hun afkerigheid genezen. Ik zal hen vrijwillig liefhebben, want mijn toorn keert zich van hen af."
Afkeer en toorn vanwege die afkeer, waarna er genezing plaatsvindt en de toorn zich afwenden zal. Zo handelt God met Israel en de volken.

Hosea totaal Lees dit boekje aandachtig en kom onder de indruk van de uiteindelijke gunst van God over een volk, dat in ongehoorzaamheid volhardt. En let ook op de uitdrukking "Ik zal", die je vele keren in Hosea tegenkomt. Paulus zou zeggen: "zo hangt het dus niet daarvan af, of iemand wil dan of iemand loopt, maar van God, die Zich ontfermt." (Romeinen 9:16)

Micha 7:18 "Wie is een God als Gij, die de ongerechtigheid vergeeft (….), die zijn toorn niet voor eeuwig behoudt, maar een welbehagen heeft in goedertierenheid."

Sefanja 3:8-9 "Want mijn vonnis is volken te vergaderen, koninkrijken te verzamelen, over hen mijn gramschap uit te gieten, heel mijn brandende toorn, want door het vuur van mijn naijver zal de ganse aarde verteerd worden. Maar dan zal Ik de volken andere reine lippen geven, opdat zij allen de naam des Heren aanroepen, opdat zij Hem dienen met eenparige schouder."
Het verhaal wordt eentonig, maar het moet nog maar weer gezegd worden, dat de gramschap en de toorn van God nooit wordt uitgegoten zonder uitzicht op betere tijden, waarin allen de Naam van de Here zullen aanroepen. Het zal nodig zijn dat daartoe de hele aarde verteerd zal worden, maar dan...!!

Maleachi 3:1,2,3 "Zie, Hij komt, zegt de Here. Maar wie kan de dag van zijn komst verdragen en wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur van de smelter (...) Hij zal zitten, het zilver smeltend en reinigend. Hij zal de zonen van Levi reinigen. Hij zal hen louteren als goud en zilver, opdat zij de Here in gerechtigheid offer brengen."
Dat profeteert dan de profeet op bijna de laatste bladzijde van het Oude Testament.

De profeten van het oude verbond spraken duidelijke taal, wat betreft straf, oordeel en gericht, maar altijd weer wordt er daarna herstel in de vergeving van zonden beloofd. Nergens in het zg. Oude Testament lezen we van straffen in de hel, die nooit ophouden! Als de Here Jezus dat wel had willen leren, zou dat dan niet een herroepen zijn geweest van de beloften van dat Oude Testament? De Heiland zou dan tot ons zijn gekomen met de boodschap, dat de toekomst van het menselijk geslacht oneindig veel verschrikkelijker was dan men het ooit van de profeten had gehoord? Zou dat dan de blijde boodschap van het evangelie zijn geweest?

HET NIEUWE TESTAMENT

De vier evangeliën

Matteüs 5:26 "gij zult daar voorzeker niet uitkomen, voordat gij de laatste penning hebt betaald."
Dus ook hier geen eindeloosheid van straf, maar er is sprake van uitkomen uit de gevangenis, nadat betaling heeft plaatsgevonden.

Matteüs 5:44 "maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief, en bidt voor wie u vervolgen."
Als ons gevraagd wordt onze vijanden lief te hebben, dan weten we, dat God ook zíjn vijanden liefheeft en hen door het gericht heen gaat redden. Immers hoe kan dezelfde God, die ons dat gebod geeft, van ons vragen in te stemmen met hun rampzaligheid voor altijd?

Matteüs 5 Als de hel (het dal van Hinnom: gehenna) in dit hoofdstuk de betekenis heeft van een verblijf in eindeloze pijn, dan moeten we ook erkennen, dat mensen, die tegen de ander zeggen: "Dwaas", zullen vervallen aan het hellevuur, waarin men nameloos en zonder ophouden lijden zal. Mocht de lezer met deze gedachte geen raad weten, dan verwijzen we hem naar het hoofdstuk, dat handelt over het begrip "hel".

