Zullen miljarden mensen voor eeuwig verloren gaan?
---
Hoofdstuk 25
DE GOD DIE LEEFT TOT IN DE EEUWEN DER EEUWEN.

door J. van A.

   

In Openbaring 1:6 lezen we van Christus:

"Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in de eeuwen der eeuwen"

En in vers 18 zegt de Heiland zelf:

"en zie, Ik ben levend tot in de eeuwen der eeuwen"

In 4:9 en 10:6 en 15:8 wordt van de Almachtige gesproken als van Hem, die tot in de eeuwen der eeuwen leeft; terwijl 5:13 en 7:12 ons zeggen dat aan Hem, die op de troon gezeten is en het Lam lof wordt toegebracht tot in de eeuwen der eeuwen.

e kunt nu zo redeneren: als God leeft tot in de eeuwen der eeuwen, dan moet dat toch betekenen, dat daaraan geen einde komen zal. En als er dan in datzelfde boek gezegd wordt, dat er gepijnigd zal worden tot in de eeuwen der eeuwen, dan kan dat toch niet anders betekenen dan dat er tot in het oneindige gemarteld zal worden.

Het wordt echter wat meer ingewikkeld, als we hoofdstuk 11:15 erbij betrekken. We lezen daar van de Messias, dat Hij zal heersen tot in de eeuwen der eeuwen. De conclusie is dan gauw getrokken: Hij zal Koning zijn en aan zijn koningschap komt nooit een einde.

Maar... dat blijkt niet overeen te komen met wat we lezen in de Korintebrief. We vinden daar in 15:25

"Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft"

Conclusie: aan dat heersen tot in de eeuwen der eeuwen komt een einde.

Maar hoe zit het dan met die pijniging, die immers ook duren zal tot in de eeuwen der eeuwen? Daaraan zou dan ook een einde komen.

Wat zullen we van deze dingen zeggen?

Leggen we de strafmaat van de pijniging (Openbaring 14:11) naast het woord, dat spreekt van God, die leeft, dan concluderen we een pijn, die nooit ophoudt. Leggen we evenwel die strafmaat naast de tekst, die spreekt van het koningschap van Christus, dan komen we tot een totaal andere conclusie: dat koningschap eindigt ooit en zo ook de straf.

Wat is hier nu mee aangetoond?

Dat we zeer op onze hoede moeten zijn, als we redeneren en concluderen aan de hand van woorden uit het boek Openbaring. Ik herinner aan Wenham, die zei huiverig te zijn om een fundamenteel leerstuk te bouwen op passages vol symboliek.

Laten we ons er ook van bewust zijn dat we ons in onze studies niet bezig houden met het vraagstuk van de predikende vrouw of de toestand van de gelovigen tussen dood en opstanding (hoe belangrijk dat ook mag zijn), maar wat ons bezighoudt heeft grote gevolgen voor ons geloofsleven en zeker voor het pastoraat.

Wat antwoorden we, als ons na het overlijden van een ongelovig familielid de vraag wordt gesteld, waar de overledene zich nu bevindt en of er aan de straf in de hel ook een einde komt?

Beseffen we wel, wat mensen te verwerken krijgen, als ze te horen krijgen dat alle hoop vervlogen is en dat de overledene nooit, nooit meer de vlammenzee van de hel zal mogen verlaten?

Nooit aflatende foltering, altijd doorgaand knersen van de tanden!!

Hebben we het Woord van God over dit gigantische probleem wel goed verstaan?

Nog een paar opmerkingen.

"Hem aanbidden, die leeft tot in de eeuwen der eeuwen"
(Openbaring 9:10)

Zo zijn er nog een aantal woorden in dit bijbelboek, die ons zeggen, dat God leeft tot in de eeuwen der eeuwen.

Wat deze woorden betreft kan worden gezegd dat, als alleen in deze gevallen deze uitdrukking werd gebruikt, er weinig bezwaar zou bestaan om daaronder te verstaan "voor altijd".

Maar omdat deze teksten aanhalingen zijn uit het Oude Testament en bijvoorbeeld Openbaring 15:2-7 meer dan een dozijn oudtestamentische uitdrukkingen bevat, moet erkend worden, dat de invloed van het Hebreeuwse denken zeer groot is. Het Oude Testament refereert niet of sporadisch aan eeuwigheid in de zin van oneindige duur. Daarom kan moeilijk worden aangenomen dat Johannes, die zo veelvuldig in dit gedeelte oudtestamentische teksten citeert, daaraan wel zal hebben gedacht.

"God, die leeft tot in de eeuwen der eeuwen."

Als de Schrift spreekt van het einde en de voleinding van de eeuwen (Matteüs 28:20; Hebreeën 9:26), kan de vraag bij ons opkomen, waarop de bovenstaande uitdrukking dan doelt. Wil die de gelovigen, die door de zware tijden, waarvan Openbaring spreekt, heen moeten bemoedigen? "Ik ben de Levende en Ik draag je door de ellende van de verdrukking heen naar die eeuwen der eeuwen, waarop je hoop is gericht en waarin de hele schepping van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal worden bevrijd." (Romeinen 8:21)

Bovendien was er een "tijd" vóór de eeuwen (1 Korinte 2:7 "pro toon aioon").

Was die God, die leeft tot in de eeuwen der eeuwen, er toen niet? Een absurde vraag, Hij is immers de God, die de eeuwen door zijn Woord tot stand gebracht heeft? Je kunt dat lezen in HebreeŽn 11:3. ("aionen" is in de N.V. incorrect vertaald door "wereld"). En omdat Hij er was voor de eeuwen zal Hij er ook zijn als de eeuwen voorbij zijn gegaan. Het einde van 1 Korinte 15:24 is dan gekomen. God zal dan alles zijn in allen zegt vers 28.

Ook moet erop worden gewezen, dat er in de eeuwen der eeuwen nog dag en nacht zal zijn. (Openbaring 14:11) Dat geeft toch ook te denken. We komen daar nog op terug.


Naar hoofdstuk 26

Naar de indexpagina

   


© www.hetbestenieuws.nl