| |
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst)
1 En het gebeurt wanneer alle koningen van de Amorieten die aan de overzijde van de Jordaan zijn, in de richting van de zee, en alle koningen van de Kanaänieten die aan de zee zijn, horen hoe Jahweh het water van de Jordaan opdroogde voor het aangezicht van de zonen van Israel, totdat wij overgestoken waren, dat hun hart wordt gesmolten; en er kwam in hen verder geen geest voor het aangezicht van de zonen van Israel.
2 In die tijd zei Jahweh tegen Jozua: "Maak voor jezelf zwaarden van vuursteen en keer terug, besnijdt de zonen van Israel een tweede keer."
3 En Jozua maakt voor zichzelf zwaarden van vuursteen en hij besnijdt de zonen van Israel ter hoogte van de voorhuid.
4 En dit is de zaak waarom Jozua heel het volk besneed dat uittrok uit Egypte, de mannen, allen stervelingen van de oorlog. Zij stierven in de wildernis, op de weg, bij hun uittrekken uit Egypte,
5 want heel het volk dat uittrok werd besneden. En allen van het volk die geboren waren in de wildernis, op de weg, bij hun uittrekken uit Egypte, waren niet besneden.
6 Want veertig jaren gingen de zonen van Israel in de wildernis, tot er een einde kwam aan heel de natie, stervelingen van de oorlog, die uit Egypte trokken, die niet luisterden naar de stem van Jahweh, aan wie Jahweh zwoer hen niet het land te laten zien dat Jahweh aan hun vaders zwoer aan ons te geven, een land, vloeiend van melk en honing. [Num. 14:33-35]
7 En hun zonen richtte Hij op in hun plaats. Hen besneed Jozua, want zij waren onbesnedenen, want zij besneden hen niet op de weg.
8 En het gebeurde toen heel de natie klaar was met besneden worden, dat zij onder hen verblijven in het kamp, tot zij herstellen.
9 En Jahweh zegt tot Jozua: "Vandaag rolde Ik de schande van Egypte van jullie weg." En men noemt de naam van deze plaats Gilgal, tot op deze dag.
10 En de zonen van Israel slaan het kamp op in Gilgal en zij vieren het Pascha in de veertiende dag van de maand, in de avond, in de vlakte van Jericho.
11 En zij eten van de opbrengst van het land op de morgen van het Pascha, ongezuurde broden en het geroosterde, in die zelfde dag.
12 En het manna houdt op in de morgen van hun eten van de opbrengst van het land. En er was voor de zonen van Israel verder geen manna, en zij eten van de inkomst van het land van Kanaän in dat jaar. [Exo. 16:35]
13 En het gebeurt toen Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen opheft, en zie!, een man staat tegenover hem, met zijn zwaard getrokken in zijn hand. En Jozua gaat naar hem toe en hij zegt tot hem: "Bent u voor ons of voor onze tegenstanders?"
14 En hij zegt: "Nee, ik ben de Prins van menigte van Jahweh. Nu ben Ik gekomen." En Jozua valt op zijn aangezicht, naar het land, en hij buigt zich, en hij zegt tot hem: "Wat spreekt mijn Heer tot Zijn dienaar?"
15 En de Prins van de menigte van Jahweh zegt tot Jozua: "Doe jouw sandalen van jouw voeten, want de plaats waarop jij staat is heiligheid." En dat doet Jozua.
Terug naar de indexpagina
Naar Richteren 6
|
|