Matteüs 6:10 "uw wil geschiede."
Zo leerde de Here Jezus ons bidden. God wil, dat alle mensen behouden worden. (1 Timoteüs 2:4). Is het ook ons gebed en onze verwachting, dat die wil geschieden zal?

Matteüs 7:13 en 14 "Gaat in door de enge poort, want wijd is de poort en breed de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan, want eng is de poort en smal de weg, die naar het leven leidt en weinigen zijn er, die hem vinden."
Hoe is het nu, zijn het er weinigen, velen of allen? We schreven daar eerder over.

Matteüs 11:24 "het zal het land van Sodom draaglijker zijn in de dag van het oordeel dan voor u."
Dat woord is in volle overeenstemming met Ezechiël 16: Sodom zal als dochter gegeven worden aan het herstelde Jeruzalem.

Matteüs 15:24 "Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israels."
Moesten de volken, die ten tijde van Christus omwandeling leefden dan niet worden ingelicht over de ellende in de "eeuwige" hel?

Matteüs 18:34 Foltering, "totdat" er betaald is. Hoe dan die betaling moet plaatsvinden, is een vraag. Misschien door het uitdienen van de straf. Hoe het ook zij, was er sprake van eindeloze straf, dan zou de Heiland zich niet zo hebben uitgedrukt.

Matteüs 23:39 "gij zult Mij van nu aan niet meer zien, totdat gij zegt : Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren"
Dat "totdat" is niet een voorwaarde, maar zal de vervulling zijn van zovele beloften.

Markus 9:43-51 "de worm, die niet sterft."
Lees die woorden in samenhang met Jesaja 66:24. Jeruzalem is hersteld. Maar buiten de stad in gehenna (het dal van Hinnom) liggen de lijken en niet de onsterfelijke zielen in eindeloze marteling, zoals de traditie leert. (gehenna is in het N.T. vertaald met hel.)

Lukas 6:35 "Want Hij is goed jegens de ondankbaren en bozen."
Dit woord sprak de Heer, na zijn woorden: "Hebt uw vijanden lief en doet hun goed." Dat is de goedheid van die God, die een Behouder is van alle mensen, in het bijzonder van de gelovigen; de eersten en de laatsten.

Lukas 12:47,48 "vele en weinige slagen."
God blijft niet tot in het oneindige doorgaan met slaan, anders zou het woord "weinige" zijn betekenis verliezen. Hij zou met weinige slagen nooit meer ophouden. Onzin dus! Maar ook aan vele slagen komt een einde.

Lukas 13:24 "Hij zei tot hen: Strijdt om in te gaan door de enge poort, want velen zullen trachten in te gaan, doch het niet kunnen."
Vers 27 en 28:"Gaat weg van mij, werkers der ongerechtigheid. Daar zal het geween zijn en het knersen van de tanden…"
Het zijn deze teksten, die aangevoerd worden om aan te tonen, dat God vele mensen (en dat moeten er dan wel miljarden zijn) in de hel zal kwellen en van geen ophouden weten zal. Maar tevergeefs zal men toch zoeken naar woorden, die van dat onophoudelijke spreken. De Here Jezus sprak van geween, geknars van de tanden, van buitenste duisternis, van de hel (dat gehenna) en van eeuwige straf, maar niet één keer heeft Hij gesproken over de eindeloosheid van die ellende.

Lukas 13:30 "En zie, er zijn laatsten, die de eersten zullen zijn en er zijn eersten, die de laatsten zullen zijn."
Én de laatsten én de eersten zullen binnenkomen, zoals we in 1 Korinte 15:22 en 23 lezen "Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar ieder in zijn eigen rangorde." Er zullen er velen zijn, die door het gericht van duisternis en tranen de redding zullen verkrijgen.

