| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En Jerubbaäl (hij is Gideon) staat vroeg op en heel het volk dat met hem is, en zij slaan het kamp op bij de bron van Harod. En het kamp van Midian was ten noorden van hem, op de hoogte van Moreh, in de vallei.
2 En Jahweh zegt tot Gideon: "Er is teveel volk bij jou dat Ik Midian in hun hand geef, anders roemt Israel tegen Mij, zeggend: Mijn hand gaf mij redding.
3 En nu, roept alstublieft in de oren van het volk, zeggend: Een ieder die vreest of beeft, hij zal terugkeren en hij zal van de berg van Gilead af rennen." En er keren van het volk tweeëntwintigduizend terug, en tienduizend bleven. [Deut. 20:8]
4 En Jahweh zegt tot Gideon: "Er is nog veel volk. Breng ze naar beneden, naar het water, en Ik zal ze daar voor jou zuiveren, en het gebeurt van wie Ik tot jou zal zeggen: Deze zal met jou gaan, hij zal met jou gaan; en allen van wie Ik tot jou zal zeggen: Deze zal niet met jou gaan, hij zal niet met jou gaan."
5 En hij brengt het volk naar het water en Jahweh zegt tot Gideon: "Een ieder die met zijn tong likt van het water zoals de hond likt, stel hem terzijde, en een ieder die buigt op zijn knieën om te drinken."
6 En het aantal van die likken van hun hand naar hun mond is driehonderd mannen. En heel de rest van het volk boog hun knieën om te drinken van het water.
7 En Jahweh zegt tot Gideon: "Met de driehonderd mannen die likken zal Ik jullie redden, en Ik geef Midian in jullie hand. En heel het volk zal gaan, een ieder naar zijn plaats."
8 En het volk neemt het voedsel in hun hand en hun trompetten. En iedere man van Israel zond hij weg, naar hun tenten. Maar de driehonderd mannen hield hij vast. En het kamp van Midian was bij hem, beneden in de vallei.
9 En het was in die nacht dat Jahweh tot hem zegt: "Sta op, ga naar beneden in het kamp, want Ik gaf het in jouw hand.
10 En indien jij bang bent om af te dalen, daal af, jij en Purah, jouw jongen, naar het kamp.
11 En jij hoort wat zij spreken. En daarna zullen jouw handen standvastig zijn en ga jij naar beneden in het kamp." En hij en Purah, zijn jongen, dalen af naar het uiterste van de vijftig die in het kamp zijn.
12 En Midian en Amalek en alle zonen van het oosten liggen in de vallei, zoals sprinkhanen, in menigte, en van hun kamelen is er geen getal, als het zand dat is aan de kust van de zee, in menigte.
13 En Gideon komt, en zie!, een man vertelt aan zijn naaste een droom en hij zegt: "Zie!, ik droomde een droom, en zie!, een geroosterd gerstebrood keert zich in het kamp van Midian en het komt bij de tent en het slaat die en die valt, en het keert hem om, ondersteboven, en de tent valt."
14 En zijn naaste antwoordt hem en hij zegt: "Dit is niet anders dan alleen het zwaard van Gideon, zoon van Joash, man van Israel. De Elohim gaf Midian en heel het kamp in zijn hand."
15 En het gebeurt wanneer Gideon het verhaal en de uitleg hoorde, dat hij aanbidt. En hij keert terug naar het kamp van Israel en hij zegt: "Staat op!, want Jahweh gaf het kamp van Midian in jullie handen."
16 En hij verdeelt de driehonderd mannen in drie afdelingen, en hij geeft trompetten in de handen van allen en lege potten en fakkels midden in de potten.
17 En hij zegt tot hen: "Naar mij zullen jullie zien en zo zullen jullie doen. En zie!, ik kom in het uiterste van het kamp, en het gebeurt zoals ik zal doen, zo zullen jullie doen.
18 En ik blaas in de trompet, ik en allen die met mij zijn, en jullie blazen in de trompetten, ook jullie, rondom heel het kamp, en jullie zeggen: 'Voor Jahweh en voor Gideon!'"
19 En Gideon komt, en de honderd mannen die met hem zijn, in het uiterste van het kamp, bij het begin van de middelwacht(ja, zij hadden net de wakers opgesteld), en zij blazen in de trompetten en zij verbrijzelen de potten die in hun hand zijn.
20 En de drie afdelingen blazen in de trompetten en zij breken de potten en zij houden met hun linkerhand de fakkels vast en in hun rechterhand de trompetten, om te blazen. En zij schreeuwen: "Het zwaard voor Jahweh en voor Gideon."
21 En zij staan, een ieder op zijn plaats, rondom het kamp, en heel het kamp rent en zij roepen en zij nemen de vlucht.
22 En de driehonderd blazen de trompetten en Jahweh stelt het zwaard van een ieder tegen zijn naaste, in heel het kamp. En het kamp vlucht tot zo ver als Beth-Shittah, in de richting van Zererath, tot zo ver als de heuvelrug van Abel-Meholah, bij Tabbath.
23 En de mannen van Israel, uit Nafatli en uit Asher en uit heel Manasse worden opgeroepen en zij achtervolgen Midian.
24 En Gideon zendt boodschappers in heel het gebergte van Efraïm, zeggend: "Daalt af om Midian te ontmoeten en neemt van hem het water in bezit, tot zo ver als Beth-Barah en de Jordaan." En alle mannen van Efraïm worden opgeroepen en zij nemen het water in bezit tot zo ver als Beth-Barah en de Jordaan.
25 En zij nemen twee van de hoofden van Midian gevangen: Oreb en Zeëb. En zij doden Oreb bij de rots van Oreb. En Zeëb doodden zij in het wijnvat van Zeëb. En zij achtervolgen Midian. En de hoofden van Oreb en Zeëb brachten zij naar Gideon van over de Jordaan.
Terug naar de indexpagina
Naar Richteren 8
|
|