Lukas 15:4 "Wie van u, die honderd schapen heeft en er één van verliest, laat niet de negenennegentig in de wildernis achter en gaat het verlorene zoeken, totdat hij het vindt?"
God, die liefde is, gaat in zijn Zoon zoeken, wat verloren was en zal met dat zoeken niet ophouden tot Hij het verlorene gevonden heeft. "Want de Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden." (19:10) Tot ons wordt gezegd: "Zoekt en gij zult vinden." (11:9) Zou dan de Herder zoeken en niet vinden? Zou dat afhangen van het willen van dat verloren schaapje?

Johannes 1:9 "het waarachtige Licht, dat ieder mens verlicht."
Maar Hij ging alleen rond in Israel en ook daar bereikte Hij maar een deel van heel dat Joodse volk. Miljarden stierven en sterven zonder ooit deel aan die verlichting te hebben gehad. En toch zal Hij eens ook hen verlichten;dat is in het Licht stellen. En wat dat betekent zegt ons 2 Korinte 4:6: "Want de God, die gesproken heeft: “Licht schijne uit het duister”, heeft het doen schijnen in onze harten, om ons te verlichten met de kennis van de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus."
Waar dat Licht verschijnt moet, ondanks de meest hardnekkige tegenzin van mensen, de duisternis wijken.

Johannes 1:29 "Zie, het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt."
Als God eenmaal alles in allen is, zal duidelijk worden, dat Christus niet heeft geprobeerd de zonde van de wereld weg te nemen, maar dat Hij inderdaad de Redder der wereld is. God probeert trouwens nooit iets!

Johannes 3:35 "De Vader heeft de Zoon lief en heeft Hem alles in handen gegeven.” “Want dit is de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles, wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren laat gaan." (6:39)
Dan zal toch alles gevonden worden?!

Johannes 3:36 "Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven, maar wie aan de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem."
Zolang die ongehoorzaamheid niet genezen wordt, zal de toorn van God op de ongehoorzamen blijven. Hij kwam tot de zijnen (dat is Israel) en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. (1:11) En pas wanneer die genezing heeft plaatsgevonden, zal de toorn van God wijken. Al meer dan 2000 jaar leeft het volk onder de toorn, die in Romeinen 11 verwerping en verharding wordt genoemd. (vers 15 en 25) Overigens heeft het bovenstaande woord van de Heer evengoed betrekking op elk ongehoorzaam mens. Maar ook Johannes 3:36 is niet een woord, dat spreekt van een toorn, die nooit ophoudt. Dat wordt aan Israel gedemonstreerd. Wat die genezing betreft verwijs ik naar Hosea 14:5 "Ik zal hun afkerigheid genezen, Ik zal hen vrijwillig liefhebben."

Johannes 8:29 "want Ik doe altijd wat Hem behaagt."
En wat de Vader behaagt, lezen we in 1 Timoteüs 2:4: "God, onze Heiland, die wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkenning van de waarheid komen."

Johannes 12:32 "en als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken."
Niet weinigen, niet velen, maar allen. God gaf aan de Here Jezus macht over alle vlees (17:2) en dat zegt ons dat Hij tot zijn doel zal komen ook met afkerige mensen. Hij heeft de Vader verheerlijkt op aarde door het werk te voleindigen, dat God Hem te doen gegeven had. (17:4)

Uit het boek Handelingen

Handelingen 3:21 "Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting van alle dingen…"
Dat is het grote voornemen van God. Straks zal Jezus Christus verschijnen en een aanvang maken aan dat oprichten van alle dingen. Het gaat door gericht en oordeel heen en ook zijn koningschap zal daartoe dienen, want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen. (Romeinen 11:36)

Vers 25 "en in uw nageslacht zullen alle stammen der aarde gezegend worden."
Het is zeer veelzeggend, dat Petrus juist in verband met het oprichten van alle dingen hier de belofte van God aan Abraham noemt: "alle stammen de aarde."

Handelingen 15:17 "opdat het overige deel der mensen de Here zoeke, en alle heidenen, over welke mijn naam is uitgeroepen, spreekt de Here, die deze dingen doet"
In de tijd, die wij nu beleven - de tegenwoordige eeuw – vergadert God een volk uit de heidenen, dat is de gemeente van Christus. (vers 14) Daarna keert Hij zich weer tot Israel – de vervallen hut van David – en alles, wat ooit instortte, zal Hij weer opbouwen. (vers 16) Dat alles heeft een alles overstijgend doel: opdat alle heidenen over welke mijn naam is uitgeroepen de Here zullen zoeken. En welke heidenen zijn dat dan wel? Dat is het overige deel van de mensen. Sla op in de bijbel Hosea 9:12. Dat zijn zij, die van Gods geslacht zijn. (Handelingen17:26-30) Ja, alle mensen.

Handelingen 17:26 "God heeft uit één enkele het gehele menselijk geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen."
Zou God mensen hebben geschapen, terwijl Hij tevoren wist, dat verreweg de meesten van hen in een afschuwelijke verlorenheid terecht zouden komen, waaruit geen ontsnappen ooit mogelijk is? Het bestaan van de mens zou in het algemeen een toeleven zijn naar een ellende, die niet te beschrijven is.

Vers 27-30 enkele citaten: "opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten... want in Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij, gelijk ook enige van uw dichters hebben gezegd: Want wij zijn ook van Gods geslacht. Daar wij nu van Gods geslacht zijn.."
De apostel Paulus beaamt hier de heidense dichters: wij zijn van Gods geslacht. De naam van Hem is over al de volken uitgeroepen. (Hosea 9:12; Efeze 4:14, 15) "Eén God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen."(Efeze 4:6)

De brieven van de apostelen

Romeinen 3 vers 23 en 24: "Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus."

Romeinen 5:12-21 "Zoals het door één daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, zo komt het ook door één daad van gerechtigheid tot rechtvaardiging ten leven." (vers 18)
Na het bestuderen van deze perikoop vraag je je af, welke zin deze uiteenzetting van Paulus zou hebben, als hij van mening zou zijn geweest, dat door de afstamming van Adam bijna alle mensen zonder meer aan de dood en de verdoemenis zouden vervallen en een naar verhouding zeer klein aantal genade, gerechtigheid en vrede zouden verkrijgen. Zouden dan van Adam veel sterkere werkingen uitgaan dan van Christus? Zou de zonde veel meer vermogen dan de genade, terwijl vers 21 zegt: "waar de zonde toenam, is de genade meer dan overvloedig geworden."? Paulus blijkt onverbloemd de universele verzoening te leren. De nadruk ligt op "veel meer". Wat God geeft in Christus is veel meer dan wat in Adam is verloren gegaan. Hij maakt niet alleen goed, wat in Adam bedorven was; niet het evenwicht, maar het overwicht!

Romeinen 9, 10 en 11 Het volk Israel: verhard, slapende, gevallen, in tekort, gehaat, weggebroken, niet-geliefde, niet-Gods volk. Een volk, zo onder het oordeel en ongehoorzaamheid besloten…en toch ook hier weer dat einde aan het oordeel: "totdat". (11:25,26)

Romeinen 11:10 Let op, hoe zelfs een "voorgoed" gekromde rug zich weer zal rechten: vers 26.

Romeinen 11:32-36 In deze woorden is te lezen, waar de lijnen van oordeel en zegen, waarover geschreven wordt in de hoofdstukken 9, 10 en 11 op uitlopen: "want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om zich over hen allen te ontfermen." De "allen" uit het eerste deel van de tekst zijn dezelfde "allen" uit het tweede deel. En dat zal niet alleen betreffen de laatste generatie van Israel, die nog in leven is bij de terugkeer van de Here Jezus. Nee, allen, die de geslachten door onder de ongehoorzaamheid besloten waren. Wie hierbij opmerkt: "Ja, maar ze moeten wel willen", zet een vraagteken achter Ezechiël 36 en 37, Zacharia 12 en 14 en achter zovele profetieën en beloften van God. Die ontferming is onvoorwaardelijk. Dat "willen" is voor mensen, die besloten zijn onder ongehoorzaamheid trouwens onmogelijk. Zijn mensen, die onder een bedekking van ongehoorzaamheid liggen, in staat tot geloven? Moet God daartoe zelf niet eerst die bedekking wegnemen en zo de afkeer genezen? (Hosea 14:5) Het is goed nu in de bijbel op te slaan Johannes 12: 37-42 en te lezen wat toch de oorzaak was van het ongeloof van Israel. Het is wel even slikken. Ik heb pas vrede met die woorden gekregen, toen ik mocht inzien, dat dat oordeel van ongeloof niet het laatste is wat God over de mens gesproken heeft. Waartoe heeft God allen onder ongehoorzaamheid besloten? Om zich over allen te ontfermen!! Het is goed hierbij op te merken, dat de meeste uitleggers van mening zijn dat "allen" niet alleen betrekking heeft op het volk Israel, maar zeker ook op de heidenen. Inderdaad, de wegen van God zijn ondoorgrondelijk, maar het moge ons duidelijk zijn, dat ook dit bijbelgedeelte spreekt van de ontferming, waarop de wegen van God uitlopen. Vandaar, dat Paulus in vers 33 uitbreekt in een geweldige lofprijzing, die eindigt met deze woorden: "want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen!"

1 Korinte 15:22-29 "want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden."
Let erop, dat Paulus niet schrijft "allen in Christus", maar "in Christus allen". De laatste vijand, die onttroond wordt, is de dood, "opdat God zij alles in allen."

1 Korinte 15:54,55 "…de dood is verzwolgen in de overwinning. Dood, waar is je overwinning. Dood, waar is je prikkel?"
Zou de tweede dood (Openbaring 20) dan nog macht hebben?

2 Korinte 5:18,19 "de verzoening, welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen…"
En nu mogen degenen, die Jezus Christus toebehoren, de boodschap laten klinken: "Laat u met God verzoenen."

Efeze 1:9-12 "het welbehagen, dat Hij zich in Hem had voorgenomen, om...al wat in de hemelen en op de aarde is, onder één Hoofd, dat is Christus, samen te vatten…krachtens het voornemen van Hem, die alles werkt naar de raad van zijn wil."
Er zal dan toch nergens iets of iemand zijn, die daarin niet is begrepen?

Efeze 4:26 "de zon mag niet over een opwelling van uw toorn ondergaan..."
Iemand parafraseerde die woorden met: "Ga nooit boos slapen. Er is een gezegde: "Boos worden is menselijk, boos blijven is duivels" Zou God dan eindeloos toornen? Hij, die in zijn woord ons oproept navolgers van God te zijn? (Efeze 5:1) Corrie ten Boom vergaf haar kampbeul. Maar hoe is onze reactie, als we horen, dat zij hierin haar God navolgde?

Filippenzen 2:10 "opdat in de naam van Jezus zich alle knie zal buigen van hen, die in de hemel en op de aarde zijn en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God de Vader."
Bedenk daarbij, dat 1 Korinte 12:3 zegt, dat niemand kan zeggen: "Jezus is Here", dan door de Heilige Geest.

Kolossenzen 1:15-20 Vijf keer wordt er in dit gedeelte gesproken van "alle dingen", waarvan God zegt, dat Hij die met Zich gaat verzoenen, hetzij, wat op de aarde is, hetzij wat in de hemel is. Wie zou daarover niet juichen?

1 Tessalonicenzen 2:16 "de toorn van God is op hen gekomen tot het einde."
Hoezo dan een “eindeloze straf?

1Timoteüs 2:1 "Ik vermaan u dan smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen."
Danken voor alle mensen, ook voor hen, die op de wereld kwamen en straks in een onbeschrijfelijke ellende terecht zullen komen, waaruit ze nooit meer zullen kunnen ontkomen? We zouden wanhopig moeten worden!! Zovelen, die een leven "lijden", het evangelie nooit of vertekend hoorden, nooit vrede en blijdschap vonden en tenslotte in de kwellingen van de hel terecht zullen komen. Was voor het voor hen niet vele malen beter geweest als ze nooit geboren zouden zijn? Ligt het niet meer voor de hand hen te beklagen dan voor hen te danken? Is dat laatste niet alleen mogelijk, als we geloven, dat God werkelijk een Behouder is van al die mensen?

1Timoteüs 2:4 "God, onze Heiland, die wil, dat alle mensen behouden worden."
Hij is de Heiland, "die alles werkt naar de raad van zijn wil" (Efeze 1:11) en zijn wil is niet te weerstaan, zo lezen we in Romeinen 9. Is dat een wat al te gemakkelijke manier van teksten aan elkaar plakken, of mogen we zo de Schriften lezend ons verheugen in God, die hoe dan ook tot zijn ene doel komt?

1Timoteüs 4:10 "de levende God, die een Behouder is van alle mensen, inzonderheid van de gelovigen."
Duidelijker kan het niet gezegd worden. Let wel: God is niet een Behouder voor, maar van alle mensen. Van deze wondere waarheid wordt gezegd, dat het een betrouwbaar woord is en alle aanneming waard en dat de apostel zich hierom moeite en inspanning getroostte. Merkwaardig, dat veel gelovigen dit zo duidelijke woord kneden en masseren, om de heerlijke waarheid eraan te ontnemen. Hoe kan God in het bijzonder de Behouder zijn van de gelovigen, als hij dat niet zou zijn van alle mensen?

Hebreeën 2:8 "alle dingen hebt gij onder zijn voeten onderworpen. Want bij dit: alle dingen (Hem) onderworpen, heeft Hij niets uitgezonderd, dat Hem niet onderworpen zou zijn. Doch thans zien wij nog niet, dat Hem alle dingen onderworpen zijn….."
Nu nog niet, maar straks zullen we er in de allergrootste vreugde getuige van zijn, dat alle dingen Hem onderworpen zullen zijn. En niets en niemand is daarvan uitgezonderd.

Hebreeën 2:9 "opdat Hij voor een ieder de dood zou smaken"
Dit woord mag niet zo worden verstaan, alsof Christus, nadat Hij voor ons de dood stierf, ieder van ons de kans zou geven deel te hebben aan het verlossingswerk. Ook doet God geen pogingen ons te redden. God geeft ons geen kans op de zaligheid. Hij maakt ons zalig! Dat dat niet buiten oordeel en gericht omgaat moge duidelijk zijn. Zo alleen is de levende God een Behouder van alle mensen.

Hebreeën 10:9 "daarna heeft Hij gezegd: Zie, hier ben Ik om uw wil te doen."
Dat is de Heiland, die zei, dat het zijn spijs was, de wil te doen van God, die Hem gezonden had. En is het niet de wil van God dat alle mensen behouden worden?

1 Johannes 2:2 "Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar voor die der gehele wereld."
Er wordt wel gezegd, dat vergeving alleen kan worden geschonken aan zondaren, die het evangelie horen en de genade accepteren. Dit woord van Johannes laat ons zien, dat die beperking niet is naar de Schriften.

1 Johannes 3:8 "Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des satans verbreken zou."
Zal de "eeuwigheid" ons dan laten zien, dat dat verbreken van satans werken maar ten dele zal zijn gelukt?

1 Johannes 4:14 "Wij hebben aanschouwd en getuigen, dat de Vader de Zoon gezonden heeft als Heiland der wereld."
Kan de Here Jezus de Heiland der wereld genoemd worden als Hij maar een fractie van de wereldbevolking zou weten te redden?

Jacobus 2:13 "barmhartigheid roemt tegen het oordeel."
Ook het gericht is een aangelegenheid van de barmhartigheid; barmhartigheid, die geen kwaad met kwaad vergeldt.

Jacobus 1:18 "Naar zijn raadsbesluit heeft Hij ons voortgebracht door het Woord der waarheid, om in zekere zin eerstelingen te zijn onder zijn schepselen."
De uitdrukking "eerstelingen" houdt verband met de oogst. De vraag is, wie dan wel de volle oogst zullen vormen?

2 Petrus 2:5,6 "Sodom en Gomorra tot as verbrand…en tot voorbeeld gesteld voor hen, die goddeloos zouden leven."
Was de straf over die steden een oneindige? Ezechiöl 16 geeft het antwoord.

2 Petrus 2:9 "de Here weet de onrechtvaardigen te bewaren, om hen op de dag van het oordeel te straffen..."
Laat het toch duidelijk zijn, dat we er niet een oppervlakkig "alles sal reg kom" opvatting op na houden. Wel is het in overeenstemming met al de woorden van God, die het oordeel betreffen, dat ook Petrus niet spreekt van straf, die eindeloos doorgaat: de dag van het oordeel!

Judas 7 Hetzelfde voorbeeld en hetzelfde antwoord als bij 2 Petrus 2:5 en 6.

Openbaring 5:13 "En alle schepsel in de hemel en onder de aarde en op de zee en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem, die op de troon gezeten is en het Lam zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid."
Dat zal dan toch zijn alle knie, die zich buigen zal en elke tong, die belijden zal, dat Jezus Christus Heer is, tot eer van God de Vader! (Filippenzen 2:10, 11) Dat zijn toch alle volken, die in het Zaad van Abraham, dat is in Christus, gezegend zullen worden en zeker niet alleen die volken, die nog in leven zijn, als die lofprijzing plaatsvinden zal. Was dat laatste het geval, dan zou de Here in zijn belofte aan Abraham niet van alle volken gesproken hebben.

Openbaring 22:2 "en de bladeren van het geboomte zijn tot genezing der volkeren."
Hoewel in dit hoofdstuk de Here Jezus zijn koningschap nog niet heeft overgedragen aan de Vader (1Korinte 15:24, 28), - Hij regeert immers nog op de troon - is er toch al sprake van genezing der volken. Wat deed men toch weinig met die woorden in prediking en verwachting. Maar Paulus wist, waarop het uit zou lopen: God zal zijn alles in allen!

Uiteraard zal de ene tekst meer aanspreken dan de andere. Is het nu zo, dat er bijbelwoorden gevonden kunnen worden, die het nodig maken de bovenstaande teksten een andere betekenis toe te kennen? Een betekenis, die het mogelijk zou maken toch te blijven geloven, dat de eeuwige straf geen einde zal kennen?
Ik heb er niet één kunnen vinden.
Laten we in gedachten houden, dat het begrip "eeuwig" in de Schriften meestal niet de betekenis heeft van altijddurend en daarom niet erg bruikbaar is bij het beantwoorden van bovenstaande vraag.)

Tenslotte citeer ik uit het boek "De laatste der rechtvaardigen" van André Schwartz-Bart.

Hij beschrijft de aankomst van een grote groep Joden in Auswitsch

"De kinderen drongen zich dichter om hem heen; sommigen richtten alleen maar het stomme verwijt van hun ogen, zwaar en gezwollen als abcessen op hem, anderen hielden hem vast bij zijn mouwen of aan de slippen van zijn armzalige zwarte jas. Ernie streelde die kleine hoofdjes, waarvan hij met absolute zekerheid het naderende einde kende (…)
En tegen de kinderen, van wie verscheidenen nu zacht begonnen te kreunen: "Kinderen, kinderen" stelde hij hen gerust, "Wij zullen allen tezamen het koninkrijk binnengaan, straks gaan we er hand in hand binnen en daarginds wacht ons een festijn met heerlijke spijzen, een festijn met oude wijnen, met heerlijke spijzen, het beste van het beste en oude, zuivere wijnen…Daarginds mijn lammetjes..."
Ze luisterden zonder te begrijpen en er zweefde een ijle glimlach om hun gekwelde lippen.
""..om zich over hen allen te ontfermen.
O, diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen!!
Want: wie heeft de zin van de Here gekend? Of wie is Hem tot raadsman geweest?
Of wie heeft Hem eerst iets gegeven, waarvoor hij vergoeding ontvangen moet?
Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in de eeuwigheid!
Amen!!"



Naar de indexpagina

   


© www.hetbestenieuws.nl